id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.953 Rolnummer: A. 90905/IX-2318 Zaak: Arrêt / Arrest 141953 - / - 14/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-06 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-03 15:30 Versie(s): Vertaling in voorbereiding Fiche Arrest nr 141.953 van 14 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.953 van 14 maart 2005 in de zaak A. 90.905/IX-2318. In zake : Willy DE SMEDT, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te BRUGGE, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Graanmarkt 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy DE SMEDT op 11 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 6 april 2000, waarbij hem een tuchtsanctie wordt opgelegd door de directie van het Penitentiair Complex te Brugge van tweemaal negen dagen isolatiecel, één dag veiligheidscel, twee maanden strikt regime en verlies van betrekking in werkplaats 4; Gelet op het arrest nr. 116.899 van 11 maart 2003 van de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State, waarbij de debatten worden heropend en de zaak wordt verwezen naar de algemene rol; Gelet op de beschikking van 6 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 januari 2005; IX-2318-1/8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. SOETE, die loco advocaat V. VEREECKE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. VANDAELE, die loco advocaat P. PEETERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Op 5 april 2000 worden jegens verzoeker drie tuchtrapporten opgesteld omwille van agressief gedrag (uiten van verwijten tegenover kwartierchefs en andere gedetineerden, onrust stoken). Ingevolge daarvan wordt verzoeker in de strafcel geplaatst alwaar hij overgaat tot fysiek geweld. 1.2. Op 6 april 2000 beslist directeur HAESEBROUCK verzoeker voor negen dagen op strafcel te plaatsen. Dit is het eerste onderdeel van de bestreden beslissing. 1.3. Op 7 april 2000 wordt een nieuw tuchtrapport opgesteld. Verzoeker wordt omschreven als zeer agressief, bedreigend, beledigend en onvoorspelbaar. Ingevolge deze feiten wordt opnieuw negen dagen strafcel opgelegd. Uit een niet-gedateerd tuchtrapport blijkt dat de opgelegde sancties de volgende zijn : één dag veiligheidscel (15 april 2000), negen dagen strafcel (24 april IX-2318-2/8 2000) en drie maanden strikt regime (24 juli 2000). Dit is het tweede onderdeel van de bestreden beslissing. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker niet meer doet blijken van het rechtens vereiste belang doordat de periodes van isolatiecel, veiligheidscel en strikt regime zijn afgelopen op het tijdstip van de uitspraak van de Raad van State en dat het enig mogelijk nuttige gevolg daarvan, het niet behoeven te ondergaan van het opgelegde regime, dan immers niet meer kan worden gerealiseerd door een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing; 2.2. Overwegende dat verzoeker terecht opwerpt dat de bestreden tuchtstraf vermeld blijft in zijn dossier en dat op basis van dat dossier geoordeeld wordt over zijn voorwaardelijke invrijheidstelling; dat niet wordt betwist dat verzoeker nog steeds in de gevangenis verblijft; dat de exceptie niet opgaat; 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot nietig- verklaring als eerste middel de schending aanvoert van de formele motiveringplicht; dat hij vooreerst stelt dat de aangevochten maatregel hem schriftelijk ter kennis moest worden gebracht aangezien hij enkel dan kan beantwoorden aan de verplichting tot formele motivering; dat wat dat betreft verzoeker ook verwijst naar een omzendbrief 28/IV van 20 december 1991, welke voorschrijft dat elke tuchtsanctie genomen ten aanzien van een gedetineerde schriftelijk gemotiveerd moet zijn en ter kennis worden gebracht van de betrokkene; dat verzoeker aanstipt dat de directie van het penitentiair centrum tweemaal - telefonisch en per telefax - werd aangemaand kopie van de beslissing toe te zenden aan verzoekers raadsman doch daar niet op ingegaan is; dat hij in zijn memorie van wederantwoord nog stelt : "Volgens een eigen collectieve brief stelt de administratie dat motivatie verplicht is telkens een recht van een gedetineerde in het gedrang komt (Collectieve brief 28/IV van 20 december 1991, niet gepubliceerd, gecit. in DUPONT, L., PETERS, T. en SMAERS, G., (Rechtsbescherming van gedetineerden, KU Leuven, DWTC. pag. 68). IX-2318-3/8 Zelfs overeenkomstig haar eigen circulaire dient de gevangenisadministratie de bewuste beslissing schriftelijk en gemotiveerd ter kennis (
