← België

Arrest 141946 - - 14/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.946 Rolnummer: A. 102142/XIV-2791 Zaak: Arrest 141946 - - 14/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:44 Fiche Arrest nr 141.946 van 14 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.946 van 14 maart 2005 in de zaak A. 102.142/XIV-2791. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 november 1974 en van XXX nationaliteit, op 5 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 december 2000 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend met ontvangstbewijs verstuurd op 7 december 2000; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-2791-1/11 Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 6 november 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 20 november 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 5 december 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, XXX staatsburger van R. origine, zou haar land verlaten hebben op 1 november 2000. Op 6 november 2000 zou ze in België zijn aangekomen waar ze dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig internationaal paspoort. Volgens haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken van 14 november 2000 zou ze haar land verlaten hebben omdat ze omwille van haar R. origine problemen kende met de etnisch XXX bevolking en de XXX overheid. Op 22 maart 2000 werd betrokkene verliefd op een etnische XXX. De ouders van betrokkenes vriend zouden niet tevreden geweest zijn met de R. origine van betrokkene en stonden vijandig tegenover haar. Op 22 maart 2000 kreeg ze dreigtelefoons omdat ze als etnisch-R. een relatie had met een etnische XXX. In mei 2000 ging ze samenwonen met haar vriend. Op 6 juni 2000 belde de broer van haar vriend en twee van zijn vrienden bij betrokkene aan. Ze beledigden en sloegen haar. Ze was gewond en werd door een ambulance naar het ziekenhuis gevoerd waar ze diende te verblijven tot 16 juni 2000. Op 19 juni 2000 belde haar vriend haar op en ontmoetten ze elkaar. Haar vriend vertelde dat hij door zijn broer en twee andere mannen was meegevoerd. Daarna besloot betrokkene om met haar vriend naar het dorp van haar grootmoeder in R. te vertrekken. Tijdens een feestje bij betrokkenes grootmoeder ontstond er een conflict tussen betrokkene en haar vriend en de XIV-2791-2/11 andere bezoekers. Ze beledigden betrokkene en de buurman ging bijna met haar vriend op de vuist. Een paar dagen later vond haar vriend werk en begin augustus 2000 kreeg hij zijn eerste salaris. Ze kochten daarmee een tapijt en moesten volgens de R. tradities trakteren. Op het feestje werden ze beschuldigd de R. tradities niet te eren omdat ze niet wilden drinken. Eén van de gasten sneed vervolgens het tapijt kapot en betrokkenes vriend werd geslagen. De volgende dag zou ze naar de politie gegaan zijn die geen klacht wou aanvaarden en van betrokkene eiste dat ze maar moesten terugkeren naar XXX. Eind augustus 2000 keerden betrokkene en haar vriend terug naar XXX. Daar gingen ze bij betrokkenes moeder wonen en vervolgens huurden ze een eigen appartement. Daar kregen ze enige tijd later bezoek van de vader van haar vriend. Op 29 september 2000 kwam haar oom op bezoek en vervolgens ook de broer van haar vriend en vier van zijn vrienden. Ze beledigden betrokkene en haar vriend en er ontstond een gevecht. Haar vriend werd bewusteloos geslagen en betrokkene kreeg twee messteken. Een ziekenwagen bracht betrokkene naar het ziekenhuis waar ze de volgende dag bezocht werd door de politie. De politie-officier beschuldigde haar van leugens en de klacht werd niet aanvaard. Betrokkenes oom bezocht daarop de familie van haar vriend en kreeg daar te horen dat R. geen oplossingen moesten verwachten. Op 11 oktober 2000 mocht ze het ziekenhuis verlaten. Op 13 oktober 2000 kreeg ze een oproepingsbrief van de onderzoeksrechter om naar het politiebureau te komen. De onderzoeksrechter vertelde haar dat er een klacht was ingediend tegen haar omdat er tijdens het bezoek van haar oom aan de familie van haar vriend iemand geslagen was en in het ziekenhuis was beland. Hij dreigde ermee betrokkene van drugssmokkel te beschuldigen als ze niet vrijwillig schuldig pleitte. Hij sloeg haar, nam haar identiteitskaart af en liet haar in een cel plaatsen. Ze werd ’s avonds