id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.195 Rolnummer: A. 145477/VII-31254 Zaak: Arrest 142195 - - 16/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:55 Fiche Arrest nr 142.195 van 16 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 142.195 van 16 maart 2005 in de zaak A. 145.477/VII-31.254 In zake : XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. CATSOULIS, kantoor houdende te 2650 EDEGEM, Mechelsesteenweg 210 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon XXX, van Syrische nationaliteit, op 18 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 november 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 september 2003 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.254-1/7 Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. CATSOULIS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREECKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 23 september 2003 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 25 september 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 18 november 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U verklaarde tijdens het gehoor in dringend beroep de Syrische nationaliteit te hebben en afkomstig te zijn van Kameshli. U zou christen zijn en van Aramese origine. Uw echtgenoot zou sinds 1985 lid geweest zijn van de Assyrische Organisatie (Takasto Athuria), waarvan u zelf terzelfdertijd sympathisant werd. U zou regelmatig hebben deelgenomen aan de partijvergaderingen die uw echtgenoot organiseerde en de aanwezigen te eten en te drinken gegeven hebben. Tijdens de parlementsverkiezingen van 2 maart 2003 zou uw echtgenoot waarnemer geweest zijn in het kiesbureau in het dorp Machouk. Diezelfde avond zouden drie agenten van de Mukhabarrat naar uw echtgenoot zijn komen vragen en het huis doorzocht hebben. Zij zouden een aantal VII-31.254-2/7 partijpublicaties, partijdocumenten en de lidkaart van uw echtgenoot in beslag genomen hebben. U zou van uw schoonbroer vernomen hebben dat uw echtgenoot op het kiesburo in conflict gekomen was met een aantal Arabieren en dat hij vluchtte nadat hij het regime uitgescholden had. U zou vervolgens bedreigd geweest zijn door Arabieren en ook de leden van de Staatsveiligheid zouden nog regelmatig naar uw huis zijn gekomen. Op 27 maart 2003 zou u Syrië verlaten hebben. Op 23 september 2003 zou u in België zijn aangekomen. Diezelfde dag nog diende u een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u niet aannemelijk maakte omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève uw land te hebben verlaten. Vooreerst dient te worden vastgesteld u uiterst vaag en algemeen bleef aangaande de functie en activiteiten van uw echtgenoot voor de Assyrische Organisatie en dit terwijl u zelf 18 jaar sympathisant was van de partij en de vergaderingen die uw echtgenoot organiseerde regelmatig, namelijk minstens éénmaal per maand, bijwoonde. Volgens uw beweringen was uw echtgenoot een verantwoordelijke binnen de partij. Wanneer u echter tijdens het gehoor in dringend beroep gevraagd werd dit te verduidelijken geraakte u niet verder dan de stelling dat hij 'organisator' was. U zou echter niet weten welke activiteiten hij zou gehad hebben naast het organiseren van vergaderingen (zie gehoorverslag CGVS, p. 4). U zou verder niet weten wie zijn contactpersonen waren binnen de partij (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Voorts blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd dat u niet de volledige naam van de partij wist weer te geven waar uw echtgenoot evenals uzelf gedurende bijna twintig jaar respectievelijk lid en sympathisant van waren (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). Gezien deze erg vage verklaringen betreffende elementen die aan de grondslag liggen van uw vluchtproblemen, wordt ten zeerste getwijfeld aan de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas. Verder verklaarde u niet zeker te weten of uw echtgenoot eerder problemen kende, en hoeveel, met de Syrische autoriteiten. U zou vermoeden dat hij reeds een aantal maal ondervraagd werd maar u zou dit niet zeker weten (zie gehoorverslag CGVS, p. 9). Verder zou u de reden van zijn verdwijning slechts via een derde, namelijk een persoon die dit zei tegen uw schoonbroer maar van wie u de identiteit niet zou kennen, vernomen hebben, hetgeen onvoldoende is als objectieve aanwijzing (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Verder stelde u tijdens het gehoor in dringend beroep geen flauw idee te hebben van waar uw echtgenoot zich momenteel bevindt. U zou niet weten of hij zich in Syrië ophoudt dan wel in het buitenland (zie gehoorverslag CGVS, p. 2). Bijgevolg maakt u dus niet aannemelijk dat uw echtgenoot vervolging riskeerde door de Syrische autoriteiten. De verklaring dat uw vlucht zijn grond kent in de beweerde vervolging van uw echtgenoot is dan ook niet aannemelijk. Verder dient te worden opgemerkt dat u geen begin van bewijs aanbracht van het lidmaatschap van uw echtgenoot van de Assyrische Organisatie. U bracht dus onvoldoende concrete elementen aan die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in uw hoofde. Verder dient te worden opgemerkt dat u na uw vlucht uit Syrië nog een vijftal maanden in Turkije verbleef, alvorens u naar België kwam. Er dient te worden opgemerkt dat u dit laatste land verlaten heeft zonder elementen aan te halen die wijzen op een vrees voor vervolging in de zin van artikel 1,A,
(2)van het Verdrag van Genève. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat de door u neergelegde identiteitskaart slechts uw identiteit bevestigt en niet van die aard is om bovenstaande vaststellingen te wijzigen. VII-31.254-3/7 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit is de bestreden beslissing. 2.1. Overwegende dat het eerste middel luidt als volgt: "
