← België

Arrest 142309 - - 17/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.309 Rolnummer: A. 66552/IX-1313 Zaak: Arrest 142309 - - 17/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-30 Raadplegingen: 166 - laatst gezien 2026-07-02 08:59 Fiche Arrest nr 142.309 van 17 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.309 van 17 maart 2005 in de zaak A. 66.552/IX-1313. In zake : Anne-Marie TASSON, wonende te SINT-DENIJS-WESTREM, Pleispark 27 tegen : De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Algemene Directie Personeel Directie van de Juridische dienst, het contentieux en de statuten, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anne-Marie TASSON op 25 november 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : "- het K.B. n/ 250 dd/ 01.09.1995, in zoverre dit koninklijk besluit, zoals ver- duidelijkt door de Minister van binnenlandse zaken in zijn brief dd/ 9 november 1995, aan verzoekster het recht ontkent op terbeschikking- stelling en reaffectatie; - de administratieve beslissing of beslissingen, op een door verzoekster niet nader gekende datum genomen door de Commandant van de School voor rijkswachtofficieren of door een andere administratieve overheid, waarbij - met miskenning van het recht van verzoekster op reaffectatie - de onderwijsopdracht van 260 uren 'Frans' in de school voor rijkswacht- officieren te Etterbeek voor het academiejaar 1995-1996 verdeeld werd tussen haar en de twee voornoemde andere taalleraars (...)".; Gelet op het arrest nr. 107.871 van 17 juni 2002 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee wordt belast het onderzoek van de zaak voort te zetten; IX-1313-1/17 Gezien het bijkomend verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het bijkomend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2004, datum waarop de zaak is uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 17 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAGAE, die verschijnt voor verzoekster, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat voor de gegevens van de zaak verwezen wordt naar het arrest nr. 107.871 van 17 juni 2002; 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat verzoekster thans geen belang meer heeft bij het annulatieberoep, aangezien de minister van Binnenlandse Zaken met een nota van 18 april 2002 vastgesteld heeft dat in het academiejaar 2002-2003 in de officierenschool 2 maal IX-1313-2/17 50 uren tweede taal zou gegeven worden en dat deze uren verdeeld dienden te worden tussen verzoekster en M. STEYAERT; dat zij betoogt dat, door het niet bestrijden van die nieuwe beslissing, welke de vroegere verdeling van de lesuren vervangt en die haar bij brief van 18 april 2002 ter kennis gebracht is, verzoekster haar belang verloren heeft, aangezien de omstandigheden “in rechte dan wel in feite dermate gewijzigd zijn”; 2.2. Overwegende dat de exceptie niet wordt aangenomen; dat, immers, zoals in het arrest nr. 107.871 van 17 juni 2002 is aangestipt, verzoekster op het ogenblik van haar ontslag in het Universitair Centrum te Gent een opdracht had van 190 lesuren; dat, in zoverre het onderzoek van het onderhavige annulatie- beroep tot de vaststelling zou moeten leiden dat de verwerende partij de verplichting had om verzoekster bij het opheffen van haar betrekking als vast benoemd personeelslid in dienst te houden, zij tegenover het bestuur over veel grotere aanspraken beschikt dan de 50 lesuren die haar voor het academiejaar 2002-2003 toegekend zijn; 3.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel, dat gericht is tegen het eerste bestreden besluit -de haar op 9 november 1995 ter kennis gebrachte beslissing om de beëindiging van haar leeropdracht te Gent niet te laten uitlopen op een terbeschikkingstelling of een reaffectatie- in hoofdorde de schending aanvoert van artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967 tot inrichting van de school voor rijkswachtofficieren en tot vaststelling van de bezoldiging van de burgerlijke leraars; dat zij, bijkomend, ook de schending aanvoert van artikel 49 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (hierna: het APKB); IX-1313-3/17 3.1.1. Overwegende dat verzoekster het middel in hoofdorde