← België

Arrest 142145 - - 15/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.145 Rolnummer: A. 133241/XIV-13881 Zaak: Arrest 142145 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 142.145 van 15 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 142.145 van 15 maart 2005 in de zaak A. 133.241/XIV-13.881 In zake : XXX, wonende te 2060 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 20 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 januari 2003; Gelet op het arrest nr. 126.186 van 9 december 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 24 november 2004; XIV-13.881-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij die in persoon verschijnt, en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 juni 2000 en zich vluchteling verklaart op 30 juni 2000; dat op 25 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 januari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde een Bosnische moslimvrouw afkomstig uit Lukavac (huidige Federatie van Moslims en Kroaten, Bosnië-Herzegovina) te zijn. Tijdens de oorlog in Bosnië zou u in Kroatië geleefd hebben. U zou hebben vernomen dat tijdens de oorlog Servische burgers op doortocht naar uw buurdorp, Smoloca, woningen zouden geplunderd en mensen mishandeld hebben. Daarom zouden de Bosnische autoriteiten niet hebben ingegrepen toen Smoloca nog tijdens de oorlog werd vernield. Na de ondertekening van de Daytonakkoorden in november 1995 zou u van Kroatië naar uw woning te Lukavac teruggekeerd zijn. Op 1 mei 2002 zou er een bom geplaatst zijn tegen de woning van uw buren. U vermoedt dat de daders inwoners van Smoloca waren. De politie, de lfor en het Bosnische leger zouden ter plaatse gekomen zijn en de bom onschadelijk gemaakt hebben. Ook zou er een onderzoek ingesteld zijn, maar de daders zouden nooit gevonden zijn. Uit angst en een onveiligheidsgevoel - indien bovengenoemde bom zou zijn ontploft zou ook uw woning zijn vernield - zou u dan met uw twee dochters en uw moeder eerst naar uw oom en vervolgens naar uw tante in Tuzia gegaan zijn. Bij haar zou u tot 28 juni 2000 verbleven hebben, alvorens Bosnië alleen te verlaten, richting België, waar u de volgende dag aankwam. Op 30 juni 2000 vroeg u hier asiel aan. Uw dochter E. vroeg hier op 5 december 2000 asiel aan, maar is inmiddels in Duitsland woonachtig. Op 10 december 2002 vroeg uw dochter M. eveneens in België asiel aan. U verklaarde momenteel niet naar Bosnië terug te kunnen omdat u niet alleen in uw dorp durft te leven en omdat u er niks meer bezit en er geen werk meer heeft. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u volgende documenten naar: uw Bosnische identiteitskaart, uitgereikt te Lukavac op 28 april 1997; uw Bosnisch paspoort, uitgereikt te Lukavac op 29 juli 1999; uw Bosnisch en internationaal rijbewijs en uw reisticket. Er dient te worden opgemerkt dat u geen persoonlijke feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u Bosnië heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst. Uit uw verklaringen blijkt immers dat u Lukavac heeft verlaten omwille van een explosief dat tegen de woning van uw buur zou geplaatst zijn - u vermoedt door inwoners van het Servische naburige, dorp Smoloca - en uit angst voor die Servische inwoners (gehoor CGVS P. 4 - 9). Er dient vooreerst vastgesteld te worden dat de bom tegen de woning van uw buren werd aangebracht. Uit niets in het dossier blijkt echter dat u enige directe en persoonlijke problemen met de Servische inwoners van uw buurdorp zou hebben gekend (gehoor CGVS). Bovendien blijkt uit niets in het dossier dat u in geval van eventuele problemen met de bewoners van uw buurdorp, geen bescherming van de Bosnische autoriteiten zou kunnen inroepen om redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie, temeer daar u zelf verklaarde nooit enige problemen met de Bosnische autoriteiten te hebben gekend (gehoor CGVS p.