vrijgelaten nadat ze een document ondertekend had dat ze het land niet zou verlaten. Ze mocht ook niets over de slechte behandeling vertellen. Op 14 oktober 2000 diende ze een klacht in bij het hoofdkantoor van de politie in A. Op 21 oktober 2000 kreeg ze het antwoord dat haar klacht onontvankelijk was. Dezelfde avond kreeg ze een tweede oproepingsbrief van de onderzoeksrechter voor 23 oktober 2000. Ze werd bang en besloot onder te duiken. Tot haar vertrek verbleef ze bij een kennis van haar moeder. Op 1 november 2000 verliet ze dan XXX richting België. Er dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene aangehaalde vervolging door de etnisch-XXX bevolking en de XXX overheid niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport XXX van de Immigratieambtenaar Minister van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000 en Informatie XXX Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) wordt geen melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de R. bevolkingsgroep. Er moet aldus worden vastgesteld dat betrokkene bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door betrokkene tot staving van haar asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingencon- ventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie blijkt immers niet dat men omwille van zijn etnie niet op bescherming van de XXX overheden zou kunnen rekenen. Integendeel, uit die informatie blijkt juist dat zeker de hogere XXX autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld. Bijgevolg van (kan) niet worden gesteld dat betrokkene omwille van haar R. etnie niet op bescherming zou kunnen rekenen. Tenslotte legde betrokkene twee medische attesten voor om haar twee opnames in het ziekenhuis te bewijzen. Beide attesten zijn echter uitgegeven door het Ministerie van Volksgezondheid van de Sovjet-Unie. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt echter dat er sinds 1995 geen oude Sovjet-documenten meer in omloop zijn. Er rijzen dan ook ernstige twijfels over de authenticiteit van deze documenten en de erin aangegeven feiten. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van haar asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakte, twee medische attesten) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Aangezien uit de verklaringen van betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat haar aanvraag kennelijk ongegrond is en dat haar asielmotieven eveneens strijdig zijn met de op het Commissariaat-generaal voorhanden zijnde informatie, acht de Commissaris-generaal het niet nodig om betrokkene op te roepen voor een interview in dringend beroep. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem (haar) betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de XIV-2791-3/11 Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 november 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Overwegende dat verzoekster een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) Schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelinzen in combinatie met het artikel 48 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf. de vestiging en verwijdering, van vreemdelingen en het artikel 1. A. 2 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, evenals een schending van de rechten van verdediging en machtsoverschrijding. Overwegende dat de bestreden beslissing op manifeste wijze een gebrek aan motivering vertoont, in zoverre dat zij zich enkel baseert op een rapport dat opgesteld is door een immigratie-ambtenaar van Binnenlandse Zaken in XXX om de asielaanvraag van de eiseres af te wijzen, reeds vanaf het stadium van de ontvankelijkheid en verder de eiseres niet de mogelijkheid geeft om zich te verdedigen omtrent de twijfels rond de authenticiteit van de medische attesten; Dat de bestreden beslissing het asieldossier van de eiseres niet op individuele wijze heeft behandeld, door zich enkel te baseren op eenzijdige informatie, uitgaande van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die (dat) niet onpartijdig en objectief is in dergelijke rapporten; Dat de bestreden beslissing gemotiveerd is als volgt: (...); Dat het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen oplegt om de beslissingen te motiveren, zowel in rechte als in feite; Dat de doelstelling van de formele motivering, opgelegd door deze wetsbepaling, tot doel heeft om de betrokkene te laten begrijpen welke motieven hebben geleid tot de beslissing en dat deze doelstelling niet is bereikt in onderhavig geval, enerzijds, omdat de bestreden beslissing zich baseert op een rapport dat uitgaat van degene die moet oordelen over de asielaanvraag van eiseres en dus niet objectief, noch onpartijdig is en anderzijds, omdat de bestreden beslissing nalaat te motiveren waarom de eiseres geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève zou koesteren omwille van etnische, maar ook religieuze motieven, vermits zij R.