id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.154 Rolnummer: A. 139357/XIV-16011 Zaak: Arrest 142154 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 142.154 van 15 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.154 van 15 maart 2005 in de zaak A. 139.357/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. KETELSLEGERS, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Eikenmolenwijk 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 30 juni 1969 en van XXX nationaliteit, op 18 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 maart 2003 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 februari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-16.011-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. J.-P. LIPS, die loco Advocaat M. KETELSLEGERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke toedracht van de zaak. 1.
- XXX dient op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/ (adm. doss., stuk 63). 1.
- Het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie stelt op 27 juli 2000 vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is en maakt het dossier met een negatief advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken over. 1.
- Verzoeker wordt door de tweede kamer van de Commissie voor regularisatie op 28 november 2001, bijgestaan door zijn Advocaat, gehoord (adm. doss., stuk 231). 1.
- De tweede kamer van de Commissie voor regularisatie verleent op 12 december 2001 een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker (adm. doss., stuk 232). Dit advies is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de vaststelling van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie (hierna "de Commissie" genoemd) dat het dossier dat bij de aanvraag werd gevoegd onvolledig is zodat de aanvraag met negatief advies voor beslissing aan de minister werd overgemaakt overeenkomstig artikel 12 § 1 van de wet van 22 december 1999 (verder "de wet" genoemd). Gelet op de aangetekende brieven d.d. 02.04.2001 en 22.06.2001 en de hierbij gevoegde stukken. Gelet op de ter zitting afgelegde verklaringen en bijgebrachte stukken.
- Nopens de ontvankelijkheid. De regularisatieaanvraag werd tijdig ingediend en is ontvankelijk.
- Nopens de identiteit van de aanvrager. De identiteit staat voldoende vast aan de hand van de voorgelegde documenten en de eigen verklaring van betrokkene ter zitting van de Commissie.
- Nopens het verblijf op het grondgebied op 1 oktober
- Aan de hand van de bijgebrachte stukken staat het niet vast dat betrokkene daadwerkelijk in België verbleef op 1 oktober 1999 (zie verder onder 4).
- Nopens het regularisatiecriterium zoals vermeld in de aanvraag tot regularisatie, namelijk het kunnen laten gelden van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in het land te hebben ontwikkeld zoals bepaald in artikel 2, 4/ van de wet. Betrokkene verklaart sedert 25 september 1996 onafgebroken in België te verblijven. Betreffende zijn verblijf in België in de jaren 1996, 1997 en 1999 kan hij geen overtuigen- de bewijzen bijbrengen. Hij brengt een huurkontrakt bij voor de periode van 01.10.96 tot XIV-16.011-2/9 30.09.97 en een huurkontrakt voor de periode van 01.05.2001 tot 30.04.
- Er zijn ernstige aanwijzingen dat de beide kontrakten op dezelfde dag werden ingevuld en ondertekend. Volgens deze kontrakten was hij onmiddellijk na zijn aankomst in België woonachtig in de G.laan,
- Nochtans verklaarde de eigenaar van de woning dat hij eerst woonachtig was in de woning gelegen B. 34 (stuk 12 ter zitting neergelegd). Bij zijn aanvraag tot regularisatie is een inschrijvingsformulier gevoegd d.d. 17.01.2000 waar als adres I.straat, 115 werd vermeld hoewel hij volgens het huurkontrakt hier pas woonachtig was sedert april-mei
- Hij verklaarde ter zitting niet over facturen van gas en elektriciteit te beschikken, omdat de woning gelegen B., 34, zou gehuurd zijn op naam van een vriend doch hij legt geen copie voor van deze overeenkomst. Er is enkel zekerheid over zijn verblijf in België in november
- N.a.v. van de controle in een bar werd hij verhoord door de politiediensten en vertoonde hij een G. paspoort op naam van een andere persoon dat achteraf vervalst bleek te zijn. Aan de politiediensten verklaarde hij op 18 november 1998 in België te verblijven sedert september 1997 (zie dossier D.V.Z.). Hij kreeg dezelfde dag het bevel om het land te verlaten. Er zijn geen humanitaire redenen voorhanden en betrokkene heeft in ons land onvoldoende duurzame sociale bindingen ontwikkeld. (...)”. 1.