als volgt adstrueert: zij behoort, ingevolge haar aanstelling van 1 oktober 1985 als taalleraar, tot het statutair burgerpersoneel van de rijkswacht; de verwerende partij geeft aan artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967 tot inrichting van de school voor rijkswachtofficieren en tot vaststelling van de bezoldiging van de burgerlijke leraars, een te restrictieve interpretatie waar zij, op het vlak van haar bezoldigings- regeling, weigert de bepalingen toe te passen die gelden voor het burgerlijk onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School, door met name de ‘bezoldigingsregeling’, waarvan sprake in dat artikel 6, te beperken tot de ‘activiteitswedde’ met uitsluiting van de regeling inzake de wachtweddes of de gelijkaardige vergoedingen bij de opheffing van de benoeming of de ontheffing uit het ambt; 3.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij het subsidiair middel adstrueert als volgt: indien zij zich niet kan beroepen op het statuut van het burgerlijk personeel van de Koninklijke Militaire School, heeft de verwerende partij in ieder geval gehandeld in strijd met de algemene beginselen die aan de rechts- toestand van het personeel in openbare dienst ten grondslag liggen; een van de wezenskenmerken van de tewerkstelling in statutair verband is de vastheid van de betrekking; in dat geval kon de verwerende partij in de afschaffing van de cursus Frans in het Universitair Centrum te Gent een uitzonderlijke reden vinden om haar benoeming op te heffen, maar die opheffing is onwettig in de mate dat erin besloten ligt dat zij geen rechten kan doen gelden op terbeschikkingstelling of reaffectatie; artikel 49 van het APKB bepaalt dat elk statuut een systeem van wedertewerkstel- ling moet bevatten voor de ambtenaren wiens betrekking wordt afgeschaft; aangezien in het APKB het beginsel ingevoegd is dat een ambtenaar die zijn betrekking verliest een systeem van wedertewerkstelling geniet, kan de verwerende partij nog bezwaarlijk beweren dat het recht op terbeschikkingstelling en reaffectatie niet behoort tot de algemene beginselen die de essentie van elke statutaire regeling vormen; IX-1313-4/17 3.2. Overwegende dat de verwerende partij het middel als volgt beantwoordt: de ontstentenis van statutair kader voor de burgerlijke personeelsleden van de rijkswacht belet niet dat een benoeming in statutair verband uitgesloten is; het middel faalt evenwel in feite aangezien verzoekster na de beëindiging van haar aanstelling te Gent een benoeming verkregen heeft te Brussel, wat betekent dat zij de facto gereaffecteerd is en aangezien, wegens die reaffectatie, verzoekster -die zich akkoord verklaard heeft met een gereduceerde opdracht- geen belang heeft bij de oplossing van de vraag of de verwerende partij haar bij de beëindiging van haar opdracht te Gent ter beschikking moest stellen; de algemene beginselen die de rechtstoestand van elk statutair personeelslid in de openbare dienst regelen zijn beperkt tot enkele fundamentele principes “die de essentie vormen van ieder statutair verband”, met name “de benoemingsprocedure en de daarmee verwante procedureproblemen, maar niet het algemeen principe van de disponibiliteit of reaffectatie”; dat beginsel kan dus geen systematische toepassing vinden, ook niet wanneer het in verband wordt gebracht met de vastheid van betrekking, aangezien de Raad van State die vastheid van betrekking niet als een essentieel element van het statutair dienstverband beschouwt waar hij een wedertewerkstelling van een ambtenaar die zijn betrekking heeft verloren slechts verplicht stelt wanneer die wedertewerkstelling in het statuut is voorzien; het beroep op de toepassing van het APKB gaat niet op, aangezien die bepalingen niet van toepassing zijn op het openbaar onderwijs noch op personeelsleden die “een wettelijk statuut” bezitten zoals de burgerlijke leden van het administratief personeel van de rijkswacht en aangezien de bewuste bepalingen uit het APKB in ieder geval een bijkomende regeling noodzaken; ook de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op het burgerlijk onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School voorzien niet in een recht op wachtwedde of een