  2. Ook uw buur kon luidens uw verklaringen probleemloos de bescherming van de Bosnische autoriteiten inroepen (gehoor CGVS p. 7 en 8). Omtrent uw angst voor de bewoners van uw Servisch buurdorp (gehoor CGVS p. 4), dient nog te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen aanhaalde waaruit kan blijken dat u zich om redenen voorzien in XIV-13.881-2/6 de Vluchtelingenconventie niet elders in Bosnië, waar uw familie nog verblijft (gehoor CGVS P. 9), zou kunnen vestigen. Het door u aangehaalde element in dit verband, met name dat u zich niet elders kunt vestigen omdat u er niemand kent die u kan steunen en helpen bij de verzorging van uw moeder en dochter (gehoor CGVS P. 11 en 12), is een probleem van persoonlijke aard dat als dusdanig niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteert. Het feit dat u in Bosnië geen bezittingen meer heeft en dat u er niet over een job beschikt, zijn problemen van socio-economische aard die als dusdanig evenmin onder de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteren. Wat betreft het ingediende dringende beroep van uw dochter, M. l., dient te worden opgemerkt dat er door mij eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen.”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Enig middel genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Krachtens de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, moeten alle administratieve rechtshandelingen met individuele strekking formeel worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de feitelijke en juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, veruitwendigd dienen te worden in de beslissing zelf P. VAN ORSHOVEN, ‘De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen’, R. W. 1991-92, 490-
  4. De motivering, met name de juridische en feitelijke overwegingen die de beslissing gronden, dient afdoende te zijn (art. 3 van de wet van 29 juli 1991). Dit wil zeggen dat de feitelijke en juridische overwegingen pertinent moeten zijn en de beslissing dienen te verantwoorden. Een vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke of onnauwkeurige motieven zijn geen afdoende motivering. De beslissing dient duidelijk aan te geven waarom een beslissing werd genomen. De materiële motiveringsplicht houdt in dat de motivering van de administratieve beslissing deugdelijk moet zijn. Ze moet met name begrijpelijk zijn en aanvaardbaar met het oog op het recht, op de feiten en op het beleid. Dat een motivering rechtens aanvaardbaar moet zijn houdt onder andere in dat een juiste wettelijke grondslag aan de basis van de beslissing moet liggen en dat het wettelijk voorschrift dat de motivering schraagt, op juiste wijze wordt geïnterpreteerd. Daarenboven dienen de relevante feiten waarop de beslissing is gebaseerd, te bestaan en juist te zijn. De feiten dienen zorgvuldig vastgesteld te zijn en juist te worden gekwalificeerd. Het bestuur dient volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. Zie A. VAN MEENSEL, ‘De uitdrukkelijke motiveringplicht’ in W. VAN EECKHOUTTE (ed.), Publiekrecht, de doorwerking van het privaatrecht in het publiekrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, 206 e.v. Doordat de commissaris-generaal in zijn beslissing overweegt dat verzoekster geen gegevens zou hebben aangebracht dat er wat haar betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De commissaris-generaal baseert zijn beslissing op de feiten zoals uiteengezet in de argumentatie in feite van huidig verzoekschrift. De commissaris-generaal oordeelde alsdan ten onrechte dat de door verzoekster aangehaalde gronden van interpersoonlijke aard zijn en als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. Terwijl de beslissing van de commissaris-generaal over het beroep van verzoekster gemotiveerd moet zijn en dit zowel in rechten als in feiten, en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden weergegeven en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van aard om de gewezen beslissing te dragen. Verzoekster stelt in deze vast dat de bestreden beslissing genomen werd met de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke bestuurlijke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn, doordat het minimaliseren van feiten geen afdoende motivering is om een verzoek tot verblijf uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. XIV-13.881-3/6 Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: De persoon die ( ... ) uit gegronde vrees voor vervolging wegens haar ras. godsdienst, nationaliteit, behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke overtuiging, zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, ...’ Verzoekster voldoet volledig aan de aangegeven gronden. Ernstige vrees voor vervolging Het kan niet ernstig betwist worden dat verzoekster ernstige vrees voor vervolging heeft bij verblijf in haar geboortestreek. Het staat immers vast dat verzoekster, zijnde een Bosnische-Moslim, deel uitmaakt van een etnische minderheid in een door Kroaten gedomineerd land. Een en ander wordt nog versterkt door de gebeurtenissen die zich gedurende het laatste jaren in Bosnië hebben afgespeeld. In hoofde van verzoekster bestaat er bovendien meer dan een louter potentiële vrees: zij heeft de absolute zekerheid dat zij bij haar terugkeer naar Bosnië, in haar morele, materiële en fysieke integriteit zal worden aangetast. Verzoekster ondervond reeds dat gewelddaden door de Servisch-Kroatische burgers zonder meer mogelijk is in Bosnië. Bovendien werden verzoekster en haar familieleden, in