- Op 11 februari 2002 richt de Advocaat van verzoeker een schrijven naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 4 maart 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie (adm. doss., stuk 248). Bij arrest van de Raad van State nr. 110.130 van 11 september 2002 werd deze beslissing vernietigd. 1.
- Op 31 maart 2003 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Betreft: Het verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand overeenkomstig de wet van 22 december
- Ik wens u op de hoogte te stellen van het feit dat ik beslist heb om uw verzoek om uw verblijfstoestand te regulariseren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk niet in te willigen om de volgende redenen: U voldoet niet aan de termijnvoorwaarde die voorzien is in artikel 9,9/van de wet: Uit de door u naar voor gebrachte stukken blijkt niet dat u langer dan 6 jaar in België verbleef op het ogenblik van uw regularisatieverzoek. U stelt zelf dat u slechts sedert 25 september 1996 in het Rijk verblijft. U kan zich ook niet beroepen op enig wettig verblijf in België. Uit de wet blijkt namelijk dat een kort verblijf op grond van een toeristenvisum niet als een relevant wettig verblijf kan beschouwd worden. U bent bovendien niet in de mogelijkheid om een schriftelijke verklaring af te leggen waaruit blijkt dat u in de 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend. Er werd u immers wel degelijk een bevel om het land te verlaten betekend op 19 november
- U toont niet aan dat u humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land heeft ontwikkeld zoals voorzien in artikel 2,4/ van de wet: Uit het feit dat u in België enkele vrienden en kennissen hebt kan ik onmogelijk afleiden dat u duurzame relaties met het land hebt ontwikkeld. Temeer daar een deel van de banden waarnaar u verwijst slechts losse contacten betreft die zich situeren in het uitgaansleven. De relaties met uw land van herkomst zijn, gezien de aanwezigheid van uw familie aldaar, duidelijk belangrijker. Teneinde een duurzame sociale band met België te kunnen hebben is de kennis van minstens een der landstalen van het grootste belang. Uit de voorgelegde stukken blijkt evenwel dat uw kennis van de Nederlandse taal op het ogenblik van uw aanvraag zonder meer miniem was. Met de inspanningen die u geleverd hebt, na uw regularisatieaanvraag, teneinde deze taal beter te kunnen beheersen kan ik geen rekening houden. Indien ik dit wel zou doen, zou ik het gelijkheidsbeginsel miskennen. Vreemdelingen wier aanvraag onmiddellijk werd behandeld zouden immers in een minder gunstige situatie geplaatst worden. XIV-16.011-3/9 Wat uw tewerkstelling betreft merk ik op dat u blijkbaar slechts initiatieven ontwikkeld hebt nadat de regularisatiewet in voege is getreden. Ik verwijs in dit verband opnieuw naar het gelijkheidsbeginsel. U blijkt in gebreke om aan te tonen dat u voordien reeds arbeid zou verricht hebben waaruit enige duurzame band met het Rijk kan afgeleid worden. (...).”.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- De administratieve beslissing dient met reden omkleed te zijn, en gemotiveerd. In casu werd geen rekening gehouden met de grieven van verzoeker zodat het zorgvuldig- heidsbeginsel werd geschonden. De Minister maakt zich schuldig aan dezelfde fout, die hij beging bij het nemen van de beslissing van 4.3.
- Tot op heden kan verzoeker uit de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken niet afleiden of rekening werd gehouden met de grieven en stukken die bij brief van 11.2.2002 aan de Minister werden toegestuurd. Op geen enkel ogenblik wordt er melding gemaakt van de stukken die op 11.2.2002 werden toegestuurd. Alleen al uit het gegeven dat de Minister thans aanhaalt dat verzoeker geen bewijs voorlegt van duurzame sociale bindingen en hij enkel refereert naar de beperkte contacten die de heer XXX heeft uit het uitgangsleven blijkt opnieuw dat de Minister gewoon het advies van de Commissie overneemt zonder te antwoorden op de brief van 11.2.