-orthodoxe is en haar vriend, M., moslim, net als zijn familie; Dat de bestreden beslissing het religieuze aspect van de vervolgingen die de eiseres nog vreest, miskent, terwijl dit overduidelijk een grote rol heeft gespeeld in de vervolgingen die zij reeds heeft ondergaan; Dat de familie van M. moslims zijn en het in hun ogen ontoelaatbaar is dat M. met de eiseres op dergelijke manier een liefdesrelatie begint, wat tot de problemen heeft geleid; Dat de etnisch XXX politie, die ook moslims zijn, het volkomen eens zijn met de familie van M. en dus totaal onwillig zijn om de eiseres en M. te beschermen tegen de bedreigingen van diens familie; Dat het rapport van de Immigratieambtenaar van Binnenlandse Zaken het helemaal niet heeft over het bestaan of niet bestaan van vervolgingen omwille van religieuze redenen en dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom ze dan wel van oordeel is dat de eiseres geen reden heeft om vervolgingen te vrezen omwille van religieuze redenen ( stuk 2); Dat bovendien het geciteerde rapport niet vrij is van tegenstrijdige informatie, wat toelaat om op zijn minst de stelling van de bestreden beslissing in twijfel te trekken volgens dewelke er helemaal geen sprake is van vervolging van de R. bevolkingsgroep; Dat het rapport het heeft over de toestand van de etnisch(

  1. e)R. in het algemeen, wat niet uitsluit dat er wel individuele gevallen van vervolging van etnisch(
  2. e)R. kunnen bestaan omwille van hun etnische oorsprong, zoals trouwens het rapport zelf aangeeft ( stuk 2, p. 2); Dat namelijk Meneer A., hoofd van het UNHCR liaison office in A. stelt: "Er zijn dan ook volgens mij persoonlijk, en deze mening wordt door vele andere mensen gedeeld, geen redenen om aan XXX de vluchtelingenstatus toe te kennen. Natuurlijk zijn individuele gevallen van vervolging nooit uit te sluiten." ( stuk 2, p. 2); Dat Meneer G. enerzijds de uiterst radicale stelling inneemt dat er geen reden is om aan XXX de vluchtelingenstatus toe te kennen, maar dan onmiddellijk vervolgt met toe te geven dat individuele gevallen van vervolging nooit zijn uit te sluiten, wat erop wijst dat hoe dan XIV-2791-4/11 ook, iedere asielaanvraag moet blijven behandeld worden op individuele basis en dat er geval per geval moet nagegaan worden of er geen sprake is van een individueel geval van vervolging, dat op uitdrukkelijke wijze niet wordt uitgesloten; Dat de bestreden beslissing dus een manifest gebrek aan motivering vertoont door de eiseres niet een verhoor toe te staan in dringend beroep en niet te motiveren waarom men van oordeel is dat er in haar geval geen sprake is van een vervolging omwille van etnische redenen, gezien dit niet wordt uitgesloten door het rapport waarop de bestreden beslissing zich baseert om te stellen dat er in het geheel geen sprake zou zijn van een vervolging van de R. bevolkingsgroep, wat wordt tegengesproken door het rapport, dat individuele gevallen van vervolging niet uitsluit; Dat de Raad van State al verschillende keren heeft geoordeeld dat de Commissaris-generaal zich niet kan beperken tot een stereotype, vage formulering als motivering en zich moet baseren op het geheel van de elementen van een dossier, niet enkel op de elementen van het dossier die lijken te pleiten voor een weigering van het toekennen van het statuut van vluchteling ( stuk 2; R.v.St., 51.146, 16 januari 1995, geciteerd in BERNARD, F., " La procédure de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d' Etat ( Examen de Jurisprudence 1994-1998), Deuxième Partie, R.D.E., 1999, n/ 102, p. 114); Dat de bestreden beslissing zich enkel baseert op een rapport dat niet objectief, noch onpartijdig is en bovendien enkel die elementen