id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.143 Rolnummer: A. 117810/XIV-8958 Zaak: Arrest 142143 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:50 Fiche Arrest nr 142.143 van 15 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.143 van 15 maart 2005 in de zaak A. 117.810/XIV-8958 In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij: advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Reyerslaan 41/8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 7 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk werd verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 5 februari 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-8958-1/8 Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DELGOUFFRE, die, loco advocaat M. MANDELBLAT, in opvolging van advocaat B. BRIJS, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 17 mei 2000 en zich vluchteling verklaren op 18 mei 2000; dat op 20 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van beiden beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 28 december 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat op 3 april 2001 de verzoekende partijen een aanvraag indienen om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen zich opnieuw vluchteling verklaren op 4 mei 2001; dat op dezelfde dag ten aanzien van beiden de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van inoverwegingname van hun asielaanvragen, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de termijn voorzien in dit bevel een eerste maal werd verlengd tot 30 september 2001 en een tweede maal tot 30 december 2001; dat op 16 januari 2002 ten aanzien van beiden de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot de onontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(
- en)Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verbliifplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Ten eerste hebben de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag word afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De niet-teruggeleidingsclausule waarnaar verwezen wordt is bovendien niet dwingend. XIV-8958-2/8 Ten tweede - wat betreft de aangehaalde onmogelijkheid om naar hun land terug te keren - het staat betrokkenen vrij een beroep te doen op de bestaande hulpprogramma's voor Kosovaren. Talrijke andere Kosovaarse vluchtelingen zijn ook reeds naar hun land teruggekeerd. Ten derde wisten betrokkenen dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. Tenslotte wordt nergens vermeld of bewezen dat betrokkenen actief pogingen ondernemen om zich te integreren in de Belgische maatschappij. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. Gelieve betrokkene mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.1973. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hen een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat zij voor kennisname hebben getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkenen nog in Uw gemeente verblijven en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van Uw bevindingen.”; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren, dat luidt als volgt: “Eerste en enige middel genomen uit de gezamenlijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden en van artikel 9 al 3 en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied. het verblijf. de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen wegens gebrek aan afdoende en geldige motivering. Doordat, de bestreden beslissing van onontvankelijkheid van de aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf ingediend conform artikel 9 al 3 van de wet van 15/12/1980 stelt: 'Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk Wat de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Ten eerste hebben de problemen in hun land reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. De niet-terugleindingsclausule waarnaar wordt verwezen is bovendien niet dwingend. Ten tweede - wat betreft de aangehaalde onmogelijkheid om naar hun land terug te keren - het staat de betrokkenen vrij een beroep te doen op de bestaande hulpprogramma's voor Kosovaren. Talrijke andere Kosovaarse vluchtelingen zijn ook reeds naar hun land teruggekeerd. Ten derde wisten betrokkenen dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. Tenslotte wordt nergens vermeld of