gelijkaardige vergoeding en de verwijzing die voor die personeelsleden wordt gemaakt naar de regeling voor de ambtenaren van de rijksbesturen betekent niet dat ook de regeling betreffende de reaffectatie of wedertewerkstelling -die overigens niet tot het pecuniair statuut behoort- en de zogenaamde wachtwedde wordt overgenomen; een verwijzing naar het statuut van het personeel van het rijksonderwijs, zoals dat in de wet van 16 maart 1994 is gemaakt, is ook niet mogelijk aangezien het onderwijs in de KMS geen onderwijs IX-1313-5/17 is dat georganiseerd is door de gemeenschappen en de KMS een inrichting van hoger onderwijs is; 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord ten aanzien van het in hoofdorde uiteengezette middel repliceert als volgt : - er is nergens een aanwijzing te vinden dat de stellers van het koninklijk besluit van 7 januari 1967 de taalleraars in de rijkswachtschool voor de bezoldigings- regeling sensu strictu wel gelijkgesteld zouden hebben met de burgerleraars van de KMS, terwijl zij voor “alle overige materies enkel onder toepassing zouden vallen van de algemene beginselen die aan de rechtstoestand van het personeel in openbare dienst ten grondslag liggen”; in ieder geval zouden zij daarmee het gelijkheidsbeginsel geschonden hebben omdat het onderscheid niet objectief en redelijk verantwoord kan worden; - de gelijkschakeling, door artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967, van de bezoldiging van de burgerlijke leraars van de militaire school en de taalleraars van de officierenschool van de rijkswacht geldt voor al hetgeen bedoeld is in artikel 4 van de wet van 16 maart 1994 en de daar vermelde opsomming is dermate ruim dat daarin alle vergoedingen begrepen zijn die kunnen verschuldigd zijn voor de toepassing van de mobiliteitsregeling wanneer het ambt wordt opgeheven; in ieder geval laat artikel 4 niet toe te besluiten dat de wetgever de mobiliteitsregeling van de rijksambtenaren niet van toepassing zou hebben willen maken op de personeelscategorieën waarop die bepaling betrekking heeft; - de verwerende partij schept geen duidelijkheid over de vraag of verzoekster onder een specifiek statuut valt en of “de vastheid van betrekking met als inherent corrolarium de mobiliteitsregelen” behoort tot de algemene beginselen die van toepassing zijn op de ambtenaren die geen geregeld statuut hebben; - de ontstentenis van regeling van de administratieve toestand van een ambtenaar betekent niet dat de ambtenaar rechteloos is, aangezien dan de algemene beginselen gelden die aan de rechtstoestand van het overheidspersoneel ten grondslag liggen, zoals de vastheid van de bediening; IX-1313-6/17 - zij wil het recht op reaffectatie en terbeschikkingstelling erkend zien en door zich akkoord te verklaren met haar reaffectatie naar Brussel heeft zij aan haar rechten niet verzaakt; - de ontstentenis van statutaire regeling op het vlak van terbeschikkingstelling en reaffectatie laat de overheid niet toe zich tegenover een bepaalde categorie ambtenaren anders te gedragen dan tegenover personeelsleden die wel over dergelijk statuut beschikken; 3.4. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog nader ingaat op het subsidiair aangevoerd middel; dat zij benadrukt dat het beginsel van de terbeschikkingstelling van ambtenaren die hun betrekking verliezen wel degelijk een fundamentele regel is die verbonden is met de statutaire aard van de tewerk- stelling, aangezien artikel 87, § 4, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen bepaalt dat de algemene beginselen van het administratief en geldelijk statuut van het rijkspersoneel, die door de Koning zullen worden bepaald, ook van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten en aangezien het koninklijk besluit van 26 september 1994 -thans het koninklijk besluit van 22 december 2000- in artikel 49 stelt dat het statuut “een procedure van wedertewerkstelling (bepaalt) van de ambtenaren wier betrekking wordt afgeschaft”; dat zij erkent dat dit koninklijk besluit als zodanig niet op haar van toepassing is, maar dat erin bevestigd wordt dat het beginsel van de wedertewerkstelling een algemeen beginsel is dat op haar situatie toegepast dient te