id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.152 Rolnummer: A. 106582/XIV-5202 Zaak: Arrest 142152 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 142.152 van 15 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.152 van 15 maart 2005 in de zaak A. 106.582/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 oktober 1979 en van Joegoslavische nationaliteit, op 26 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-5202-1/6 Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 februari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 24 oktober 1999 en verklaart zich vluchteling op 27 oktober
- 1.
- Op 19 april 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 18 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Volgens zijn opeenvolgende verklaringen zou betrokkene een etnische Albanees uit Kosovo, meerbepaald uit het dorp Carrabreg in de gemeente Deçan, zijn. In maart en april 1999 zouden in de streek van Deçan zware gevechten hebben plaatgevonden tussen de Serviërs en het "Kosovaars Bevrijdingsleger” (UCK). Uit schrik door Servische militairen te worden gedood, zou betrokkene, samen met zijn broer B., Kosovo ontvlucht zijn, richting Albanië, waar ze gedurende een 6-tal maanden in een Oostenrijks vluchtelingenkamp te Shkodër zouden verbleven hebben. Betrokkenes ouders zouden in Kosovo gebleven zijn. Gedurende zijn verblijf in het kamp zou betrokkene vernomen hebben dat zijn huis te Carrabreg was vernield. Omtrent zijn ouders zou hij geen nieuws vernomen hebben. Hierop zou hetrokkenes broer naar Kosovo zijn teruggekeerd, terwijl betrokkene zelf, omwille van de slechte leefomstandigheden, in oktober 1999 Albanië zou verlaten hebben richting België, waar hij op 27 oktober 1999 een asielaanvraag indiende. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij bij een eventuele terugkeer naar Kosovo nog het risico loopt op een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door betrokkene ingeroepen vrees, met name de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo, is immers niet meer actueel. Overeenkomstig Resolutie 1244, aangenomen door de V.N.-Veiligheidsraad op 10 juni 1999, hebben de Servische troepen XIV-5202-2/6 en autoriteiten zich uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. De aanwezige internationale gemeenschap levert er ernstige inspanningen om de orde en rust te herstellen met oog op de normalisering van het dagelijkse leven in Kosovo. In geval van moeilijkheden kan betrokkene zich immers steeds wenden tot de nieuwe lokale autoriteiten of ter plaatse aanwezige internationale gemeenschap. Het feit dat betrokkene over geen eigen woning meer beschikt, is echter een probleem van socio-economische aard en ressorteert bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van de voornoemde Conventie. Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat betrokkene helemaal niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet ergens anders in Kosovo zou kunnen vestigen, te meer daar hij uitdrukkelijk verklaard heeft dat zijn broer (vrijwillig) naar Kosovo is teruggekeerd. Gezien uit bovenstaande verklaringen duidelijk blijkt dat de door betrokkene aangehaalde asielmotieven kennelijk ongegrond zijn, meent de Commissaris-generaal dat het niet noodzakelijk is betrokkene te horen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweige- ring besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 19 april
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota aanvoert dat de vordering (tot schorsing) laattijdig werd ingediend; dat de exceptie van onontvankelijk- heid ratione temporis wordt verworpen, aangezien de bestreden beslissing op 18 mei 2001 naar de vroegere woonplaats van de verzoekende partij werd verstuurd namelijk te 9000 GENT, terwijl de verzoekende partij reeds op 20 december 2000 een adreswijziging had doorgegeven aan het Commissariaat-generaal namelijk te 9050 GENT; dat de effectieve kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij derhalve op latere datum is gebeurd en dat dit te wijten is aan de eerste verwerende partij, wat wordt bevestigd door de gegevens van het administratief dossier; 3.