uit het rapport haalt die tegen de erkenning van de eiseres pleiten, terwijl dit rapport ook elementen bevat die twijfels doen rijzen over het feit of er in het totaal geen sprake is van vervolging van de R. bevolkingsgroep, zoals hierboven aangehaald; Dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze en conform het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 is gemotiveerd door zich enkel te baseren op gedeeltelijke informatie uit het rapport, zonder de asielaanvraag van de eiseres aan een individueel onderzoek te onderwerpen, wat een methode is die volledig wordt gerechtvaardigd door de inhoud van het rapport dat individuele vervolgingen niet uitsluit, zodat er moet vastgesteld worden dat de bestreden beslissing een manifeste motiveringsfout maakt door te stellen dat dit rapport vaststelt dat er in het geheel geen sprake is van vervolgingen van de R. bevolkingsgroep, omdat dit door het rapport zelf wordt gerelativeerd; Dat het rapport zelf stelt dat XXX worstelt met een corrupte politie en de afwezigheid van een onafhankelijk rechtssysteem en ook Meneer Z., directeur van het XXX International Bureau for Human Rights and Rule of Law, stelt dat er natuurlijk altijd individuele gevallen zijn, maar daar hebben we het nu niet over ( stuk 2, p. 3); Dat er toch wel degelijk over individuele gevallen van vervolging moet gesproken worden, en dat deze dus wel degelijk bestaan, zodat de bestreden beslissing niet op voldoende wijze heeft gemotiveerd waarom ze van mening is dat er in het geval van eiseres geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging, want het rapport laat niet toe om deze conclusie te nemen in elk geval van etnische R. uit XXX die een asielaanvraag indienen, toch niet als het rapport het enige element is waarop men zich baseert; Dat men op zijn minst aan de eiseres de mogelijkheid moest geven om in dringend beroep uit te leggen waarom zij wel ernstige redenen heeft om vervolgd te worden en wel een individueel geval van vervolging omwille van haar etnische oorsprong en godsdienstige overtuiging is en op zijn allerminst de bestreden beslissing op die manier had moeten motiveren opdat de eiseres zou begrijpen waarom men oordeelde dat zij niet, als individueel geval, een gegronde reden heeft om vervolgingen te vrezen in de zin van de Conventie van Genève; Dat de bestreden beslissing op manifest verkeerde wijze het geciteerde rapport interpreteert door er uit af te leiden dat er in het geheel geen sprake zou zijn van mensen van R. oorsprong in XXX en dit dus een manifest gebrekkige motivering inhoudt van de bestreden beslissing; Dat de doelstelling van de formele motiveringsvereiste, zoals opgelegd door het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen niet is bereikt door de bestreden beslissing om de hiervoorvermelde redenen, zelfs indien men de twijfels omtrent de authenticiteit van de medische attesten in aanmerking neemt, omdat dit element op zichzelf niet volstaat om de asielaanvraag van de eiseres vanaf het stadium van de ontvankelijkheid af te wijzen, gezien de Raad van State al vele malen heeft geoordeeld dat er een strengere motiveringsvereiste bestaat voor beslissingen die asielaanvragen reeds afwijzen in het stadium van de ontvankelijk- heid, en dat deze beslissingen des te scrupuleuzer moeten gemotiveerd zijn, om begrijpelijke redenen ( stuk 2 R.v.St., 56.754, 8 december 1995 en R.v.St., 57.708, 22 januari 1996, geciteerd in BENARD, F., op. cit., p. 114); Dat de eiseres niet eens de kans heeft gehad om op individuele basis tijdens een verhoor in dringend beroep uit te leggen waarom ze een gegronde vrees voor vervolging zou hebben omwille van haar R. origine en niet de kans heeft gekregen om uitleg te geven omtrent de medische attesten, die haar zijn overhandigd in het ziekenhuis en die zij, ter goeder trouw aanzag als echte medische attesten; XIV-2791-5/11 Dat twijfels omtrent de authenticiteit van neergelegde documenten in een asieldossier niet altijd een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling rechtvaardigen indien de betrokkene kan uitleggen hoe hij die documenten heeft bemachtigd en redelijkerwijze kon geloven dat het ging om authentieke documenten; Dat dit het geval is voor de eiseres, maar dat ze niet de kans heeft gehad om in een verhoor in dringend