bewezen dat betrokkenen actief pogingen ondernemen om zich te integreren in de maatschappij. Bijgevolg dient betrokkene dringend het grondgebied te verlaten En terwijl verzoeker op zeer omstandige wijze heeft uiteengezet welke omstandigheden de aanvraag hier in België conform gezegd artikel 9 al 3 verantwoorden en waarom een onmogelijkheid tot terugkeer de facto en de jure bestaat; Da het verzoek tot machtiging tot voorlopig verblijf stelde: Mijn cliënten zijn afkomstig van Kosovo en zijn van Roma-afkomst De actuele situatie in Kosovo en elders in Joegoslavië voor Roma-zigeuners is van dien aard dat zij onmogelijk terug kunnen keren naar hun land van herkomst om aldaar de aanvraag in te dienen. XIV-8958-3/8 Zij beroepen zich in het kader van de huidige aanvraag op een onmogelijkheid tot terugkeer dewelke impliceert dat de facto en de jure een onmogelijkheid bestaat om een aanvraag op grond van artikel 9 conform lid 2 in te dienen, zoals hierna zal worden aangetoond Ik verwijs verder voor het bestaan van de buitengewone omstandigheden naar de niet- terugleidingsclausule die werd ingeschreven door de heer commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de beslissing van 28/12/2000. En verder: Verzoekers menen zich te kunnen beroepen op een onmogelijkheid tot terugkeer wegens de situatie van zigeuners in Kosovo en in de Federale Republiek Joegoslavië. Mijn cliënten verwijzen meer bepaald naar de volgende stukken ter staving van deze situatie 10. persberichten REUTERS 15/11/2000 tot en met 23/01/2001 In deze persberichten wordt herhaaldelijk gewezen op de hachelijke situatie waarin zigeuners zich bevinden gaande van directe vervolgingen tot moorden en onwettige detentie. 11. rapport van de United Nations Security Council van 13/03/2001 waarin onder de sectie E de problematische situatie van zigeuners en al wie er als zigeuner uitziet wordt beschreven. 12. Country Reports on Human Rights Practices 2000, rapport van februari 2001, US State Department - cf de section 4, subsectie ‘National, racial/ethnic minorities’ Uit dit zeer recente rapport en meer bepaald uit de lange lijst van gerapporteerde incidenten, dit is ongetwijfeld slechts een fragmentair overzicht, blijkt voldoende dat de Roma samen met andere minderheden het constante voorwerp uitmaken van allerlei soorten zeer ernstige vervolgingen in essentie omwille van de overtuiging die leeft bij de etnische Albanezen dat de Roma in het algemeen collaboreerden met de Servische bezetter ten tijde van het conflict. 13. Roma Rights ‘Gipsies killed in Kosovo’, artikels REUTERS 08/01/2001, 05/01/2001. Deze bijdrage verhaalt de incidenten van november 2000 waarbij teruggekeerde Roma's werden vermoord. Deze recente informatie bevestigt eerder rapporten over massale schendingen van mensenrechten ten aanzien van deze bevolkingsgroep niet alleen in Kosovo maar ook in de rest van Joegoslavië. 14. verslag Kosovo bezoek van 15 (
- ex)parlementairen en vertegenwoordigers van NGO's mei 2000 15. ambtsberichten 11/02/2000 - Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken 16. rapport OSCE februari 2000-mei 2000, rapport dd. 31/05/2000 UNHCR update on the situation of Ethnic Minorities in Kosovo 17. rapport dr. EYCKEN MAURITS, KUL-onderzoeker 18. Bringing peace to Kosovo (UN news reports, http://www.un.org./peace/kosovo/news) Het is duidelijk dat de dreiging niet enkel voor Kosovo geldt waar ze weliswaar veel eminenter is, doch ook voor de rest van het grondgebied. Ik verwijs daartoe naar een rapport omtrent Montenegro van eind 1999 en naar het recentste US state department report van februari 2001 hierboven geciteerd voor Montenegro en Servië. Verder voeg ik U verschillende berichten en artikels verzameld door ERRC omtrent de problemen van Romani in de delen van Joegoslavië buiten Kosovo (stukken nr 10). Mijn cliënten maken dus manifest deel uit van een bevolkingsgroep dewelke op zeer directe wijze wordt geviseerd. Het is evident om die reden dat ondanks de klare beslissing inzake de onontvankelijkheid van de asielaanvraag de heer commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een niet-terugleidingsclausule heeft ingelast Dat dit gegeven de onmogelijkheid tot terugkeer bevestigt en de heer commissaris zijn advies manifest heeft laten steunen op de beschikbare informatie : immers in andere gevallen (behoudens