- Stuk 15 betreft een brief die werd geschreven door het gezin M. en D. Deze mensen verklaren “Met dit schrijven willen wij, M. en D., beiden woonachtig te S., N.straat 22 bevestigen dat we ruim 3 jaar sociale contacten hebben met XXX. We zijn met hem in contact gekomen via een goed bevriend koppel dat ruim 25 jaar in België verblijft, werkt en ondertussen gepensioneerd is”. Dit betreffen geenszins vluchtige contacten tijdens het uitgangsleven zoals door de Minister aangehaald. De Minister stelt ook: “U stelt zelf dat u sinds 25.9.1996 in het rijk verblijft”. In de brief dd. 11.2.2002 is er sprake van september
- Bovendien merkt de Minister ook op dat hij uit de stukken kan afleiden dat de kennis van de Nederlandse taal miniem was op het ogenblijk van de aanvraag. Dit is onaanvaardbaar temeer dat er reeds in de brief dd. 11.2.2002 werd opgemerkt dat de heer XXX zeer goed de Nederlandse taal spreekt. De raadsman van verzoeker kan immers bevestigen dat zij steeds meer de heer XXX heeft gesproken in de Nederlandse taal en hij zich van meet af aan zeer goed verstaanbaar heeft kunnen maken. Dit was ook zo wanneer hij uitgenodigd werd voor behandeling van de zaak voor de Commissie. In de dossier zitten bovendien twee stukken waaruit blijkt dat de heer XXX cursussen heeft gevolgd om zijn taal nog te verbeteren. Thans aanhalen dat hiermee geen rekening kan gehouden worden is onjuist. Op het ogenblik dat verzoeker voor de commissie verscheen was hij de Nederlandse taal zeer goed machtig en kon hij zich zeer goed uitdrukken. De Minister diende op het schrijven van 11.2.2002 een antwoord te formuleren, minstens diende hij dit schrijven in zijn besluiten op te nemen. De beslissing is thans dan ook niet voldoende met reden omkleed, minstens onvoldoende gemotiveerd, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden.
- De Minister haalt ten onrechte het gelijkheidsbeginsel aan om met een aantal gegevens en factoren geen rekening te moeten houden. Juist door deze stellingname te ontwikkelen, schendt de Minister ZELF het gelijkheidsbe- ginsel. De Minister merkt trouwens volstrekt ten onrechte op dat hij met een aantal gegevens geen rekening kan houden nu de beoordeling dient te gebeuren op het ogenblik van de aanvraag en niet op het ogenblik van de uitspraak. Anders oordelen zou volgens de Minister het gelijkheidsbeginsel schenden. Verzoeker wenst op te merken dat geen enkel dossier onmiddellijk werd behandeld. Men is tewerk gegaan volgens categorie. De heer XXX deed een aanvraag in de categorie humanitaire redenen, duurzame sociale bindingen. Alle regularisatieaanvragen zijn beoordeeld op het ogenblik dat betrokken perso(o)n(en) voor de commissie moesten verschijnen. Er konden immers nog stukken worden neergelegd op het ogenblik dat de betrokkenen werden uitgenodigd om voor de Commissie te verschijnen. De wet voorziet zelfs dat er nog bijkomende stukken en argumenten kunnen worden voorgelegd tot op het ogenblik dat de Minister een beslissing heeft genomen. Reeds in mijn brief van 11.2.2002 werd aangehaald dat de heer XXX perfect de Nederlandse taal sprak. Uiteraard werden er maar initiatieven genomen na de regularisatie