beroep dit uit te leggen en zich te verdedigen op dit punt, omdat de bestreden beslissing, naast zich te baseren op een onpartijdig en subjectief rapport en dit op selectieve wijze, wat in strijd is met de hogervermelde wetsbepalingen, zich baseert op twijfels omtrent de authenticiteit van de medische attesten die zijn neergelegd door de eiseres; Dat de bestreden beslissing om hogervermelde redenen in strijd is met de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen, en zich eveneens schuldig maakt aan schending van de rechten van verdediging door de eiseres niet de mogelijkheid te geven om verhoord te worden om zodoende duidelijk te maken waarom zij meent een individueel geval van vervolging te zijn omwille van haar R. etnische origine, zoals het aangehaalde rapport stelt dat die bestaan en niet uit te sluiten zijn; Dat bovendien de bestreden beslissing zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding door zich te baseren op een rapport dat uitgaat van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die de tegenpartij is in deze zaak en de rechter over het asieldossier van de eiseres, wat impliceert dat het aangehaalde rapport (on)partijdig en subjectief is; Dat, gezien het rapport voorziet dat individuele gevallen van vervolging bestaan omwille van de etnische origine, moet elk dossier individueel bekeken worden en kan er niet beweerd worden dat vervolging omwille van etnische redenen totaal uitgesloten is in XXX, vermits dit zelfs wordt tegengesproken door het aangehaalde rapport zelf; Dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom de eiseres niet aannemelijk maakt dat ze een individueel geval van vervolging omwille van etnische redenen is, wat wordt mogelijk geacht door het geciteerde rapport; Dat om die redenen de bestreden beslissing zich niet kon baseren op het geciteerde rapport zonder de hogervermelde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen te schenden; Dat, rekening houdend daarmee, de motivering van de bestreden beslissing betreffende de twijfels omtrent de authenticiteit van de medische attesten niet volstaat op zichzelf om de bestreden beslissing te rechtvaardigen als enig element, vermits in bepaalde gevallen valse documenten geen negatieve beslissing kunnen motiveren, indien de betrokkene ter goeder trouw deze documenten heeft bemachtigd en redelijkerwijze mocht geloven dat het om authentieke documenten ging; Dat het in alle geval een schending van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 uitmaakt, evenals van het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen, net als van de algemene rechtsbeginselen van de rechten van verdediging en verbod op machtsoverschrijding dat de eiseres zich over dit element niet heeft kunnen verdedigen tijdens een verhoor in dringend beroep;” 2.1. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: - de door verzoekster aangehaalde vervolging door de etnisch XXX bevolking en door de XXX overheid stemt niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Uit deze documentatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de R. bevolkingsgroep. Aldus heeft verzoekster bedrieglijke verklaringen afgelegd; XIV-2791-6/11 - de door verzoekster ingeroepen feiten tot staving van haar asielaanvraag kunnen niet als daadwerkelijke vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) worden beschouwd. Uit de informatie van het Commissariaat-generaal blijkt dat de hogere XXX autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld, zodat niet kan worden gesteld dat verzoekster, omwille van haar R. etnie, niet op bescherming kon rekenen; - de medische attesten die verzoekster heeft ingediend, zijn uitgegeven door het Ministerie van Volksgezondheid van de Sovjet-Unie. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er sinds 1995 geen oude Sovjet-documenten meer in omloop zijn, zodat er ernstige twijfels rijzen omtrent de authenticiteit van deze documenten en de erin aangegeven feiten; - gelet op het voorgaande kan in hoofde van verzoekster geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld, de door verzoekster neergelegde documenten wijzigen het voorgaande niet; - aangezien uit de verklaringen van verzoekster voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat haar aanvraag kennelijk ongegrond is en haar asielmotieven strijdig zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, is het niet nodig om verzoekster op te roepen voor een interview in dringend beroep; 2.