worden; dat zij voorts herhaalt dat haar nieuwe benoeming te Brussel haar niet de voordelen verschaft die zij in geval van reaffectatie zou hebben verkregen; 3.5.1. Overwegende dat, in zoverre de verwerende partij betoogt dat de feitelijke reaffectatie, die verzoekster met haar aanstelling in de rijkswachtschool te Brussel gekregen heeft, tot gevolg heeft dat zij er geen belang meer bij heeft vastgesteld te zien dat zij, bij haar ontslag uit de school in Gent, ter beschikking gesteld had moeten worden, die redenering niet bijgevallen kan worden; dat de verwerende partij immers niet aantoont dat de wederzijdse rechten en verplichtingen van de partijen die haar tewerkstelling in Brussel regelen, niet van elkaar verschillen IX-1313-7/17 naar gelang die tewerk-stelling beschouwd wordt als een volledig nieuwe benoeming dan wel als het gevolg van een terbeschikkingstelling en reaffectatie uit de betrekking te Gent; 3.5.2. Overwegende dat het koninklijk besluit van 7 januari 1967 tot inrichting van de School voor rijkswachtofficieren en tot vaststelling van de bezoldiging van de burgerlijke leraars, de volgende voor de onderhavige zaak relevante bepalingen bevat : - artikel 3, eerste lid : “De burgerlijke leden van het onderwijzend personeel bestaan uit hoogleraars en docenten, wier onderwijs van universitair niveau is, evenals meesters wier onderwijs van hoger niet-universitair niveau is.” - artikel 4, eerste lid : “De burgerlijke leden van het onderwijzend personeel worden door de Koning benoemd en van hun ambt ontheven.” - artikel 5 : “De benoeming van de burgerlijke leden van het onderwijzend personeel is aan volgende voorwaarden onderworpen: (...) Niemand kan tot meester worden benoemd tenzij hij houder is van een universitair diploma afgeleverd na ten minste vier jaar studies. (...).” - artikel 6, tweede lid : “De meesters bekomen dezelfde bezoldigingsregeling als deze bepaald voor de taalleraars (Nederlands of Frans) aan de Koninklijke Militaire School.” Overwegende dat de partijen geen melding maken van enig ander reglement waarin de rechtstoestand van de taalleraars uitdrukkelijk nader wordt geregeld, inzonderheid op het vlak van de ambtsontheffing; 3.5.3. Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoekster, als lerares Frans, deel uitmaakte van het statutair burgerpersoneel van de rijkswacht- school te Gent; dat uit het administratief dossier ook blijkt dat zij daar vast benoemd IX-1313-8/17 was in een betrekking van meester (taalleraar) met onvolledige prestaties; dat haar rechtstoestand geregeld werd door het koninklijk besluit van 7 januari 1967; dat zij niet betoogt dat de bepalingen van het statuut van het rijkspersoneel op haar van toepassing zijn; Overwegende dat de partijen wel van mening verschillen over de draagwijdte van de verwijzing, in artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967, naar de “bezoldigingsregeling” van de taalleraars in de Koninklijke Militaire School; dat verzoekster aan de verwerende partij verwijt dat zij dat begrip ten onrechte beperkt tot de ‘activiteitswedde’, dat zij geen rekening houdt met de andere regelingen waarin het statuut van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School voorziet en dat bijgevolg het bestreden besluit, waar het die restrictieve interpretatie aanhoudt, artikel 6 miskent; 3.5.4. Overwegende dat de reglementering inzake de personeelsstatuten bij het openbaar ambt traditioneel het begrip ‘administratief statuut’, waarin de relatie tussen de overheid en zijn ambtenaren nader wordt bepaald, onderscheidt van het begrip ‘bezoldigingsregeling’ of ‘geldelijk statuut’, waarin de financiële aspecten van het dienstverband geregeld worden; dat bepalingen die de terbeschik- kingstelling of de reaffectatie van het personeel mogelijk maken en nader regelen niet behoren tot het geldelijk maar tot het administratief statuut; Overwegende dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967 verwijst naar ‘de bezoldigingsregeling’ van de taalleraars in de militaire school en dus naar het geldelijk statuut; dat die bepaling duidelijk is en dat in de uiteen- zetting van verzoekster geen argumenten worden gevonden om, tegen die duidelijke tekst in, de gelijkschakeling