← België

Arrest 142150 - - 15/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.150 Rolnummer: A. 119450/XIV-9492 Zaak: Arrest 142150 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 142.150 van 15 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.150 van 15 maart 2005 in de zaak A. 119.450/XIV-

  1. In zake : XXX, die woont te 1030 BRUSSEL, P./A. Notelaarsstraat 90 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 5 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 8 maart 2002 van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot bevestiging van de beslissingen van 9 oktober 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; Gelet op de beschikking van 17 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 11 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-9492-1/5 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij die in persoon verschijnt en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 24 juni 2000 en zich op 26 juni 2000 vluchteling verklaart; dat op 9 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 8 maart 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 15 januari 2002 op uw gekozen woonplaats.”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Moyen tiré de l’inexactitude du moyen (irrecevabilité) invoqué par décision querellée. Justification de la non-présentation. Recevabilité. Règles de droit violées: article 36, 1/ de la loi du 15.7.1996 modifiant l’article 52, § 2, 1/ in fine, § 3, 1/, § 4, 1/ de la loi du 5.12.1980 remplacé par la loi du 18.7.1991 et modifié par L’AR du 13.7.1992 et la loi du 6.5.
  4. Violation des droits de la défense art. 11 de la Constitution: art. 10 de la Déclaration universelle des Droits de l’homme, 10.12.1948 ratifiée par la Belgique; art. 6.1 de la Convention Européenne de sauvarde des Droits de l’homme 4.11.1950 mod. le 13.5.1991 ratifiée par la Belgique. Cfr. jurisprudence C.E. et doctrine ci-dessous. A. - L’acte attaquée déclare la demande d’asile irrecevable au motif que la requérante n’a pas donné suite, dans le mois, à la demande de renseignements et ce, ajoute-t-il, ‘zonder geldige reden’ (sic). Or, la requérante ne s’est pas présentée - et n’a pas pu se présenter - à la convocation du commissariat EN RAISON D’UN ETAT DE SANTE DEFICIENT, comme cela est attesté par un certificat médical non contesté du Docteur Hilde Debrock, d’Oostende, en date du 1r février 2002, et adressé, par la requérante, audit commissariat - le 2 février 2002 - par recommandé postal, comme cela est prouvé par l’accusé d’un envoi recommandé postal portant le cachet postal lisible du dit 2 février
  5. L’article 52 modifié, in son § 2, 1/ prte expressément que le requérant est rejeté dans sa demande s’il ne satisfait à l’obligation de présentation ‘sans justification’. En l’espèce, il y a eu justification et la Partie adverse a été bien mal venue de n’en point tenir compte alors que ce document médical, bien q’il attestât que la maladie ‘tolérait’ (toegelaten) le déplacement, n’en déclarait pas moins la requérante en état de ‘ziekte’ même si c’était momentané. Il devait donc être pris humainement en considération et non pas en faire une application aussi stricte et restreinte - sensu stricto - de la lettre de la loi. Il devait au contraire entraîner l’envoi d’une nouvelle convocation XIV-9492-2/5 pour que la requérante puisse s’exprimer librement, et en bon état de santé, sur sa demande d’asile, ce qui était son droit. B. La disposition dont références es-elle prescrite à peine de nullité ? Il semblerait que non. C. Les droits de la défense ont été violés, la requérante n’ayant pas eu l’occasion et la possibilité de s’exprimer librement sur sa requête d’asile, ce quie la ‘ratio legis’ même de la loi du 15 décembre 1980 entendue ‘sensu lato’. Cfr la législation internationale susindiquée. Cfr. C.E. Arrêt n/ 97.954, 25.7.2001: ‘Une telle façon de procéder (tardiveté de la notification: prise en considération d’une seconde demande) viole le principe général de bonne administration. Les moyens (dur requérant) sont sérieux. Suspension’. ‘Appréciation déraisonnable des faits’ par le commissariat: cfr Rap^port Auditeur 4.1.01 (n/ A. 72.772/XI-1946), en cause S. p 16 dern. 1 et 17, 1rel : ‘Le C.E. se borne à vérifier si l’Administration ... a donnné, des faits, une interprétation déraisonnable’. Cfr. ‘Le livre Noir’, Rapport du Comité belge d’aide aux Réfugiés et deux autres comités sur l’ ‘fonctinnement de la procédure d’asile belge’ , janvier-octobre 2001, page 38 in fine: ‘Si le demandeur d’asile est absent lors de l’interview, il ne doit prouver que la légitimité de son absence. Il doit conserver le droit d’être entendu...’ D. Comp. L. 9.7.1991, Art. 17, §2, et A.R. 5.12.1991, art. 8, 5/ ‘l’exécution immédiate d’un acte risque de causer un préjudice grave difficilement réparable’.”; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “In een enig middel beroept verzoekster zich op een schending van art. 52, §2, 1/, §3, 1/ en §4, 1/ van de wet van 5 december 1980, van art. 11 van de Grondwet, van art. 10 van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens en art. 6,1 van het EVRM en van de rechten van de verdediging. Verweerder antwoordt allereerst dat de commissaris-generaal verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk heeft verklaard op basis van art. 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet. Verzoekster kan dan ook geen nuttige schending van art. 52, §2, 1/, §3, 1/ en §4, 1/ van de wet van 15 december 1980 inroepen. Volledigheidshalve antwoordt verweerder dat naast de onontvankelijkheidsgronden ‘kennelijk ongegrond’, ‘bedrieglijk’, ‘vreemd’ ... enz opgesomd in art. 52, paragraaf 1 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal zich dan ook kan baseren op de onontvankelijkheidsgronden voorzien in art. 52, paragraaf 2, 4de van de Vreemdelingenwet, met name het geen gevolg geven binnen de maand na de verzending aan een oproeping of aan een verzoek om inlichtingen, om de weigeringsbeslissing genomen door de minister of diens gemachtigde te bevestigen. Verzoekster heeft, zoals uit hetgeen hierna wordt uiteengezet zal blijken, aan slechts één van de twee cumulatieve voorwaarden voldaan. Verzoekster maakte een medisch attest (bewijs van overmacht) over maar heeft nagelaten gevolg te geven aan de vraag om inlichtingen, zodat de commissaris- generaal terecht op grond van artikel 52, paragraaf 2, 4de van de Vreemdelingenwet de asielaanvraag onontvankelijk verklaarde. Uit het administratief dossier blijkt onmiskenbaar dat verzoekster bij aangetekende brief van 15 januari 2002 werd uitgenodigd voor een verhoor voorzien op 29 januari
  7. Deze uitnodiging werd verstuurd naar de door verzoekster gekozen woonplaats met name: O., L.straat 72 en haar effectieve woonplaats zijnde: L.straat
  8. Verzoekster kwam niet naar het interview. Ze leverde een medisch attest af, als bewijs van overmacht. Maar daarnaast gaf verzoekster geen gevolg aan de vraag om inlichtingen, geformuleerd in de oproepingsbrief, met name: ‘Is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing ?’. Uit de oproeping voor het verhoor in dringend beroep van 29 januari 2002 aan verzoekster staat zeer duidelijk en ondubbelzinnig vermeld dat ze in geval van overmacht eveneens diende te antwoorden op het verzoek om inlichtingen. Daarnaast merkt verweerder op verzoekster niet duidelijk maakt hoe de bestreden beslissing een schending van art. 10 van de Universele verklaring van de Mens en van art. 11 van de Grondwet inhoudt. In verband met de door verzoeker opgeworpen schending van art. 6.1 EVRM verwijst verzoeker naar het volgende arrest ‘artikel 6 van het EVRM-verdrag geldt enkel betreffende burgelijke rechten en strafrechtelijke zaken. Het asielrecht is een politiek recht en valt bijgevolg buiten de toepassingssfeer van artikel 6 van het EVRM-verdrag’ (Arrest R.v.St. nr 100.526 van 5 november 2001). Tenslotte merkt verweerder op dat de procedure voor de commissaris-generaal administratiefrechtelijk en niet jurisdictioneel is van aard. Bijgevolg heeft de procedure XIV-9492-3/5 geen tegensprekelijk karakter en zijn de rechten van de verdediging niet onverkort van toepassing.”; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van antwoord verwijst naar het verzoekschrift; 2.
  10. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 15 januari 2002 met een ter post aangetekende brief een oproeping voor verhoor op 29 januari 2002 heeft gestuurd naar de verzoekende partij; dat de verzoekende partij op 2 februari 2002 een medisch attest van 1 februari 2002 heeft gestuurd naar de commissaris-generaal waarin post factum wordt gesteld dat de verzoekende partij niet aanwezig kon zijn op het verhoor doch waarin tevens wordt gesteld dat het haar was toegelaten om de woonst te verlaten; dat uit dergelijk attest niet kan worden afgeleid dat de verzoekende partij een geldige reden heeft opgegeven die haar afwezigheid op het verhoor van 29 januari 2002 verantwoordt; dat derhalve de commissaris-generaal de bestreden beslissing in alle redelijkheid kon steunen op artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat het enige middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9492-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9492-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.