het bijzonder zus Elvira en moeder Besima, reeds bij herhaling bedreigd door etnische Serviërs, en staat het vast dat dezen niet zullen aarzelen hun dreigementen bij de eerste gelegenheid uit te voeren. Zoals uit het relaas van verzoekster blijkt onderneemt de plaatselijke overheid niet de minste maatregelen om zulks tegen te gaan, doch gedoogt zij de praktijken en de fysieke vervolging van de Servische burgers. Gelet op de door de commissaris-generaal niet betwiste feiten kan niet ernstig geoordeeld worden dat geen gegronde vrees aanwezig is wegens haar ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke overtuiging. Uit het voorgaande en uit de verklaringen die verzoekster reeds aflegde ten overstaan van de dienst Vreemdelingenzaken en ten overstaan van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt ten overvloede dat verzoekster vervolgd wordt wegens haar ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke overtuiging. Verzoekster maakt immers onmiskenbaar deel uit van een zowel religieuze als etnische minderheid. Verzoekster is als moslim immers van een andere geloofsopvatting dan de Servisch- orthodoxe meerderheid Bosnië. Bovendien is de etnische groep van verzoekster ruimschoots in de minderheid ten opzichte van de etnische Serviërs. Het kan niet worden betwist dat de etnische oorlogen en zuiveringen op de Balkan volgens hetzelfde stereotype gebeuren, nl. dat de etnische meerderheid, die tevens politiek en militair dominant is. leden van de etnische minderheid (waartoe in casu verzoekster behoort) verdrijven. intimideren en zowel psychisch als moreel vervolgen. Het hoeft tevens geen betoog dat zulks gebeurt met medewerking en op initiatief van het door de etnische meerderheid gedomineerde staatsapparaat. Zodat. door te stellen dat de aanvraag van verzoekster tot politiek asiel ongegrond is aangezien de door verzoekster aangehaalde feitelijke gegevens omtrent haar land van herkomst slechts duiden op privaatrechtelijke problemen, de beslissing van de commissaris-generaal van 22.01.2003 niet ten genoege van recht in feite en in rechte gemotiveerd is en zodoende de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Conclusie: de bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd en schendt als dusdanig de materiële motiveringplicht. Aangezien dit enig middel gelet op de omstandigheden eigen aan huidige zaak ontvankelijk en gegrond is en bijgevolg tot vernietiging van de bestreden beslissing dient te leiden, is het enig middel ernstig in al zijn onderdelen.”; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een enig middel beroept verzoekster zich op een schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur en de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Verweerder wenst aangaande de algemene motiveringsverplichting, vervat in de wet van 29 juli 1991, aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die XIV-13.881-4/6 handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Wat betreft de materiële motivering wijst verweerder erop dat verzoekster geenszins kan aantonen dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd zou zijn. De opmerking dat verzoekster deel zou uitmaken van een religieuze en etnische minderheid volstaat niet om te besluiten tot een vervolging in verzoeksters hoofde in de zin van de Conventie van Genève. Immers, verzoekster bracht geen persoonlijke feiten of elementen aan waaruit een vrees voor bovenstaande vervolging zou blijken. Evenmin kan verzoekster aannemelijk maken dat ze niet kon rekenen op bescherming van de autoriteiten in geval van eventuele problemen. Verzoekster brengt in haar verzoekschrift geen elementen aan die deze vaststellingen door de commissaris- generaal kunnen ondergraven. Het enige middel is niet gegrond.”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herneemt; 2.
  7. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het feit dat de verzoekende partij geen persoonlijke feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat zij Bosnië heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en dat zij niet aantoont dat zij zich niet elders in Bosnië had kunnen vestigen; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij heeft verklaard haar land van herkomst te hebben verlaten omdat zij niet alleen in haar dorp durfde te leven en zij er niets meer bezat en werkloos was, en dat zij persoonlijk “nooit enige problemen met de Bosnische autoriteiten” kende (verhoorverslag commissaris- generaal, p. 11); dat het bijgevolg niet onredelijk is dat de commissaris-generaal heeft geoordeeld dat de problemen van de verzoekende partij niet onder de criteria van de XIV-13.881-5/6 Vluchtelingenconventie vallen en slechts van persoonlijke dan wel van socio-economische aard zijn; dat de verzoekende partij haar visie op de algemene toestand in Bosnië uitgebreid uiteenzet doch de vaststellingen niet weerlegt dat de bomaanslag niet tegen haar woning was gericht doch tegen haar buur en dat haar buur probleemloos de hulp van de Bosnische autoriteiten heeft kunnen inroepen; dat daarenboven de verzoekende partij niet ingaat op de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij gebruik had kunnen maken van een intern vluchtalternatief in Bosnië; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of op onzorgvuldige wijze heeft genomen; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.881-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.145 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.126.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.