van de taalleraars van de officierenschool van de rijkswacht met de taalleraars van de Koninklijke Militaire School voor wat betreft de financiële aspecten van hun dienstverband, uit te breiden tot de bepalingen van het administratief statuut; dat verzoekster overigens niet aantoont dat voor het burgerlijk onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School een regeling van terbeschikkingstelling en reaffectatie uitgewerkt is noch welk voordeel zij IX-1313-9/17 daaruit zou kunnen halen; dat een en ander doet besluiten dat de minister, door in zijn brief van 9 november 1995 aan verzoekster te stellen dat er “geen specifiek statutair regime bestaat voor [de terbeschikkingstelling of de wedertewerkstelling van] de burgerlijke leden van het onderwijzend personeel van de school voor rijkswachtofficieren”, een correcte interpretatie gegeven heeft aan artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967; 3.5.5.1. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord echter betoogt dat de door artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967 ingestelde gelijkschakeling, op het vlak van de bezoldigingsregeling, van de meesters uit de rijkswachtschool met de taalleraars van de militaire school, geldt voor alle aangelegenheden bedoeld in artikel 4 van de wet van 16 maart 1994, terwijl de in die bepaling vermelde opsomming zo ruim gesteld is dat zij ook betrekking heeft op vergoedingen die de Staat verschuldigd is in het kader van de mobiliteitsregeling bij de opheffing van het ambt en dat ook om die reden de verwerende partij volgens haar een te restrictieve interpretatie gegeven heeft aan artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967; 3.5.5.2. Overwegende dat artikel 4 van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School, een aantal regelingen bevat met betrekking tot het geldelijk statuut van onder meer “de taalleraren (

  1. en)de eerstaanwezend taalleraren”; dat die bepalingen volgen op de regeling, in artikel 3 van de wet, van het admini- stratief statuut van onder meer de taalleraren; dat artikel 4, zesde lid, van de wet luidt als volgt : “De in artikel 1, § 1, bedoelde leden van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School genieten in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden, de toelagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen welke aan de personeelsleden van de Rijksbesturen worden toegekend, met inbegrip van de kinderbijslag en de geboortetoelage.”; IX-1313-10/17 3.5.5.3. Overwegende dat, daargelaten de vraag of verzoekster, met de verwijzing naar de miskenning van artikel 4 van de wet van 16 maart 1994, geen andere grondslag geeft aan haar eerste middel en zij aldus een nieuw middel aanvoert dat niet van openbare orde is en dat in het verzoekschrift aangevoerd had kunnen worden, vastgesteld moet worden dat ook artikel 4 van de wet van 16 maart 1994 uitsluitend betrekking heeft op het geldelijk statuut van de taalleraren in de militaire school, terwijl de problematiek die zich te dezen stelt precies betrekking heeft op het administratief statuut, meer bepaald de vraag of de meesters uit de rijkswachtschool door een reglementaire bepaling beschermd worden tegen het verdwijnen van hun betrekking of een vermindering van hun opdracht; dat bij gebrek aan uitdrukkelijke bepaling waarbij de betrokken meesters onderworpen worden aan het administratief statuut van de taalleraren in de Koninklijke Militaire School, verzoekster in artikel 4, zesde lid, van de wet van 16 maart 1994 geen rechtsgrond kan vinden om de verwerende partij te dwingen haar ter beschikking te stellen en haar de geldelijke voordelen toe te kennen die daarmee verbonden zijn; 3.5.6. Overwegende dat, waar verzoekster in haar memorie van wederantwoord ook nog stelt dat het uitsluiten van de meesters in de rijkswachtschool van het administratief statuut van de meesters in de Koninklijke Militaire School, terwijl die gelijkschakeling wel wordt doorgevoerd voor het geldelijk statuut, niet is kunnen gebeuren zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, zij daarmee de wettigheid van artikel 6 van het koninklijk besluit van 7 januari 1967 in vraag stelt; dat te dien aanzien, ook