- te)brengen van de gedetineerde (stuk 12). De beslissing moet samen met de motivering ter kennis gebracht worden van de betrokken gedetineerde, hetzij door hem een afschrift te overhandigen, hetzij door hem te laten tekenen voor kennisname op het origineel geschrift (Circulaire 28/IV van 20 december 1991, A. 4) par 4; DUPONT, L., PETERS, T. en SMAERS, G., Rechtsbescherming van gedetineerden, KU Leuven, DWTC, pag. 68). Verwerende partij erkent de toepasselijkheid van de geciteerde circulaire (er wordt trouwens uitdrukkelijk naar verwezen in de bewuste tuchtsancties, cf. stuk 7 verweerster), doch wijst erop dat verzoeker geboeid was, en daarom niet kon tekenen voor ontvangst. Daarmee verklaart verzoeker niet waarom verzoeker geen afschrift werd overhandigd. In voorkomend geval moest verzoeker niet tekenen voor ontvangst. Trouwens, de handboeien werden afgenomen op zondagmorgen 9 april 2000 (stuk 10 verweerster). Niets weerhield verweerster alsnog een kopie ter kennis te brengen, hetzij te tekenen voor ontvangst. In realiteit werd de tuchtbeslissing aan verzoeker nooit ter kennis gebracht. Verweerster werd zelfs uitdrukkelijk gesommeerd door de raadsman van verzoeker, per faxbericht dd. 10 april 2000 en per faxbericht dd. 11 april 2000, teneinde de tuchtbeslissing ter kennis te brengen, steeds zonder gevolg. Het dossier werd pas ter gelegenheid van de zitting dd. 18 april 2000 voor de Raad van State ter kennis gebracht aan de raadsman van verzoeker. Daarenboven verwijst verzoeker voor zover als nodig naar de onduidelijk- heid omtrent de omvang van de bestraffing (punt 2.3.2.), hetgeen (...) een gebrek uitmaakt in de motivering. Algemeen wordt aanvaard dat de akte zelf verzoeker moet toelaten de rechtsgeldigheid, alsmede de redelijkheid van de bewuste strafsanctie mee te beoordelen. Een beslissing, waaruit niet duidelijk op te maken is welke de omvang van de tuchtsanctie is, voldoet niet aan deze voorwaarden."; 3.1.2. Overwegende dat de aangehaalde omzendbrief van 20 december 1991 een aantal gevallen opsomt waarin de beslissingen steeds moeten worden gemotiveerd, inzonderheid de straffen opgelegd aan gedetineerden als bedoeld in artikel 82 en volgende van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen; dat verzoeker terecht stelt dat de verplichting tot formele motivering met zich brengt dat daarvan een schriftelijke weergave dient te worden opgemaakt; dat uit het administratief dossier van deze zaak blijkt dat de bestreden beslissingen schriftelijk werden geacteerd; dat het uitgangspunt van verzoeker aldus feitelijke grondslag mist; dat in zoverre hij stelt IX-2318-4/8 dat die beslissingen niet formeel gemotiveerd zijn en dat zij hem niet regelmatig ter kennis werden gebracht, een motivering door verwijzing naar de tuchtrapporten een afdoende motivering vormt welke beantwoordt aan artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, voorzover het rapport waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene bekend is en voorzover dat rapport zelf afdoende is gemotiveerd; dat verzoeker niet beweert dat de tuchtrapporten hem niet bekend zijn; dat eruit blijkt dat verzoeker meermaals een zeer agressief gedrag vertoonde en er duidelijk wordt aangegeven welke verbale en fysieke agressie verzoeker ten aanzien van penitentiaire beambten en andere personen heeft geuit of gepleegd; dat het voor ontvangst ondertekenen van de kennisgeving geen substantiële vormvereiste uitmaakt op het stuk van de motivering; dat het feit dat verzoeker niet in de mogelijkheid zou zijn geweest de tuchtrapporten te ondertekenen, voorzover hij dit niet gedaan zou hebben, voornamelijk aan zichzelf te wijten heeft; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, doordat hem tweemaal negen dagen strafcel werd opgelegd met daartussen één dag veiligheidscel en aldus de bepalingen van voormeld artikel worden omzeild, luidens welke de plaatsing in een strafcel niet langer mag duren dan negen dagen en zij enkel hernieuwd kan worden indien de gedetineerde, na in de strafcel te zijn geplaatst, een nieuwe erge fout begaat, behoudens de verplichting tussen de nieuwe straf en de straf die nog niet verstreken is, een tijdruimte van ten minste één dag te laten; dat verzoeker hierbij ook doet opmerken dat de "veiligheidscel" in wezen hetzelfde regime betekent als de strafcel, met dien verstande dat het bedoeld is als veiligheidsmaatregel; 3.2.2. Overwegende