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit de “schending van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging”, omdat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf heeft genomen zonder verzoeker uit te nodigen voor een mondeling verhoor waarin die zijn relaas en standpunt kan uiteenzetten; Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet op welke wijze artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en XIV-5202-3/6 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen werden geschonden, zodat dit onderdeel van het enig middel niet ontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat, wat de beweerde schending van de rechten van verdediging en van de hoorplicht betreft, de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is; dat geen wettelijke bepaling het horen van verzoeker voorschrijft, en evenmin dat de rechten van verdediging onverminderd van toepassing zijn; dat dienvolgens het tegensprekelijk debat in principe niet moet plaatsvinden; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van een verhoor kan afzien wanneer hij van oordeel is voldoende ingelicht te zijn over de ware toedracht van de zaak; dat de Commissaris-generaal in elk geval individueel oordeelt of een verhoor dienstig is voor het nemen van zijn beslissing; dat uit de bestreden beslissing en uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over voldoende elementen beschikte om, zonder verzoeker te horen, tot een gemotiveerde beslissing te komen en dat enkel is vereist dat verzoeker in het kader van de asielprocedure nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat verzoeker deze mogelijkheid had bij het indienen van het beroepschrift in dringend beroep; dat uit het administratief dossier blijkt dat op 10 januari 2001 de Commissaris-generaal een vragenlijst en een woonplaatskeuzeformulier verstuurt naar verzoeker; dat uit voornoemd dossier niet blijkt dat verzoeker de vragenlijst heeft ingevuld; dat dit stuk zich niet in het administratief dossier bevindt; dat verzoeker niet aangeeft welke elementen hij zou vermelden tijdens het interview voor het Commissariaat- generaal, die de bestreden beslissing in positieve zin zouden kunnen doen ombuigen; Overwegende dat de Commissaris-generaal expliciet motiveert waarom verzoeker niet werd gehoord; dat hiertoe wordt verwezen naar de volgende passus van de bestreden beslissing: “Gezien uit bovenstaande verklaringen duidelijk blijkt dat de door betrokkene aangehaalde asielmotieven kennelijk ongegrond zijn, meent de Commissaris-generaal dat het niet noodzakelijk is betrokkene te horen.”; Overwegende dat de rechtspraak van de Raad van State, die intussen werd verfijnd en die verzoeker citeert in zijn verzoekschriften, bijgevolg correct werd toegepast; dat bijgevolg het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de schending van de artikelen 1, A
(2), en 33 (non-refoulementbeginsel) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchteling- enconventie), de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- XIV-5202-4/6 en; dat verzoeker voorhoudt, onder verwijzing naar mensenrechtenrapporten en persberich- ten, dat hij door de Servische autoriteiten wegens zijn Albanese origine wordt vervolgd; Overwegende dat de Commissaris-generaal terecht als determinerend motief doet gelden dat de door verzoekers ingeroepen vrees, namelijk de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo, niet meer actueel is; dat overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, de Servische troepen en autoriteiten zich immers uit Kosovo hebben teruggetrokken en de regio onder internationaal toezicht werd geplaatst; dat de Commissaris- generaal hieraan toevoegt dat verzoeker zich in geval van moeilijkheden steeds kan wenden tot de nieuwe lokale autoriteiten of terplaatse aanwezige internationale gemeenschap; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tevens vaststelt dat het feit dat verzoeker niet meer over een woning beschikt in Kosovo, een probleem van socio- economische aard is en als dusdanig niet ressorteert onder de Vluchtelingenconventie; dat hij ten slotte opmerkt dat verzoeker helemaal niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet ergens anders in Kosovo zou kunnen vestigen, te meer daar hij uitdrukkelijk verklaard heeft dat zijn broer (vrijwillig) naar Kosovo is teruggekeerd; dat derhalve op omstandige wijze wordt gemotiveerd dat verzoeker niet onder toepassing van de Vluchtelingenconventie valt; dat de bestreden beslissing de feitelijke en juridische overwegingen bevat die eraan ten grondslag liggen; dat deze vaststellingen door verzoeker niet worden weerlegd, temeer daar hij een beroep doet op feitelijke elementen en gegevens die inmiddels achterhaald zijn en die niet meer dienstig kunnen worden aangevoerd; dat, nu blijkt dat verzoeker niet onder toepassing van de Vluchtelingenconventie valt, de schending van artikel 33 van dit verdrag niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het tweede middel ongegrond is, 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-5202-5/6 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5202-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div