id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.207 Rolnummer: A. 132166/XIV-13572 Zaak: Arrest 142207 - - 16/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 08:56 Fiche Arrest nr 142.207 van 16 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.207 van 16 maart 2005 in de zaak A. 132.166/XIV-13.572 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 22 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-13.572-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. CAMERLYNCK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 september 2000 en zich vluchteling verklaart op 15 september 2000; dat op 22 maart 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 december 2002 de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaarde omwille van volgende redenen uw land te hebben verlaten. Ter staving van uw asielaanvraag haalde u tijdens de twee interviews voor het commissariaat-generaal (dd 24.10.2002, 16.12.2002) volgende feiten aan. In 1970 werd Sevak, een bekend schrijver, vermoord. U bewonderde de schrijver en u maakte een beeld over hem, het werd in 1972 voltooid en u gaf een toespraak bij de onthulling. Er kwamen functionarissen om te vragen of u het beeld wilde weghalen, ze wilden u veel geld betalen. U weigerde, waarna u zich drie maanden verschuilde bij een bevriende politie- rechercheur die veel sympathie had voor Sevak. Twee maanden na uw terugkeer, werd u meegenomen door twee mensen van de KGB. U werd een week vastgehouden en geslagen, ze dreigden met grotere problemen als u zou vertellen wat er gebeurd was. Tussen 1972 en 1988 had u problemen omwille van een uitvinding waar u sinds 1968 mee bezig was. U wilde de uitvinding laten goedkeuren bij de Unie van schilders, maar ze beledigden u. Een aantal jaren later wilde een minister de uitvinding verkopen aan het buitenland, maar omdat u maar zeven percent van de winst zou krijgen, weigerde u. In 1988 waren er problemen in Sumgait waarover u schilderde. Daarna werd u opnieuw beledigd door mensen van de KGB die bij u thuis kwamen. U ging vaak buiten Armenië omdat u schrik had dat ze u zouden doden, u ging vaak naar Rusland met een registratie voor 45 dagen. In Armenië werd u in de periode 1972 en 1998 meermaals door de politie meegenomen voor een drietal dagen. Eind mei 1998 kwam er een man uit Rusland naar u in Armenië en bood u een job aan in Rusland. U en uw vrouw gingen mee naar Demarsjensk in Krasnodar. In Krasnodar begon u werken te creëren. Op korte tijd had u veel werken gemaakt en werd u heel populair. Dit zorgde voor vijandigheid tegenover u. De media rapporteerden over uw werken waardoor u een opdracht kreeg. U kreeg de opdracht een standbeeld te maken maar er werd nooit voor betaald. Op een morgen, ongeveer een week voor uw vertrek uit Krasnodar, stelde u vast dat het beeld gestolen was en dat het hele atelier vernield was. U vermoedt dat de opdrachtgevers dat hadden gedaan, om niet te moeten betalen voor het kunstwerk. Diezelfde dag diende u klacht in bij de politie. De politie kwam bij u thuis en stelden een PV op. De dag nadien werd u geslagen door een groep Russische mannen. Na ongeveer een week vertrok u terug naar Armenië waar u nog een vijftiental dagen verbleef. Door de problemen die u vroeger reeds had in Armenië en door het incident in Krasnodar was u ontgoocheld en wilde u vluchten. Krisja, een zakenman, regelde de tickets voor uw vlucht naar België. Uw vrouw vertrok niet mee, omdat ze gezondheidsproblemen had. Op 25 september 2000 vroeg u asiel aan bij de Belgische autoriteiten. Uw vrouw, XXX kwam u in september 2002 in België vervoegen. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat uw vrees beoordeeld dient te worden ten aanzien van Armenië, het land waarvan u staatsburger bent. Met betrekking tot de door uw aangehaalde problemen in Armenië met mensen van de KGB omwille van uw kunstwerken tegen het communistische regime en naar aanleiding van de volkerenmoord in Sumgait dient opgemerkt te worden dat deze problemen zich afspeelden ten tijde van de Sovjet-Unie, dus vóór de onafhankelijkheid van Armenië, en bijgevolg niet meer actueel zijn om te kunnen spreken van XIV-13.572-2/6 een gegronde vrees voor vervolging ten aanzien van de Armeense autoriteiten. Bovendien verklaarde u voor het commissariaat-generaal dat u vóór uw vertrek naar België nog 14 à 20 dagen in Armenië verbleef (verhoorverslag CGVS, p 2). Dit laatste getuigt echter evenmin van een gegronde vrees voor vervolging ten aanzien van de Armeense autoriteiten. Daarnaast kan ook nog worden opgemerkt dat een aantal van uw verklaringen voor het commissariaat- generaal niet stroken met uw eerdere verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u in 1998 een interview in Armenië had met de correspondent van het televisieprogramma ‘Mairahagar’. U verklaarde