id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.173 Rolnummer: A. 157410/XII-4306 Zaak: Arrest 142173 - - 15/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Fiche Arrest nr 142.173 van 15 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.173 van 15 maart 2005 in de zaak A. 157.410/XII-
- In zake : Sonja DE SMEDT, wonende te Grimbergen, Mierendonkstraat 10 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE, die woonplaats kiest bij advocaten P. De Maeyer en T. Vandenput, kantoor houdende te Brussel, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sonja De Smedt op 12 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 september 2004 van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, waarbij zij met ingang van 1 september 2004 ter beschikking gesteld wordt wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van hetzelfde besluit; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht op grond van artikel 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikkingen van 31 januari 2005 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; XII-4306-1/5 Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. Aelbrecht, die loco advocaat J. De Brabanter verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster vast benoemd lerares hoger onderwijs voor sociale promotie is, met een opdracht van tien uren per week in de afdeling toeristische gidsen van het CVO Elishout COOVI; Overwegende dat het college van de Vlaamse Gemeenschaps- commissie op 9 september 2004 het thans bestreden besluit treft, dat zij motiveert : “Overwegende dat uit het dossier als bijlage bij dit besluit, blijkt dat het niet aangewezen is dat mevrouw Sonja De Smedt, lerares bij het CVO Elishout COOVI, haar lesopdracht verder blijft uitoefenen en dat de samenwerking met haar onmogelijk is geworden, gelet op haar groot wantrouwen ten aanzien van de schooldirectie en van de inrichtende macht, op haar moeizame communicatie en haar conflicten ten overstaan van collega’s, op haar ernstige pedagogische en deontologische tekortkomingen ten overstaan van studenten, op het negeren van afspraken met de schooldirectie en met de inrichtende macht; Overwegende dat mevrouw Sonja De Smedt door haar optreden de pedagogische werking van de afdeling Toeristische Gidsen in het gedrang brengt, en dat daarom een ingrijpende ordemaatregel aangewezen is”; Overwegende dat verzoekster via haar vakorganisatie bij de Vlaamse regering bezwaar aantekent tegen voornoemde beslissing en om de vernietiging verzoekt van het collegebesluit; dat de Vlaamse minister van cultuur, jeugd, sport en Brussel op 3 november 2004 zijn antwoord verstuurt, waarin hij schrijft, eensdeels, dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie “de aangevochten beslissing tot ambtsontheffing van mevrouw De Smedt blijkbaar [heeft] genomen zonder betrokkene hieromtrent te horen” en, anderdeels, dat de “juridische argumenten” van verzoekster “niet éénduidig en volledig [kunnen] worden XII-4306-2/5 weerlegd, maar [zij] vormen evenmin de basis om een flagrante schending van de rechtsregels aan te tonen die ons noopt om over te gaan tot een schorsing of vernietiging”; Overwegende dat de toepassingssfeer van het voorheen enkel voor het personeel van het gemeenschapsonderwijs geldende koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, bij besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 is uitgebreid tot de personeelsleden die, zoals verzoekster, onder het toepassingsgebied vallen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs; dat de artikelen 4 tot 6 van dit koninklijk besluit voorschriften bevatten met betrekking tot de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst; Overwegende dat uit het eerste middel van verzoekster, geput uit de schending van artikel 5 van het voormelde koninklijk besluit van 18 januari 1974, blijkt dat tussen partijen betwisting bestaat over de precies te volgen procedure bij het opleggen van de kwestieuze ordemaatregel en, meer in het bijzonder, over de beroepsmogelijkheden; dat harerzijds verzoekster zich er over beklaagt dat niet eerst overeenkomstig bedoeld artikel 5 een voorstel van ordemaatregel is geformuleerd waartegen zij bijgevolg ook niet in beroep kon gaan; dat verwerende partij repliceert dat “een aantal bepalingen de facto niet toepasbaar [zijn] op het gesubsidieerd onderwijs, ondermeer wat de bepaling betreft die de procedure voor en het beroep tegen dergelijke terbeschikkingstelling regelt (zie art. 5 van het betrokken K.B. van 18 januari 1974)”; dat die betwisting de vraag doet rijzen of tegen thans bestreden beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat of moet openstaan; dat de Raad van State zich over die kwestie in voorliggende zaak, die volgens een verkorte procedure wordt afgedaan, niet uitspreekt; dat het voor de Raad te dezen volstaat om vast te stellen dat aan verzoekster -al dan niet op goede grond- de toegang tot hetzij de in artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 bepaalde, hetzij een er aan analoge beroepsprocedure is versperd, zodat haar in die omstandigheden hoe dan ook niet kan worden verweten dat zij het collegebesluit XII-4306-3/5 van 9 september 2004, dat zich in de concrete omstandigheden van de zaak aanmeldt als de eindbeslissing van verwerende partij, rechtstreeks met een annulatieberoep aanvecht bij de Raad van State; Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift als derde middel de schending aanvoert van het recht om haar standpunt op nuttige wijze te doen kennen, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verwerende partij opmerkt dat “gedurende veel jaren er nadrukkelijk werd gecommuniceerd met de verzoekende partij teneinde aan de gestelde problemen een oplossing te kunnen bieden”, dat de bestreden maatregel het gevolg is van een “onhoudbaar geworden situatie” waarover “voorafgaandelijk overleg” is gebeurd maar die “naar een verdere escalatie evolueerde”, dat de feiten “vatbaar zijn voor directe, eenvoudige constat[ering]” en door de “dreigende escalatie van de toestand bestond er bovendien een hoogdringendheid en een noodzaak om snel op te treden”, zodat om al die redenen verwerende partij niet verplicht was om verzoekster te horen; Overwegende dat verwerende partij de bestreden maatregel terecht “ingrijpend” noemt; dat uit de motivering ervan blijkt zij is ingegeven door tekortkomingen die aan verzoeksters gedrag worden aangerekend; dat verzoekster dan ook op goede grond mag eisen dat de voorgenomen maatregel haar niet wordt opgelegd zonder dat haar de kans wordt geboden om haar standpunt aan het bestuur op nuttige wijze kenbaar te maken; dat het “dossier als bijlage bij dit besluit” met een veertigtal stukken en bijlagen, waarin over en weer tussen verzoekster, schooldirectie en studenten diverse aantijgingen en klachten zijn te lezen, mogelijk wel het materiële motief kan vormen voor de opgelegde maatregel, maar niet als zodanig het bewijs levert van onbetwistbaar vaststaande feiten die voor “directe, eenvoudige” constatering door het College van de Vlaamse Gemeenschaps- commissie vatbaar zijn; dat voorts, nu verschillende oorzaken en toestanden die reeds gedurende jaren aanslepen volgens verwerende partij de basis vormen voor de opgelegde maatregel, een niet in de motieven van het bestreden besluit terug te vinden, loutere bewering over een bovendien slechts “dreigende” escalatie in de thans voorliggende nota, niet volstaat om hoogdringendheid aannemelijk te maken; dat verwerende partij bijgevolg niet overtuigt waarom plots voor het horen van verzoekster geen ruimte was; dat het middel kennelijk gegrond is, XII-4306-4/5 Overwegende dat het annulatieberoep kennelijk gegrond is; Overwegende dat de nietigverklaring van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van hetzelfde besluit geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 9 september 2004 van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, waarbij Sonja De Smedt met ingang van 1 september 2004 ter beschikking gesteld wordt wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4306-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.