hier daargelaten de vraag of verzoekster daarmee geen nieuw middel aanbrengt dat niet van openbare orde is, vastgesteld wordt dat verzoekster de schending van het gelijkheidsbeginsel legt in de ontstentenis van reglementering voor de categorie waartoe zij behoort; dat de Raad van State zich, door het bestreden besluit onwettig te bevinden, in de plaats zou stellen van het bestuur dat op het vlak van de vaststelling van het statuut over een discretionaire bevoegdheid beschikt en een vernietiging van artikel 6, in de mate dat het niet verwijst naar het administratief statuut van het personeel van de Koninklijke Militaire School, aan verzoekster geen rechten toekent, maar enkel een IX-1313-11/17 richtlijn vormt voor het bestuur; dat verzoekster zich niet nuttig kan beroepen op de schending van het gelijkheidsbeginsel; 3.6.1. Overwegende, wat het subsidiair middel betreft, dat een ambtenaar geen recht heeft op het behoud van zijn betrekking; dat het bestuur, vanuit zijn opdracht om het algemeen belang te verzekeren en steunend op het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst, daar discretionair over beslist; dat te dezen verzoekster niet betwist dat haar ontslag te wijten is aan de beslissing van de verwerende partij om de cursus Frans in het Universitair Centrum te Gent af te schaffen en de taalcursussen nog enkel te organiseren in de school te Etterbeek; dat haar ontslag dus steunt op de opheffing van haar betrekking, waartegen zij geen bezwaar maakt; 3.6.2. Overwegende dat, onder het oogpunt van het beheer van de openbare dienst, het belang van de dienst primeert op het persoonlijk belang van de ambtenaar; dat de vastheid van betrekking, die verbonden is met het statutair regime waarin een ambtenaar tewerkgesteld is, het bestuur er niet toe verplicht een ambtenaar in dienst te houden wanneer zijn betrekking niet meer bestaat; dat die vastheid van betrekking immers geen algemeen beginsel is dat het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst overstijgt, maar enkel een geheel van waarborgen die in verscheidene personeelsstatuten worden ingebouwd als tegengewicht voor de eenzijdige vaststelling, door het bestuur, van de rechtstoestand van zijn ambtenaren; dat het geen algemeen beginsel van het personeelsbeheer in overheidsdienst is dat de hoedanigheid van ambtenaar behouden blijft bij de opheffing van zijn betrekking; dat dus, bij ontstentenis van waarborgen ingeschre- ven in het statuut, het bestuur vermag de arbeidsrelatie met een ambtenaar wiens betrekking opgeheven wordt, definitief te verbreken; 3.6.3.1. Overwegende dat verzoekster daarbij verwijst naar artikel 49 van het APKB -bepaling die inmiddels vervangen is door artikel 22 van het koninklijk besluit van 22 december 2000-, waarin ter uitvoering van artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervormingen der instellingen, gesteld wordt IX-1313-12/17 dat de statuten, die de Gemeenschappen en de Gewesten voor hun ambtenaren kunnen vaststellen, een procedure van wedertewerkstelling moeten bevatten voor de ambtenaren wier betrekking wordt afgeschaft en dat de ambtenaar in reaffectatie zijn rechten op wedde en loopbaanaanspraken behoudt; dat artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de Koning opgedragen heeft vast te stellen welke “algemene principes van het administratief statuut van het rijkspersoneel van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten”; dat verzoekster niet zozeer van oordeel is dat artikel 49 van het APKB haar een recht verleent op reaffectatie, wedertewerkstelling of wachtgelden -wat overigens niet het geval is aangezien zij, als burgerleraar aan de rijkswachtschool, geen ambtenaar is van het Rijk noch van de Gemeenschap of het Gewest- maar wel dat de Koning, door de Gemeenschappen en de Gewesten er met die bepaling toe te verplichten een regeling over de reaffectatie in het statuut van hun personeel op te nemen, het bestaan van een fundamentele regel voor de tewerk- stelling in openbare dienst erkend heeft; 3.6.3.2. Overwegende dat het APKB een aantal regels bevat voor de besturen die sinds de staatshervorming autonoom het statuut van hun personeel kunnen vaststellen; dat die besturen aldus verplicht zijn in