Serviërs) wordt hoegenaamd geen niet-terugleidingsclausule voorzien voor Kosovaren of andere burgers van Joegoslavië. Het komt dan ook voor dat naar genoegen van recht de onmogelijkheid tot terugkeer is bewezen en dat in geval van een (gedwongen) terugkeer een mogelijke schending van artikel 3 EVRM inhoudt en de tussen te komen beslissing eveneens op dit punt dient gemotiveerd te worden. Ik verwijs tenslotte naar het officieel standpunt van het UNHCR dewelke zeer recent een verbod heeft geadviseerd om zigeuners en leden van andere minderheden te repatriëren naar Joegoslavië. " Dat aldus aan de hand van zeer talrijke rapporten, persberichten en andere bronnen desgevallend met vermelding van de preciese passages die verzoekers aanbelangen, aangetoond wordt waarom verzoekers, zijnde Kosovaren.van Roma-afkomst, een risico lopen op een ernstige schending van artikel 3 EVRM en met name het risico lopen het voorwerp te worden van onmenselijke en vernederende behandeling en van foltering. En terwijl meerdere malen Uw Raad heeft gesteld dat het toepassingsgebied van artikel 3 EVRM ruimer is dan dat van de Conventie van Genève en dat de toepassing van artikel 9 al 3 van de wet van 15 december 1980 eveneens manifest verschilt van dat van diezelfde Conventie van Genève zoals goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953. XIV-8958-4/8 Dat het perfect mogelijk is dat hoewel de asielaanvraag is afgewezen er een mogelijke schending van artikel 3 EVRM bestaat in geval van terugkeer in het land van herkomst. Dat de bescherming die door artikel 3 EVRM wordt geboden absoluut is en er geen enkele uitzondering kan worden op gemaakt. Dat verzoekers dienaangaande verwijzen naar de rechtspraak van de Raad van State in de volgende zaken: - arrest van 6maart 2001, 9376 RDE nr113 p217-schorsing - arrest van 19 juni 2001 , nr 96643 onuitgegeven,-annulatie - arrest van 6 juli 2001, nr 97635, RDE nr 115, p469-schorsing Dat verzoekers uitdrukkelijk in hun aanvraag tegenpartij hebben verzocht omtrent de mogelijke schending van artikel 3 EVRM positie in te nemen en de beslissing te motiveren op dit punt. En terwijl, in casu door Uw Raad kan worden vastgesteld: - dat de etnische origine, zijnde van Roma-afkomst, niet is betwist, niet in de afgelopen asielprocedure, niet in de bestreden beslissing; - dat blijkens de rapporten e.d. de mogelijke schending van artikel 3 EVRM zeer reëel is - dat ook het UNHCR een aanbeveling heeft gedaan om geen Roma te repatriëren - dat de commissaris-generaal om dezelfde reden een niet-terugleidingsclausule heeft ingelast ten aanzien van deze specifieke bevolkingsgroep Dat vooreerst de bestreden beslissing totaal naast de kwestie antwoordt op de zeer pertinente elementen die verzoekers lieten gelden om de onmogelijkheid om de bedoelde aanvraag in het land van herkomst te doen; Dat deze elementen op geen enkele wijze door de asielautoriteiten werden beoordeeld zoals de bestreden beslissing meent te kunnen stellen en evenmin de beslissing wettelijk gemotiveerd is daar waar zij stelt dat deze elementen, waarvan op geen enkele wijze blijkt dat zij in overweging werden genomen, niet als buitengewone omstandigheden kunnen worden aanvaard om de aanvraag in België in te dienen; Dat de type motivering die de bestreden beslissing bevat niet eens de moeite neemt op de argumenten ter staving van de mogelijke schending van artikel 3 E.V.R.M. te antwoorden en dus aan de verzoekers niet toelaat de motieven en verantwoording van de bestreden beslissing op klare en duidelijke wijze te kennen. Dat dit nochtans de essentie is van de motiveringsplicht. Dat de bestreden beslissing aldus evenmin toelaat aan de bevoegde rechterlijke instantie de controle op de wettelijkheid van de beslissing uit te oefenen. Dat verder de bestreden beslissing door te stellen dat verzoekers als Kosovaren zoals 'talrijke andere Kosovaren' naar hun land van herkomst kunnen terugkeren en beroep kunnen doen op een terugkeer programma opnieuw klaarblijkelijk te kennen geeft dat de specifieke afkomst en het behoren tot een geviseerde groep kennelijk niet in aanmerking werd genomen, ten onrechte volledig genegeerd en terzijde geschoven is. Dat immers deze afkomst en het behoren tot deze speciefieke groep precies de reden is waarom - zoals verzoekers omstandig hebben uiteengezet - zij anders