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing een motiveringsgebrek vertoont in die zin dat de beslissing enkel steunt op een rapport van de immigratie-ambtenaar, wat eenzijdige en niet objectieve informatie uitmaakt, en dat verzoekster niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te verdedigen omtrent de twijfels rond de authenticiteit van de medische attesten; 2.2.1. Overwegende dat, wat het argument betreft dat verzoekster zich niet zou hebben kunnen verdedigen, de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; dat niettegenstaan- de de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat de asielzoeker enkel wordt gehoord als het interview een nieuw licht kan werpen op zijn of haar asielrelaas, wat te dezen niet het geval is, vermits uit de verklaringen van verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk is gebleken dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is en dat de geciteerde asielmotieven strijdig zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat enkel is vereist dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat verzoekster bij XIV-2791-7/11 het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoekster te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat deze motivering overtuigt; dat verzoekster in het middel uiteenzet dat zij tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal verdere uitleg had willen geven over de medische attesten en tevens had willen uiteenzetten waarom zij naar haar mening wel een gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van haar R. origine; Overwegende dat, wat de medische attesten betreft, in de bestreden beslissing hierover wordt overwogen dat deze attesten zijn uitgegeven door het Ministerie van Volksgezondheid van de Sovjet-Unie, en dat uit informatie waarover het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, blijkt dat er sinds 1995 geen oude Sovjet-documenten meer in omloop zijn; dat de Commissaris-generaal concludeert dat er daarom ernstige twijfels rijzen over de authenticiteit van deze documenten en de erin weergegeven feiten; dat verzoekster dit gegeven in het verzoekschrift niet weerlegt; dat zij zich beperkt tot de opmerking dat zij hierover verdere uitleg had willen geven maar dat zij deze uitleg niet geeft in de verzoekschriften ingediend bij de Raad van State; dat verzoekster bijgevolg niet aannemelijk maakt dat zij had moeten worden opgeroepen voor een verhoor om hierover uitleg te verschaffen; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden kon vaststellen dat er ernstige twijfels rijzen over de authenticiteit van de medische attesten en de erin weergegeven feiten; Overwegende dat, wat de beweerde vrees voor vervolging omwille van haar R. origine betreft, in de bestreden beslissing hierover wordt overwogen dat dit niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat de Commissaris-generaal in dit verband over voldoende informatie beschikt die zich in het administratief dossier bevindt, met name het zeer uitgebreide verhoorverslag van verzoekster voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voornoemde informatie over XXX, die aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft beslist dat het niet nodig was om verzoekster op te roepen voor een interview in dringend beroep; 2.2.2. Overwegende dat, wat het argument betreft dat de bestreden beslissing enkel steunt op het rapport van de immigratie-ambtenaar, en dat dit rapport niet objectief en onpartijdig is, niet vrij is van tegenstrijdige informatie en dat het tevens erkent dat er individuele gevallen van vervolging kunnen zijn, vooreerst vaststaat dat, naast het motief dat de verklaringen van verzoekster niet stroken met de informatie van het Commissariaat- generaal, de bestreden beslissing ook het motief vermeldt dat er ernstig kan worden getwijfeld XIV-2791-8/11 aan de authenticiteit van de medische attesten die verzoekster voorlegt; dat dit motief werd geanalyseerd onder punt 2.2.1. van huidig arrest; Overwegende dat het missierapport zich in het administratief dossier bevindt en is samengesteld uit verklaringen van diverse onpartijdige instanties en