een regime van wedertewerkstelling te voorzien voor de ambtenaar wiens betrekking wordt opgeheven; dat met een dergelijke bepaling de vastheid van betrekking van de betrokken ambtenaren wordt gerealiseerd; dat verzoekster evenwel ten onrechte stelt dat die verplichting niets anders is dan de opname in de formele rechtsorde van een algemeen rechtsbeginsel; dat immers, zoals hoger gesteld, de vastheid van betrekking geen algemeen rechtsbeginsel is dat, als inherent aan het verkrijgen van de hoedanigheid van overheidsambtenaar en buiten elke statutaire bepaling om, het bestuur verbiedt een ambtenaar zijn hoedanigheid te ontnemen wanneer zijn betrekking wordt afgeschaft, doch een begrip is dat in het personeelsstatuut nader uitgewerkt moet worden; dat met andere woorden het APKB, waar het de wedertewerkstelling in geval van afschaffing van de betrekking verplicht stelt, precies de vastheid van betrekking organiseert; dat verzoekster zich op geen dergelijke statuutbepaling kan beroepen; dat de verwerende partij geen bepaling IX-1313-13/17 heeft miskend die aan verzoekster het recht verleende de hoedanigheid van ambtenaar te behouden; 3.7. Overwegende dat het middel in geen enkel opzicht gegrond is; 4. Overwegende dat uit het niet-gegrond bevinden van het eerste middel volgt dat de verwerende partij geen rechtsgrond had om verzoekster, bij het verdwijnen van haar betrekking te Gent, verder in dienst te houden en haar het voordeel van een terbeschikkingstelling of wedertewerkstelling te verlenen; dat zij dan ook terecht op 9 november 1995 aan verzoekster medegedeeld heeft dat verzoekster geen specifiek statuut genoot en dat geen algemeen rechtsbeginsel haar verplichtte verzoekster in dienst te houden; dat, aangezien die mededeling de rechtstoestand van verzoekster niet gewijzigd heeft, de verwerende partij terecht aanvoert dat het beroep, in zoverre het tegen die mededeling gericht is, niet ontvankelijk ratione materiae is; 5.1. Overwegende, wat de tweede bestreden beslissing betreft, dat in het arrest nr. 107.871 van 17 juni 2002 vastgesteld werd dat het beroep gericht is tegen het besluit van 7 augustus 1995 van de commandant van de rijkswacht om haar in de rijkswachtschool te Brussel “een minimum (
  2. te)verzekeren. Hoeveel te bepalen” en van de daarbij aansluitende beslissing om het aantal uren dat op 1 september 1995 beschikbaar was derwijze over de drie gegadigden te verdelen dat zij slechts 60 uren toegewezen kreeg; dat in datzelfde arrest ook vastgesteld werd dat het actueel belang van verzoekster bij de vernietiging van die beslissing -hoewel zij enkel gold voor het academiejaar 1995-1996- gelegen is in het feit dat de verwerende partij ook bij de toekenning van lestijden gedurende de volgende academiejaren het criterium gehanteerd blijkt te hebben dat verzoekster -niet meer dan- een “minimum” zou krijgen; dat die vaststelling niet ontkracht wordt door het feit dat, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert, er voor het academiejaar 2002-2003 een nieuwe verdeling ingevoerd is waarbij de op dat ogenblik beschikbare uren voor het onderricht tweede landstaal -vijftig uur voor elke taal- “verdeeld” zijn tussen verzoekster en M. STEYAERT; dat, immers, uit de IX-1313-14/17 nota van 18 april 2002 niet blijkt hoe die “verdeling” tussen de twee leraars is gebeurd; dat niet aangetoond is dat die oorspronkelijke opstelling van de comman- dant van de rijkswacht thans geen invloed meer heeft op de opdracht van verzoek- ster; 5.2. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel aanvoert dat de beslissing betreffende de verdeling van de lesuren voor het academiejaar 1995-1996, niet uitdrukkelijk gemotiveerd is, wat een schending uitmaakt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen; dat volgens haar de verwerende partij ook de materiële motiverings- verplichting geschonden heeft aangezien zij in het administratief dossier van de zaak de bewijzen niet heeft neergelegd dat het besluit steunt op motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn; 5.3. Overwegende dat de verwerende partij het middel als volgt beantwoordt: verzoekster werd uitvoerig ingelicht over de motieven die aan het besluit ten grondslag liggen -de hervorming van het taalonderricht in de officieren- school, ingegeven door budgettaire redenen; zij heeft zich op 20 juli 1995 zelfs akkoord verklaard heeft met een vermindering van haar opdracht en een tewerk- stelling te Brussel- en de nieuwe personeelsformatie is, bekeken vanuit het zuinigheidsbeginsel, functioneel verantwoord; uit het dossier blijkt ook dat bij het treffen van het bestreden besluit rekening gehouden is met de houding van verzoekster in het verleden en met de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten en dat het manifest tegen het dienstbelang zou ingegaan hebben indien de voorkeur ware gegeven aan verzoekster die bij vorige opdrachten slechts matig voldoening heeft gegeven; 5.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van weder- antwoord, samengevat, betoogt wat volgt: het is “al te kras” dat de verwerende partij beweert dat zij de motieven van het bestreden besluit kent, terwijl zij zelf geen besluit overlegt en derhalve geen enkel bewijs van een formele motivering levert; zij is geconfronteerd met een zeer drastisch besluit waarbij haar opdracht, die zij als IX-1313-15/17 hoofdopdracht vervult, in Brussel -60 uren- sterk verminderd wordt ten opzichte van haar opdracht in Gent -190 uren- terwijl de twee andere taalleraars elders reeds een volledige opdracht hebben en zij een grotere anciënniteit heeft; de verwerende partij poogt verwarring te scheppen tussen de motieven die aan de grondslag liggen van de hervorming van het taalonderricht en welke de toekenning van de verschillende lesopdrachten ondersteunen; van het laatstgenoemd besluit worden geen motieven gegeven; hoe dan ook kan de verwerende partij zich niet beroepen op het zuinigheidsbeginsel om haar verplichtingen tegenover verzoekster te ontlopen, kan uit de omstandigheid dat zij indertijd om familiale redenen ervoor gekozen heeft om niet full-time te werken haar nu niet ten kwade worden geduid en blijkt nergens uit dat zij in het verleden slechts matig zou gepresteerd hebben; ook de beslissing van 7 augustus 1995 van de commandant van de rijkswacht om aan verzoekster een “minimum” aantal lesuren te verlenen -dat bleek vervolgens om 60 uren te gaan- kan de grondslag niet vormen voor het bestreden besluit, want die beslissing bevat geen nadere uitleg en laat alleen veronderstellingen toe over de motieven ervan; 5.4.1. Overwegende dat de verwerende partij geen besluit voorlegt betreffende de verdeling van de lesuren Frans voor het academiejaar 1995-1996; dat zij derhalve ook geen bewijs levert van de formele motivering van dat besluit, hoewel daarmee de individuele rechtstoestand van de betrokken taalleraars werd bepaald; dat de verwerende partij ook niet aantoont dat aan verzoekster langs andere kanalen terdege kennis gegeven werd van de concrete redenen waarom de commandant van de rijkswacht haar slechts een minimale opdracht wilde toekennen en waarom dat minimum vervolgens bepaald is op 60 uren; dat de verwerende partij verzoekster aldus in het ongewisse gelaten heeft over de redenen die haar tot het bestreden besluit hebben gebracht; dat zij zodoende de formele motiveringswet geschonden heeft; dat bij gebrek aan zicht op de motieven die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, de Raad van State niet kan nagaan of de gegevens waarnaar de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst en waarvan zij de bewijzen in het administratief dossier neergelegd heeft, naar recht en redelijkheid het bestreden besluit kunnen ondersteunen; dat in die zin ook de materiële motiveringsverplichting geschonden is; dat het middel gegrond is, IX-1313-16/17 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 7 augustus 1995 van de commandant van de rijkswacht om aan Anne-Marie TASSON een minimum aantal lestijden toe te wijzen en van de daarmee verbonden beslissing om haar lestijden- pakket voor het academiejaar 1995-1996 op zestig vast te stellen. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1313-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.309 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.871 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.085 ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.