dat in casu de plaatsing in een strafcel werd opgelegd zoals bedoeld in artikel 82 en volgende van het voornoemde koninklijk besluit van 21 mei 1965; dat volgens de door verzoeker aangehaalde bepalingen van artikel 83 ervan het niet toegestaan is voor één feit onmiddellijk een straf op te leggen van tweemaal negen dagen strafcel met ertussen één dag veiligheidscel en dat het opleggen van een tweede termijn van negen dagen strafcel enkel mogelijk IX-2318-5/8 is indien de gedetineerde, na in de strafcel te zijn geplaatst, een nieuwe erge fout begaat, behoudens de verplichting tussen de nieuwe straf en de straf die nog niet verstreken is, een tijdruimte van ten minste één dag te laten; Overwegende dat er wel degelijk twee afzonderlijke beslissingen werden genomen en dat de tweede beslissing het gevolg is van nieuwe feiten gepleegd toen verzoeker reeds in de strafcel verbleef; dat de penitentiaire overheid aan verzoeker dan ook een tweede termijn van negen dagen strafcel kon opleggen; dat in de onderbreking met één dag veiligheidscel uitdrukkelijk is voorzien door de ingeroepen reglementsbepaling en zij aldus niet onrechtmatig kan worden geacht, terwijl de verwerende partij trouwens terecht betwist dat aan het regime van de isoleercel dezelfde beperkingen inherent zijn als aan dat van de strafcel; dat artikel 83 van het algemeen reglement derhalve correct werd toegepast; dat ook het tweede middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een aantal nieuwe middelen opwerpt : schending van de rechten van verdediging gezien in het licht van artikel 6 van het EVRM -recht om vooraf gehoord te worden, raadplegen van een raadsman, inzage van de tuchtrapporten-, schending van het onpartijdigheidsbeginsel aan de kant van de directeur die de sanctie oplegde, van de zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsnormen ingevolge de gebrekkige mededeling van de tuchtsanctie en schending van het recht op telefoongebruik overeenkomstig artikel 35bis van het voornoemde algemeen reglement; dat hij in zijn laatste memorie argumenteert dat die middelen alle van openbare orde zijn en zelfs ambtshalve onderzocht zouden dienen te worden; dat hij in verband met de gebrekkige mededeling van de tuchtsanctie preciseert dat deze gelieerd kan worden aan de rechten van verdediging en, wat het recht op telefoongebruik betreft, dat die schending pas werd vastgesteld tijdens de uitvoering van het strikt regime, toen het verzoekschrift reeds was neergelegd; 3.3.2. Overwegende dat middelen welke niet van openbare orde zijn en waarmee een onwettigheid aangevoerd wordt waarvan verzoeker kennis kon hebben IX-2318-6/8 bij het indienen van het verzoekschrift, niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerd kunnen worden; dat de rechten van de verdediging in tuchtzaken geen zaak van openbare orde zijn maar, uit hun aard, rechten zijn, ingesteld in het belang van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, aan wie het toekomt zich er te gelegener tijd op te beroepen; dat verzoeker de bijkomende middelen reeds in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring had kunnen aanvoeren; dat overigens verzoekers middel omtrent de schending van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel slechts een verdere ontwikkeling inhoudt van zijn eerder aangevoerd middel aangaande de schending van de motiveringsplicht; dat een gebrek bij de betekening van de bestreden beslissing de regelmatigheid van de beslissing zelf niet aantast; dat, wat de aangevoerde schending van artikel 35bis van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 betreft, de beperking van het telefoongebruik een gevolg is van het onder strikt regime plaatsen, terwijl bovendien de termijn van beroep waarover verzoeker beschikte om een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen nog lopende was op het ogenblik dat hij onder strikt regime geplaatst werd en hij dus in de mogelijkheid verkeerde om het desbetreffende middel in zijn inleidend verzoekschrift of in een ontvankelijke toelichtende memorie aan te voeren; dat de in de memorie van wederantwoord opgeworpen middelen niet ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2318-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2318-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.953 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.816 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.116.899 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div