om via officiële instanties de taal bij te schaven, juist omwille van het feit dat verzoeker dan een XIV-16.011-4/9 wettig verblijf had en omwille van het feit dat hij zich dan pas officieel op de arbeidsmarkt kon aanbieden. Stukken voorleggen van enige tewerkstelling voorafgaand aan de aanvraag is onmogelijk. Verzoeker nodigt de Minister uit één dossier voor te leggen waaruit zou blijken dat de werkgever attesteert dat zij een illegaal persoon zouden hebben tewerkgesteld. Niemand zal een dergelijke getuigenis afleggen juist omwille van het feit dat dergelijke tewerkstelling strafbaar is. Zelfs de tewerkstelling van verzoeker tijdens deze procedure tot regularisatie was voorwerp van betwisting. Niettegenstaande de vernietiging van de beslissing van 4.3.2002, werd een mogelijkheid tot tewerkstelling geweigerd. De werkgever (N.V. V. ) heeft het enige tijd aangedurfd verzoeker toch verder te laten werken, gelet op het tussengekomen arrest tot vernietiging. Uiteindelijk heeft de werkgever afgehaakt. Op de brief aan de werkgever gericht, staan duidelijk de strafrechtelijke consequenties vermeld. (stuk 22). Verzoeker mag niet het slachtoffer zijn van een laattijdige beoordeling. Op het ogenblik dat verzoeker voor de commissie verscheen sprak hij vloeiend Nederlands en had hij werk. Verzoeker kon zich immers niet eerder op de arbeidsmarkt aanbieden nu hij inderdaad geen wettig verblijf had vóór de regularisatieaanvraag. Dit was immers voor alle aanvragers hetzelfde. De beoordeling van tal van dossiers is gebeurd op het ogenblik van de verschijning voor de commissie.
- Van de vereiste termijn werd in andere beslissingen immers frequent afgeweken, aangezien bepaalde families zich op zeer korte termijn zeer goed hadden geïntegreerd. De bepalingen van Artikel 9, 9/ van de wet van 10.1.2000 (22 december 1999) luiden als volgt: “voor de in artikel 2,4/ bedoelde vreemdelingen een bewijs dat hun aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen (bevel) gekregen hebben om het grondgebied te verlaten.” “(...) Om te oordelen of een verblijf relevant is, zal bovendien rekening gehouden worden met het criterium van artikel 2,4/ te weten humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen.” In de wet van 10.1.2000 is er dus duidelijk sprake van en/of .... Bovendien was verzoeker op het ogenblik van de aanvraag meer dan vier jaar en op het ogenblik van behandeling van de zaak vijf jaar in België. In casu werd de beoordeling van een “relevant verblijf” niet aangehaald. Minstens werd dit hierbij gediscrimineerd onder het mom dat het gelijkheidsbeginsel hierdoor wordt gerespecteerd. Met het tweede en derde lid van art. 9,9/ van de wet van 10.1.2000 moet tevens rekening gehouden worden. Dit onderdeel van de wet werd dan ook miskend. De stukken die aan de regularisatiecommissie werden voorgelegd tonen wel voldoende aan dat de verzoeker voldoende duurzame (namelijk constant en permanent) sociale bindingen heeft en reeds sinds 1996 in België is. Er is in eerste instantie het visum dat verzoeker aanvroeg en de vermeldingen op de reispas dat hij naar België kwam. Er is de verklaring van de heer B. wonende te G., C.