dat u een week nadien problemen kreeg. Letterlijk verklaarde u: ‘een week na het interview kwamen er twee personen die me meenamen naar een plaats. Ze sloegen me er en vernederden me’ (verhoorverslag DVZ, vraag 42). Voor het commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat u in 1998, toen u nog in Armenië was, niet geslagen werd (CGVS II, p 11). Daarnaast haalde u voor het commissariaat-generaal eveneens een interview aan in Armenië voor het programma ‘Mairahagar’ doch situeerde u het interview in 2000 (verhoorverslag CGVS II, p 12). U verklaarde bovendien dat de interviews die u gaf niet veel betekend hebben in uw leven en u ontkende dat de interviews een invloed hadden op de gebeurtenissen (verhoorverslag CGVS II, p 13). Deze inconsistente verklaringen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze. Tot slot kan met betrekking tot uw verblijf in Krasnodar tussen 1998 en 2000 nog opgemerkt worden dat er eveneens tegenstrijdigheden kunnen worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat- generaal. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u, gedurende uw verblijf in Krasnodar, geslagen werd door twee personen van Armeense origine, die verklaarden dat ze u ‘eindelijk gevonden hadden’ (DVZ, vraag 42). U stelde hierover dat u na deze aanval zelfs één dag buiten bewustzijn was en gedurende tien dagen in het ziekenhuis verbleef (DVZ, vraag 42). Voor het commissariaat-generaal haalde u eveneens een incident aan in deze periode in Krasnodar doch stelde dat u zeker bent dat het door Russen was en niet door Armenen dat u werd geslagen (CGVS, p 6). U verklaarde voor het commissariaat-generaal met betrekking tot dit incident dat u niet naar het ziekenhuis ging omdat u bang was en dat zich verder geen incidenten meer hebben voorgedaan in Krasnodar in deze periode (CGVS, p 5-6-7). Gezien bovenstaande wordt de geloofwaardigheid van de door u voor de asielinstanties afgelegde verklaringen in bijkomende mate ondermijnd. Bovenstaande vaststellingen laten niet toe in het kader van uw asielaanvraag te besluiten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u aangehaalde documenten ter staving van uw asielaanvraag (paspoort, geboorteakte, werkboekje, schoolattest, foto’s van kunstwerken) kunnen bovenstaande conclusie niet wijzigen. Uw paspoort, geboorteakte, werkboekje en schoolattest bevatten persoonlijke gegevens die geen betrekking hebben op de door u aangehaalde problemen. De foto’s van de kunstwerken zijn niet van die aard dat ze bovenstaande tegenstrijdigheden kunnen weerleggen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel opwerpt dat luidt als volgt: “De bestreden beslissing van het commissariaat-generaal dd 23 december 2002 is grotendeels gebaseerd op het feit dat de verschillende verklaringen van verzoeker voor de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal tegenstrijdig zouden zijn. Verzoeker geeft toe dat hij verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn. Verzoeker wijst er echter nadrukkelijk op dat hij ernstige problemen met zijn geheugen heeft. Reeds tijdens het verhoor voor de dienst Vreemdelingenzaken, onmiddellijk na zijn aankomst in België, wees hij hierop (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42, bijlage blz 2 onderaan: ‘ik herinner me niets meer. Tot nu heb ik nog steeds problemen met mijn geheugen’). Verder legt verzoeker een recent medisch attest voor (stuk 1) waaruit blijkt dat hij wegens geheugenstoornissen een neurologische behandeling behoeft. Verzoeker is totaal niet in staat een juiste weergave en/of chronologisch overzicht van feiten en gebeurtenissen te geven, vooral wanneer het gaat om feiten en gebeurtenissen die zich reeds enige tijd geleden hebben voorgedaan. Gebeurtenissen plaatsen op een tijdslijn, zoals hem gevraagd werd tijdens het tweede verhoor voor het commissariaat-generaal op 24 oktober 2002 (zie laatste blz van dit verhoorverslag), kan verzoeker helemaal niet. Verzoeker is bovendien, afgezien van zijn geheugenstoornissen, een kunstenaar pur sang, die gevoelsmatig en empathisch functioneert en niet in staat is om op een cartesiaanse wijze feitelijke gegevens te ordenen en mede te delen. De bestreden beslissing van het commissariaat-generaal heeft helemaal geen rekening gehouden met deze geheugenstoornissen van verzoeker en met zijn uitermate gevoelsmatige XIV-13.572-3/6 persoonlijkheidsstructuur en wijze van denken. Dit blijkt ten volle uit de motivatie van de bestreden beslissing: ‘Deze inconsistente verklaringen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze’ (bestreden beslissing, blz 3, midden) en ‘Gezien bovenstaande wordt de geloofwaardigheid van de door u voor de asielinstanties afgelegde verklaringen in bijkomende mate ondermijnd’ (bestreden beslissing, blz 3, onderaan). Dit is een duidelijke beoordelingsfout - zeker t.o.v. iemand die wegens geheugenstoornissen een neurologische behandeling behoeft - die de nietigheid van de bestreden beslissing tot gevolg heeft. Verder vermeldt de bestreden beslissing dat de vrees van verzoeker dient beoordeeld te worden ten aanzien van Armenië, het land waarvan hij staatsburger is, en dat de problemen die zich voordeden tijdens het Sovjet-tijdperk niet meer actueel zijn en niet kunnen beschouwd worden als een reden tot vrees voor vervolging. Dit is juist, doch verzoeker heeft, naast deze oudere problemen, eveneens gewezen op recentere problemen (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42, bijlage 2, midden): problemen in Azië in
