← België

Arrest 142153 - - 15/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.153 Rolnummer: A. 143297/XIV-17326 Zaak: Arrest 142153 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 142.153 van 15 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.153 van 15 maart 2005 in de zaak A. 143.297/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. BOGAERTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Sanderusstraat 25 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 november 1979 en van XXX nationaliteit, op 29 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 augustus 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 2 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 februari 2005 om 10.00 uur; XIV-17.326-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. BOGAERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 4 juli 2003 en verklaart zich vluchteling op 7 juli
  4. 1.
  5. Op 8 augustus 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 30 september 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal op 9 september 2003 bezit u de XXX nationaliteit en behoort u tot de M.-etnie. Uw ouders stierven in een auto-ongeval in
  7. Als oudste van het gezin droeg u daarna de verantwoordelijkheid over uw broer en zussen. U verkeerde reeds ruim drie jaar met George. Deze bracht soms wat geld mee en uzelf verkocht allerhande zaken op de markt. In juni 2003 stelde George voor om naar Europa te trekken. Hij kende iemand die vaak naar Europa reisde en u zou er aan de slag kunnen als poetsvrouw. U stemde met dit voorstel in en reisde op 14 juni 2003 samen met Charles, de vriend van George, naar Frankrijk vanwaar jullie doorreisden naar Nederland. Charles vertelde u vervolgens dat u wel voor uw reis zou moeten betalen en hij dwong u dit geld te verdienen in de prostitutie. Na enkele weken gedwongen tewerkstelling slaagde u erin te ontsnappen en België te bereiken. Op de luchthaven van Zaventem werd u door de politie opgepakt wegens het gebruik van een vals paspoort. U werd naar Pe. gestuurd en vroeg uiteindelijk in België asiel aan op 7 juli
  8. B. Motivering. Er dient te worden vastgesteld dat u ten overstaan van het Commissariaat-generaal geenszins aannemelijk maakte afkomstig te zijn uit XXX noch sinds uw geboorte onafgebro- ken in M. te hebben geleefd. Vooreerst blijkt u niet op de hoogte te zijn van de geografische en geopolitieke specificiteit van XXX (zie informatie in het administratief dossier op het Commissariaat-generaal). Hoewel XXX administratief ingedeeld is in verschillende county’s, verklaart u in XXX geen enkele andere county te kennen dan ‘V.’ (zie gehoorverslag Commissariaat-generaal, p. 6). V. is bovendien niet eens een county maar de hoofdstad van een county. Bovendien is het merkwaardig dat u de naam van een county vernoemt bij het opnoemen van de in XXX XIV-17.326-2/6 voorkomende etnieën (p. 3). Al even verwonderlijk is dat u als M. verwijst naar ‘M.’ als een plaats in XXX, een plaats die u overigens niet kan situeren (p. 3). K., T. en B., plaatsen in de buurt van M. die bovendien in de afgelopen jaren alle door de L.-rebellen werden aangevallen, blijkt u helemaal niet te kennen (p. 6). Hoewel u beweert in juni 2003 per auto in drie dagen van M. naar A. (Ivoorkust) gereisd te zijn, kan u geen enkele naam van enige plaats die u gepasseerd zou zijn opnoemen (p. 2). U stelt verkeerdelijk dat de eerste oorlog in XXX in 1984 begon (p. 3&5). De etnie van toenmalig president S. kan u niet weergeven noch blijkt u de etnie waartoe C. behoort te kennen (p.3). U weet weliswaar dat president D. vermoord werd maar kan niet aangeven wanneer dit gebeurde (p.5). Evenmin kan u toelichten wat er in XXX gebeurde in de periode tussen D. dood en de presidentsverkiezingen van 1997 (p. 6). U stelt geheel verkeerdelijk dat de U. een politieke partij is die na de verkiezingen de regering van C. omver wilde werpen (p. 3-4). Bovendien is het verwonderlijk dat u als M. de naam van de M. U.-leider K. uitspreekt als ‘K.’ (p.3). Ten slotte kan u geen enkele toelichting geven bij volgende nochtans belangrijke figuren of instanties in XXX : E., A. en de E. (p. 6). Vervolgens dient vastgesteld te worden dat u(w) kennis van M., de stad waar u naar eigen zeggen gedurende drieëntwintig jaar onafgebroken leefde, uiterst miniem is. Vooreerst blijkt u geen enkele wijk in M. te kennen. Op de vraag naar wijken, antwoordt u met een opsomming van straatnamen (p.4). Bij confrontatie met de namen van enkele wijken in M., geeft u van twee ervan aan geen idee te hebben wat deze zijn en van één ervan verklaart u wel gehoord te hebben maar niet te weten waar het is (p. 6). U verklaart behalve D. geen enkele andere buitenwijk van M. te kennen (p. 4). U kan niet aangeven waar president C. woonde noch waar het kantoor was waar hij werkte (p. 4). U blijkt wel de plaats C. te kennen maar kan niet aangeven waar in M. dit is (p. 5). Evenmin kan u de ligging van de haven F. in M. situeren (p. 5). U beweert jarenlang in B. gewoond te hebben. Het is dan ook totaal onbegrijpelijk dat u verklaart dat W. (in werkelijkheid op een steenworp van B.) dertig kilometer van B. verwijderd is en dat u gedurende dertig minuten met de bus reisde van uw woning naar de markt (p. 4). Al even merkwaardig is dat u de Amerikaanse ambassade situeert in B. en de naam van de straat waar u schoolliep niet kan opnoemen hoewel u zelf verklaart dat deze dichtbij B. gelegen was (p. 4&2). De naam noch de ligging van het sportstadium in M. kan u benoemen en evenmin kan u aangeven waar in M. de S. stroomt (p. 5). Ten slotte blijkt u G. noch het B. (of B.) te kennen, alhoewel beide in de buurt van B. gesitueerd zijn (p. 4). Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen zodanig dat er geen verder geloof meer gehecht kan worden aan uw asielrelaas. Nog afgezien van de vastgestelde ongeloofwaardigheid van uw relaas kan worden opgemerkt dat uw verklaringen hoe dan ook geen enkel element bevatten dat erop zou kunnen wijzen dat u uw land verlaten hebt wegens een vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelde u uitdrukkelijk dat u naar Europa vertrok omdat u in het vooruitzicht werd gesteld dat u daar zou kunnen werken (cf. gehoorverslag dd. 5 augustus 2003, punt 42). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dat u op de vlucht bent voor de algemene situatie van onveiligheid in XXX die het gevolg is van de oorlog (p. 7). Geen van beide motieven valt onder de genoemde Conventie. In het algemeen kan nog opgemerkt worden dat u geen enkel document neerlegt dat het mogelijk zou maken uw afkomst, identiteit of gevolgde reisroute na te gaan. Ten slotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie. Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is: Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  9. Overwegende dat verzoekster in een enig middel aanvoert dat het feit dat zij op veel vragen het antwoord schuldig moest blijven, de bestreden beslissing niet rechtvaardigt; dat verzoekster uiteenzet dat zij op bepaalde vragen niet kon antwoorden omdat veel gebeurtenissen plaatsvonden toen zij nog zeer jong was en dat zij als kind niet betrokken was bij de politiek van haar land van herkomst; dat verzoekster stelt dat het niet is omdat zij XIV-17.326-3/6 in M. heeft gewoond, dat zij heel de stad kent; dat zij uitlegt dat zij enkel de lagere school heeft gevolgd en daarom geen vragen over de ligging van de universiteit kon beantwoorden; dat verzoekster uiteenzet dat zij voorheen nooit had gereisd en dat ze daarom de vragen over reizen en luchthavens niet kon beantwoorden; dat verzoekster tenslotte stelt dat zij naar Europa werd gelokt in het kader van vrouwenhandel; Overwegende dat verzoekster in het middel geen schending van een wets- of verdragsbepaling aanvoert; dat zij weliswaar de motieven van de bestreden beslissing aanvecht en dus de schending van de materiële motiveringplicht aanvoert; Overwegende dat in de bestreden beslissing de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk en kennelijk ongegrond wordt verklaard op basis van de volgende motieven: - verzoekster maakt niet aannemelijk afkomstig te zijn uit XXX : zij is niet op de hoogte van de geografische en geopolitieke specificiteit van XXX ; - verzoekster maakt niet aannemelijk sinds haar geboorte onafgebroken in M. te hebben geleefd: haar kennis van M. is uiterst miniem; - op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde verzoekster uitdrukkelijk dat zij naar Europa is vertrokken omdat haar in het vooruitzicht werd gesteld dat zij hier zou kunnen werken; op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde zij dat ze op de vlucht is voor de algemene situatie van onveiligheid in XXX die het gevolg is van de oorlog. Geen van beide motieven valt onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie; - verzoekster legt geen enkel document voor dat het mogelijk maakt om haar afkomst, identiteit of gevolgde reisroute na te gaan; - haar verzoekschrift in dringend beroep bevat geen element dat vermag de weigeringsbeslis- sing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen; Overwegende dat verzoekster deze motieven niet betwist; dat zij zich beperkt tot een uitleg waarom zij geen antwoord kon geven op de vragen die haar werden gesteld over de politieke en de geografische situatie van XXX en M., en over haar reisweg, met name omdat zij te jong was, niet de gedetailleerde geografische situatie van de stad waar ze woonde kent en omdat ze enkel lagere school heeft gevolgd; dat evenwel ook van personen met een geringe opleiding en een jeugdige leeftijd op het moment van de feiten, mag worden verwacht dat zij omtrent belangrijke feiten in hun leven, die de essentie uitmaken van hun asielaanvraag, voldoende correcte, coherente en duidelijke informatie kunnen geven; dat ondanks haar lage scholingsgraad, van verzoekster redelijkerwijze mag worden verwacht dat zij kan antwoorden op vragen betreffende haar beweerde land van herkomst en haar omgeving, zoals omliggende dorpen en steden, en bepaalde belangrijke politieke gebeurtenissen; Overwegende tenslotte dat verzoekster in het middel niet ontkent dat zij naar Europa is gekomen om werk te vinden of om te ontsnappen aan de algemene situatie in XIV-17.326-4/6 XXX; dat de Commissaris-generaal terecht overweegt dat deze elementen geen verband houden met de criteria voorzien in het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat verzoekster aanvoert dat “zij naar Europa werd gelokt in het kader van vrouwenhandel”; dat dit een nieuw gegeven is dat verzoekster niet voor het eerst voor de Raad van State kan inroepen; dat de Raad van State niet optreedt als rechter in hoger beroep en als een feitenrechter die op verzoek van de rechtzoekende het feitenrelaas opnieuw samenstelt en evalueert; dat de Raad van State enkel een wettigheidscontrole uitoefent op de motieven van de bestreden beslissing; dat vrouwenhandel tenslotte vreemd is aan de criteria opgenomen in de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, afdoende terzake dienende en deugdelijke motieven;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-17.326-5/6 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-17.326-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.