- De heer B. verklaart dat hij verzoeker ontmoet heeft voor het eerst in de loop van
- De verklaring wordt thans nogmaals aanvullend gestaafd aan de hand van foto's. Op deze foto's zijn data aangebracht. Deze data refereren naar het jaar
- Er is ook een foto van de vriendin van verzoeker, zijnde de genaamde V. tevens daterend van
- Naast de verklaringen van de heer B. is er ook de verklaring van P. “Ik kan bevestigen dat ik de heer XXX ontmoet heb in “ de Maagd van Gent”, een danscafé aan de Korenmarkt te Gent. Sedert dan hebben we elkaar verschillende keren ontmoet, ik kan zeggen dat de heer XXX hier verschillende vrienden heeft gemaakt en zich hier al goed heeft geïntegreerd.” D. verklaart: “Ik kan verklaren dat ik hem reeds sinds 1996 ken. Hij betrok een woning gelegen te G., B. 34, waarvan mijn zoon eigenaar is. Ik stond in voor het reinigen van de gemeenschappelijke delen”. Er zijn ook verklaringen van D. en M. Verzoeker is ook zeer goed bevriend met de heer B., het gezin J. & I. Uit de verklaring van de heer B. blijkt: “Ik kan verklaren dat ik hem reeds sinds 1996 ken. Hij betrok een woning gelegen te B. 34 G. en daarna een woning gelegen te G.laan te Gent.” Het feit alleen al dat verzoeker sinds 1996 in België verblijft en er vanuit de illegaliteit is opgestaan bij de uitwerking van regularisatiewetgeving, getuigt dat er humanitaire redenen voorhanden zijn om verzoeker te regulariseren. Verzoeker is alleenstaande, werkt hier, spreekt vloeiend Nederlands. Verzoeker heeft sinds 2001 vast werk bij de B.V.B.A V., met zetel te D., L.straat
- Hij werkte daar meer dan twee jaar en had een contract van onbepaalde duur. Verzoeker heeft XIV-16.011-5/9 vervolgens gewerkt bij de N.V. V. te Gavere, O.straat
- Deze onderneming heeft verzoeker zo lang als mogelijk gesteund, ook op het ogenblik dat er een negatieve beslissing kwam van Brussel en verzoeker elke tewerkstelling werd geweigerd, heeft men hem toch verder in dienst genomen, nu het arrest van de Raad van State de negatieve beslissing dd. 4.3.2002 had vernietigd. Het bedrijf heeft recent -gelet op de nieuwe beslissing- verzoeker moeten weigeren aangezien men bang was voor strafrechtelijke veroordeling bij langere tewerkstelling. Verzoeker heeft inmiddels een nieuwe werkgever gevonden.
- Bij het nemen van de beslissing werd dan ook niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd vooraleer tot een eindbesluit te komen. De brief dd. 11.02.2002 werd niet beantwoord, en niet in overweging genomen. De stukken werden onvoldoende ingekeken en beoordeeld. (zie wat hieromtrent hoger werd uiteengezet.) (De) het visum evenals foto's die thans worden voorgelegd leveren wel een bewijs dat verzoeker reeds in 1996 in België was en sociale bindingen had en deze kon behouden tot op heden. Het verblijf gedurende de jaren 1996, 1997, 1998 kan in tegenstelling tot de inhoud van de genomen beslissing wel degelijk worden aangetoond en bewezen. Ten onrechte werd geoordeeld dat er geen voldoende sociale bindingen zijn en dat er geen humanitaire redenen zijn. Niettegenstaande de veroordeling heeft verzoeker het recht dat zijn zaak voldoende wordt onderzocht, wat in casu niet het geval is. Uit wat voorafgaat (blijkt dat) verzoeker niet op gelijke wijze is behandeld en werd beoordeeld, temeer daar de Minister ook geen rekening heeft gehouden met de aangeboden bewijsstukken en zonder meer verwijst naar het advies van de Commissie voor Regularisatie dat door de raadsman van verzoeker werd becommentarieerd.”; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert omdat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met de brief van de Advocaat van verzoeker van 11 februari 2002; Overwegende dat in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de brief van de Advocaat van 11 februari 2002; dat uit de inhoud van de bestreden beslissing evenwel kan worden afgeleid dat de Minister van Binnenlandse Zaken rekening heeft gehouden met voornoemde brief; dat deze brief een kritiek bevat van de Advocaat van verzoeker op het advies van de Commissie voor regularisatie van 12 december 2001, met name op de overweging in dit advies dat “er onvoldoende sociale bindingen zijn en geen humanitaire redenen”; dat de advocaat deze kritiek formuleerde als volgt: “- er wordt geen rekening gehouden met de verklaringen van meer dan zeven personen die de heer XXX kennen en met hem reeds enkele jaren contacten onderhouden. - hij de Nederlan(s)d(s)e taal machtig is en daarvoor meer dan 140 lesuren Nederlands volgde. - hij vast werk heeft sinds 16.3.2001 en bij de B.V.B.A. H. over een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur beschikt.” Overwegende dat uit de overwegingen van de bestreden