- Het is echter zo dat deze recentere problemen van verzoeker een duidelijk verband vertonen met de oudere problemen, en daarom heeft verzoeker alle problemen vermeld die hij ondervonden heeft. Bij de beoordeling van de door verzoeker aangehaalde recente problemen in Armenië, en van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen, dient rekening gehouden te worden met wat hierboven onder punt 1 gesteld werd. Door met de recente problemen in Armenië onvoldoende rekening te houden, is de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd: er is niet op voldoende wijze voldaan aan de motiveringsplicht zoals voorzien in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). Tenslotte is het juist dat verzoeker vóór zijn vertrek naar België nog 14 à 20 dagen in Armenië verbelven heeft; gedurende deze tijd heeft hij echter ondergedoken geleefd. Indien dit niet duidelijk tijdens het verhoor naar voren gekomen is, is het heel eenvoudig omdat er aan verzoeker geen vraag dienaangaande gesteld werd. Door zomaar uit dit korte verblijf in Armenië af te leiden dat verzoeker geen vrees voor vervolging ten aanzien van de Armeense autoriteiten zou kunnen hebben, heeft het commissariaat-generaal een verkeerde inschatting van de feiten en een beoordelingsfout gemaakt.”; 2.
- Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat derhalve aan de voornaamste vereisten van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij vooreerst betoogt dat de commissaris-generaal een “duidelijke beoordelingsfout” heeft gemaakt omdat hij bij de vastgestelde tegenstrijdigheden geen rekening heeft gehouden met haar “uiterst gevoelsmatige persoonlijkheidsstructuur en wijze van denken” en stelt dat zij bij de dienst Vreemdelingenzaken heeft gemeld dat zij zich niets meer herinnert en nog steeds problemen heeft met haar geheugen; dat zij bij het verzoekschrift tot nietigverklaring een medisch attest heeft gevoegd waaruit blijkt dat zij “wegens geheugenstoornissen een neurologische behandeling behoeft”; XIV-13.572-4/6 Overwegende dat het neergelegde medisch attest dateert van 13 januari 2003 en derhalve van na het nemen van de bestreden beslissing, zodat de commissaris- generaal er geen rekening mee kon houden; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op het commissariaat-generaal op alle vragen heeft geantwoord, met inbegrip van het tekenen van een chronologische tijdlijn, zonder enig voorbehoud te maken omtrent geheugenstoornissen; dat de verzoekende partij, met betrekking tot het besluit van de commissaris-generaal dat de asielaanvraag dient beoordeeld te worden te aanzien van Armenië, zelf stelt dat zij “naast deze oudere problemen, eveneens gewezen (heeft) op recentere problemen”; dat hieruit volgt dat de verzoekende partij in staat was om haar asielrelaas te doen; dat de verzoekende partij in het verzoekschrift onder de hoofding “de feiten” stelt “Wat het feitenrelaas betreft zij brevitatis causa verwezen naar de verklaringen van verzoeker voor de dienst Vreemdelingenzaken en voor het commissariaat-generaal, evenals naar de feiten zoals zij weergegeven werden in de bestreden beslissing”; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar psychische toestand en in het bijzonder haar geheugenstoornissen bij de beoordeling van de asielaanvraag; Overwegende dat de verzoekende partij aldus de motieven uit de bestreden beslissing die betrekking hebben op “inconsistente verklaringen” en tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen, niet weerlegt; dat deze vaststellingen een determinerend motief vormen in de zin dat zij de bestreden beslissing kunnen dragen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het middel voor het overige is gericht tegen overtollige motieven waarvan de eventuele onwettigheid, in het licht van het voornoemd determinerend motief, niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-13.572-5/6 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en vijf, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.572-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.207 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div