dan de Kosovaren van Albanese origine in de onmogelijkheid zijn om terug te keren. De bestreden beslissing is een totale en flagrante aanfluiting is van de motiveringsplicht zoals opgelegd door artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991; En terwijl, Dat de overheid een minutieus onderzoek dient te doen om een schending van artikel 3 EVRM te voorkomen en dat dit in casu geenszins het geval is geweest. Dat het de bestreden beslissing immers mangelt aan enige ernstige motivering daaromtrent. Dat verzoekers terecht hebben gesteld dat dergelijke omstandigheden een buitengewoon karakter hebben en de aanvraag hier in België toelaten. Terecht heeft de Raad van State in meerdere gevallen beslist dat het niet behoort aan de vreemdeling om een geval van totale onmogelijkheid of overmacht aan te tonen. Het volstaat dat verzoeker aantoont dat het hem bijzonder moeilijk is om een dergelijke aanvraag in het land van herkomst te doen. (C.E., arrêt n/ 51813, 28/02/1995; C.E., arrêt n/ 60962, 11/07/1996, TVR, 1997, p. 385 en recenter C.E. 06/03/2001, RDE, n/ 113, 217; CE 06/01/2000, RDE, 2000, n/ 109. 278; CE 30/06/1998, n/ 74880 ). De motivering alszou de terugleidingsclausule niet-dwingend zijn doet geen enkele afbreuk aan de elementen ter staving van de onmogelijheid minstens bijzondere moeilijkheid zoals voorgehouden door verzoekers. Dat verder wordt vastgesteld dat door de motiveren dat ‘Tenslotte nergens wordt vermeld of bewezen dat betrokkenen actief pogingen ondernemen om zich te integreren in de Belgische maatschappij’, motivering dewelke de grond van de zaak betreft en niet op directe wijze de onontvankelijkheid lijkt te staven, tegenpartij opnieuw totale abstractie maakt van de elementen die door verzoekers werden aangevoerd. Bovendien is nergens wettelijk bepaald of in de jurisprudentie gesteld dat de omstandigheden die de minister of zijn gemachtigde er kunnen toe brengen een machtiging tot XIV-8958-5/8 voorlopig verblijf van meer dan drie maanden af te leveren, in exclusieve mate moeten afhangen van het niveau van integratie in de Belgische maatschappij. Dat vaststaat dat om al de bovenvermelde redenen de bestreden beslissing eveneens artikel 9 al 3 van de genoemde wet van 15/12/1980 schendt. Dat het middel gegrond is. Dat aan alle voorwaarden van artikel 14 Gecoördineerde Wetten op de Raad van State is voldaan en de vernietiging dient uitgesproken.”; 2.2. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen en die motieven inhoudelijk aanvechten; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpen en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partijen de vaststellingen van de minister van Binnenlandse Zaken betreffende de niet-terugleidingsclausules, de bestaande hulpprogramma’s voor Kosovaren en de pogingen tot integratie in de Belgische samenleving niet weerleggen, doch zich beperken tot de letterlijke herhaling van hun eigen aanvraag en een aantal algemene beweringen, zonder deze laatste evenwel op concrete wijze aannemelijk te maken; dat zij voorbijgaan aan de vaststelling van de minister van Binnenlandse Zaken dat zij op de hoogte waren van het voorlopige karakter van hun verblijf; dat zij verwijzen naar internationale rapporten en bepaalde rechtspraak van de Raad van State, zonder deze op hun eigen concrete toestand te betrekken; dat de verzoekende partijen bijgevolg niet aantonen dat de conclusie van de minister van Binnenlandse Zaken, dat zij geen aanvaardbare buitengewone omstandigheden hebben ingeroepen om hun aanvraag niet via de gewone weg in te dienen, is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), dat de verzoekende partijen moeten aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar zij mogen worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico lopen te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het XIV-8958-6/8 E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partijen in gebreke blijven bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat dit des te meer klemt nu hun asielaanvragen tot tweemaal toe werden verworpen; dat zij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maken; dat het enige middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-8958-7/8 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8958-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div