- a)Eerste middel : Schending van artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied. het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen De gemachtigde meent dat de asielaanvraag onontvankelijk voorkomt om reden dat er meer dan 3 maand is verstreken nadat verzoekster haar land van herkomst heeft verlaten vooraleer de aanvraag in te dienen; Ten eerste dient opgemerkt dat de gemachtigde niet twijfelt aan de waarachtigheid van de verklaring van vertoogster nu de gemachtigde geen ernstige tegenstrijdigheden" of onwaarheden heeft kunnen traceren; Bijgevolg komen de asielmotieven van verzoekster zeer aannemelijk over; Ten tweede dient opgemerkt dat de termijn van drie maanden geen vervaltermijn is maar moet beoordeeld worden in het geheel van de feiten; Meer bepaald heeft de gemachtigde verzoekster niet gehoord omtrent de reden van laattijdige indiening van haar aanvraag zodat haar recht op verdediging hierdoor wordt aangetast nu dit gegeven doorslaggevend blijkt te zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid; Verzoekster is in inderdaad in Turkije aangekomen een vijftal maanden vooraleer zij de aanvraag heeft ingediend; In Turkije, dat aan Syrië, grenst, is verzoekster in handen van malafide mensensmokkelaars gevallen en heeft zij gedurende maanden moeten wachten vooraleer zij het land mocht verlaten; Verzoekster kon zich niet meer vrij bewegen of verplaatsen en was volledig afhankelijk van de wil van deze mensensmokkelaars; Ook verliest de ambtenaar uit het oog onder in welke bare en slechte omstandigheden verzoekster haar vlucht heeft moeten afleggen; De reden dat verzoekster niet eet-der haar aanvraag kon indienen is dan ook volledig buiten haar wil te wijten; Bijgevolg gelet op de 'overmacht' gedurende de periode van verblijf in Turkije, meent verzoekster dat haar aanvraag tijdig is ingediend;"; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat de verzoekende partij onvoldoende concrete elementen aanbracht die wijzen op een gegronde vrees voor VII-31.254-4/7 vervolging; dat de verzoekende partij nalaat dit determinerend motief te weerleggen en haar kritiek richt tegen een bijkomend motief; dat het middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: "
- b)Tweede middel: schending van art. 62 van de Wet van 15 december 1980 (Vreemdelingenwet) en van art. 1 tot 3 van de Wet van 29juli 1991 op de formele motivering van bestuurshandelingen. Overeenkomstig de artikelen 1 tot 3 van de Wet van 29 juli 1991 op de formele motivering van bestuurshandelingen evenals volgens het algemene rechtsbeginsel dat de bestuurlijke overheid gehouden is om een beslissing te nemen waarbij rekening gehouden wordt met alle elementen van de zaak; Voor zover als nodig, wenst verzoeker duidelijk te stellen dat de gemachtigde van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen tevens niet met alle elementen van de zaak rekening heeft gehouden bij zijn beslissing; Inderdaad, de volgende belangrijke 'en gewichtige feiten voor de staving van de asielaanvraag zijn door de gemachtigde van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen over het hoofd gezien; Zoals hierboven aangeduid, worden de werkelijke asielmotieven door de gemachtigde niet in twijfel getrokken zodat deze als geloofwaardig overkomen; De gemachtigde heeft met deze niet voor betwisting vatbare motieven geen rekening gehouden en miskent dan ook voormelde bepaling;"; Overwegende dat, inzake de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet, tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dan ook, wanneer men in staat is een schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren, dit betekent dat de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatloze, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van de middelen de Raad van State zou verplichten kennis te nemen van de feitelijke toedracht van de zaak, en deze feiten te beoordelen; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling VII-31.254-5/7 onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3. Overwegende dat het derde middel luidt als volgt: "
- c)derde middel: Schending van artikel 3 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag De overheid is verplicht om geen verwijdering van een aanvrager te doen naar een land wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat deze het reële risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM of artikel 33 Vluchtelingenverdrag; Daarnaast loopt verzoekster bij verwijdering het reële risico het slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van de gedwongen rekrutering door de Syrische overheid waarbij op stelselmatige en algemene wijze de mensenrechten worden geschonden. Inderdaad, Syrië heeft nog in 2002 doodstraffen uitgevoerd zoals blijkt uit de gegevens van AI (stuk 3); Het is algemeen gekend dat de christelijke minderheden in het moslimland Syrië vervolgd worden en slachtoffers zijn van ernstige schendingen van mensenrechten; Verzoekster en haar zoon zijn hiervan een schoolvoorbeeld zoals uit haar verklaring blijkt; De verwijdering van verzoekster naar het land van herkomst, m.n. Syrië, betekent dat de Belgische regering haar medewerking verleent aan een land waar de mensenrechten met de voeten worden getreden zodat Belgische regering zich hierdoor schuldig maakt aan schendingen van de mensenrechten;"; Overwegende dat, zonder dat moet worden nagegaan of artikel 33 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève) rechtstreekse werking heeft of te dezen van toepassing is, uit deze verdragsbepaling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de overheden die over de asielaanvraag moeten oordelen, niet zouden mogen beslissen dat die aanvraag niet ontvankelijk of ongegrond is; dat het verbod tot uitzetting en terugleiding enkel slaat op de uitvoerende beslissing op grond waarvan de vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard, verplicht zou worden terug naar zijn land van herkomst te gaan; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terzake slechts een advies geeft overeenkomstig artikel 63/5 in fine van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. bepaalt : "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen."; dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico VII-31.254-6/7 bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel te summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt; dat het middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.254-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div