werd aangevuld met informatie verzameld door Cedoca, de documentatiedienst van het Commissariaat-generaal; dat in deze informatie een veelheid aan bronnen wordt aangehaald, die alle tot dezelfde conclusie komen, namelijk dat hoewel er spanningen mogelijk zijn, systematisch etnisch geïnspireerd geweld in XXX is uitgesloten; dat in de bestreden beslissing tevens melding wordt gemaakt van informatie waaruit blijkt dat de hogere XXX autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld, zodat bij eventuele problemen personen van R. etnie op bescherming kunnen rekenen; Overwegende dat verzoekster in het middel geen elementen aanhaalt die deze vaststellingen weerleggen; dat haar verwijzing naar de opmerkingen van het hoofd van het “UNHCR liaison office” in Almaty en van de directeur van het “XXX International Bureau for Human Rights and Rule of Law”, dat er individuele gevallen van vervolging mogelijk zijn, niet impliceert dat verzoekster zelf individueel wordt vervolgd; dat immers de vermeende moeilijkheden van verzoekster niet noodzakelijk van etnische aard zijn; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat haar problemen ontstonden nadat zij als persoon van R. origine verliefd werd op en ging samenwonen met een XXX man, die normaal gezien ging huwen met een andere XXX vrouw (“een buurmeisje”), en dat zijn familie hiertegen protesteerde; dat een dergelijk probleem veeleer van privaatrechtelijke aard is en vreemd aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster bovendien niet aannemelijk maakt dat de informatie van het Commissariaat-generaal niet objectief en correct is; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing op goede gronden heeft verwezen naar de informatie over XXX waarover hij beschikt; 2.2.3. Overwegende dat verzoekster tenslotte nog een motiveringsgebrek aanvoert omdat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom verzoekster geen gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van religieuze motieven, vermits zij R.- orthodoxe is en haar vriend Moslim, en dat het rapport van de immigratie-ambtenaar het niet heeft over vervolging omwille van religieuze redenen; Overwegende dat verzoekster in de loop van de asielprocedure geen melding heeft gemaakt van vervolging omwille van religieuze redenen; dat dit niet blijkt uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, noch uit haar uitgebreid verzoekschrift in dringend beroep; dat de Commissaris-generaal zich hierover dan ook niet kon uitspreken; dat verzoekster dit element niet voor het eerst in haar verzoekschriften voor de Raad van State kan aanvoeren; XIV-2791-9/11 Overwegende dat uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 15 december 2004 blijkt dat “Betrokkene op 6 januari 2001 het grondgebied heeft verlaten (
  3. en)(dat) zij terug is naar XXX.”; dat de Advocaat van verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog contact heeft met haar cliënte en haar bijgevolg mag vertegenwoordigen voor de Raad van State, teneinde de rechten van haar cliënte te doen gelden; dat de vertegenwoordiging van verzoekster door haar Advocaat in concreto betekent dat verzoekster toegang heeft tot de rechter en dat haar rechten van verdediging worden gevrijwaard; dat verzoekster tevens tegenspraak kan voeren over alle elementen vervat in het administratief dossier en dat het beginsel van de gelijkheid van wapens werd geëerbiedigd, vermits bij een eventuele annulatie van de bestreden beslissing, quod non in casu, de Commissaris-generaal verzoekster kan oproepen voor een interview; dat bijgevolg feitelijk vaststaat dat de rechten van de asielzoeker gevrijwaard blijven in het Belgisch asielsysteem, bij een eventuele gedwongen of vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst, omdat meer dan 99 % van de asielzoekers genieten van gratis rechtsbijstand, gefinancierd door de overheid, en de asielzoeker zich kan laten bijstaan, in elk stadium van de procedure, door een Advocaat van zijn keuze; dat de asielzoeker, ook wanneer hij niet aanwezig is ter terechtzitting, zich mag en kan laten vertegenwoordigen door een Advocaat van zijn keuze; Overwegende dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-2791-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-2791-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.