beslissing, die integraal wordt weergegeven onder punt 1.7 van huidig arrest, blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken, bij het beoordelen van het al dan niet voorhanden zijn van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen, rekening heeft gehouden met de getuigenverklaringen, de kennis van verzoeker van het Nederlands en de elementen betreffende de tewerkstelling van verzoeker; dat de Minister hierover het volgende overweegt: “Uit het feit dat u in België enkele vrienden en kennissen hebt kan ik onmogelijk afleiden dat u duurzame relaties met het land hebt ontwikkeld. Temeer daar een deel van de banden waarnaar u verwijst slechts losse contacten betreft die zich situeren in het uitgaansleven. De relaties met uw land van herkomst zijn, gezien de aanwezigheid van uw familie aldaar, XIV-16.011-6/9 duidelijk belangrijker. Teneinde een duurzame sociale band met België te kunnen hebben is de kennis van minstens één der landstalen van het grootste belang. Uit de voorgelegde stukken blijkt evenwel dat uw kennis van de Nederlandse taal op het ogenblik van uw aanvraag zonder meer miniem was. Met de inspanningen die u geleverd hebt, na uw regularisatieaanvraag, teneinde deze taal beter te kunnen beheersen kan ik geen rekening houden. (...). Wat uw tewerkstelling betreft merk ik op dat u blijkbaar slechts initiatieven ontwikkeld hebt nadat de regularisatiewet in voege is getreden. (...). U blijkt in gebreke om aan te tonen dat u voordien reeds arbeid zou verricht hebben waaruit enige duurzame band met het Rijk kan afgeleid worden.”; Overwegende dat hieruit blijkt dat de Minister rekening heeft gehouden met de brief van de Advocaat van verzoeker van 11 februari 2002; dat in het middel bovendien kritiek wordt uitgebracht op de overwegingen van de bestreden beslissing inzake de getuigenverklaringen, de kennis van het Nederlands van verzoeker en zijn tewerkstelling; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zij rekening houdt met voornoemde elementen en een antwoord inhoudt op de grieven van verzoeker; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; dat dit enkel ten overvloede geldt, gelet op wat volgt; Overwegende dat verzoeker in de overige onderdelen de schending van de motiveringsplicht en van het gelijkheidsbeginsel aanvoert; Overwegende dat, wat de regularisatieaanvraag op basis van artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) betreft, uit de samenlezing van dit artikel en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verblijft op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatie- wet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd wanneer blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan zes jaar, vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag op 28 januari 2000 een verblijf in het Rijk kon aantonen van vier jaar, namelijk sinds 25 september 1996, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de Commissie voor regularisatie van 28 november 2001; dat de Commissie voor regularisatie en in navolging hiervan de Minister van Binnenlandse Zaken, derhalve wettig konden vaststellen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat dit volstaat om de regularisatieaanvraag op grond van de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet af te wijzen; XIV-16.011-7/9 Overwegende dat verzoekers argumentatie dat in beslissingen in andere regularisatiedossiers “frequent werd afgeweken” van deze vereiste termijn wanneer voldoende integratie werd aangetoond, niet in concreto wordt gestaafd; dat zoals blijkt uit wat voorafgaat, de bestreden beslissing genoegzaam is gemotiveerd door te overwegen dat verzoeker niet voldoet aan de termijnvoorwaarde van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet en dat hierdoor het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden; dat de Minister hieraan toevoegt dat aan verzoeker op 19 november 1998 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten werd ter kennis gebracht, en dat verzoeker niet aantoont dat hij humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale banden in het Rijk heeft ontwikkeld; dat het feit dat de Minister een onderzoek heeft gevoerd naar de aanwezigheid van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen, geen afbreuk doet aan het feit dat de beslissing voldoende is gemotiveerd door te verwijzen naar de termijnvoorwaarde; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, afdoende, deugdelijke en terzake dienende motieven; dat het enig middel in al zijn onderdelen ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.011-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.011-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.