id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.312 Rolnummer: A. 86375/IX-2003 Zaak: Arrest 142312 - - 17/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:59 Fiche Arrest nr 142.312 van 17 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.312 van 17 maart 2005 in de zaak A. 86.375/IX-
- In zake : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van LEUVEN tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. tussenkomende partij : Viviane FIERENS, wonende te KESSEL-LO, K. Schurmansstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van LEUVEN op 27 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 29 juni 1999 door de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij het hoger beroep wordt ingewilligd dat Viviane FIERENS heeft ingediend tegen het besluit van 21 januari 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende de goedkeuring van het besluit van 3 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Leuven waarbij aan voornoemde met ingang van 4 december 1998 bij tuchtmaatregel een schorsing van drie maanden wordt opgelegd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 8 december 1999; Gelet op de beschikking van 15 maart 2000 die de tussenkomst van Viviane FIERENS toelaat; IX-2003-1/16 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 24 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 februari 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. LAMBRECHT, die loco advocaat Th. HOSCHET verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. TRIAU, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-2003-2/16
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Viviane FIERENS is als vastbenoemde gezins- en bejaardenhelpster in dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna: OCMW- van Leuven. Zij is tewerkgesteld in het rust- en verzorgingstehuis E. REMY . 1.
- Met een brief van 20 oktober 1998 aan de secretaris van het OCMW van Leuven maakt de directrice nursing van het rust-en verzorgingstehuis E. REMY haar beklag over het gedrag van de tussenkomende partij. Zij deelt mede dat zij sedert enkele weken van hoofdverpleegkundige Monique COLLIN en afdelingsgeneesheer Luc HERROELEN verneemt dat het betrokken personeelslid geen blijk geeft van respect en normering in taalgebruik en houding ten opzichte van bewoners, collega’s en leidinggevenden, dat haar gedrag als zeer vulgair wordt ervaren en inbreuk pleegt tegen alle regels van een kwaliteitsvolle dienstverlening en dat de hoofdverpleegkundige reeds meerdere vergeefse inspanningen heeft gedaan om dat gedrag te voorkomen. Ter staving voegt de directrice nursing een verklaring van 18 oktober 1998 van de hoofdverpleegkundige en een verklaring van 19 oktober 1998 van de afdelingsgeneesheer toe. De hoofdverpleegkundige maakt melding van een aantal concrete tekortkomingen van de tussenkomende partij. De afdelingsgeneesheer van zijn kant meldt dat hij in het bijzijn van een stagiaire het voorwerp is geweest van domme persoonlijke opmerkingen aan zijn adres vanwege de tussenkomende partij. 1.
- Met een aangetekende brief van 13 november 1998 wordt de tussenkomende partij door de voorzitter en de secretaris van het OCMW van Leuven IX-2003-3/16 opgeroepen om, met het oog op het eventueel opleggen van een tuchtstraf, op 3 december 1998 hierover door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. 1.
- De secretaris stelt op 27 november 1998 een verslag op betreffende de ondervraging van de tussenkomende partij en haar collega’s over de feiten die zijn vermeld in de verklaringen van de hoofdverpleegkundige en de afdelingsgeneesheer. De secretaris stelt voor aan de tussenkomende partij een tuchtsanctie op te leggen die kan gaan van een schorsing van 3 maanden zonder wedde tot zelfs de afzetting, vermits haar gedrag, de taal en de houding ethisch en deontologisch onverantwoord en totaal onaanvaardbaar zijn in de dienstverleningssector. 1.
- Op 3 december 1998 wordt de tussenkomende partij door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. De hoofdverpleegkundige, die op vraag van de tussenkomende partij is opgeroepen om als getuige door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord, verklaart aan die oproeping geen gevolg te willen geven. 1.
- Tijdens de zitting van 3 december 1998 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn aan de tussenkomende partij met ingang van 4 december 1998 bij tuchtmaatregel een schorsing zonder wedde gedurende drie maanden op te leggen, met dien verstande dat aan de betrokkene tijdens de duur van de schorsing een netto-inkomen gelijk aan het bestaansminimum wordt gegarandeerd. Het tuchtbesluit verwijst in zijn aanhef naar de feiten vermeld in de verslagen van hoofdverpleegkundige Monique COLLIN en directrice nursing Ann KIEBOOMS, namelijk “haar onaangepast gedrag en ongewenste intimiteiten met mannelijke personeelsleden, het vertellen van vulgaire moppen aan een resident, IX-2003-4/16 haar persoonlijke opmerkingen aan het adres van de afdelingsgeneesheer, het niet respecteren van haar meerdere en het niet correct geven van informatie aan de families van de residenten”. Het dispositief van het tuchtbesluit vermeldt voorts dat het gedrag, de taal en de houding van de tussenkomende partij ethisch en deontologisch onverantwoord en totaal onaanvaardbaar zijn in de dienstverleningssector . 1.
- Op 17 december 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een gunstig advies over dit tuchtbesluit en op 21 januari 1999 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant haar goedkeuring. 1.
- Met brieven van 12 en 15 februari 1999 stelt de tussenkomende partij tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie hoger beroep in, respectievelijk bij de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn en bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden . 1.
- Op 29 juni 1999, na verlenging van de termijn om uitspraak te doen en nadat de verzoekende en de tussenkomende partij door een gemachtigde ambtenaar werden gehoord, neemt de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn het thans bestreden besluit waarbij het beroep van de tussenkomende partij tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie wordt ingewilligd. Dat besluit steunt op de volgende overwegingen : “Overwegende dat[verzoekster] een deel van ten laste gelegde feiten ontkent en plaatst binnen de, volgens haar, juiste context; Overwegende dat wat de ongewenste intimiteiten betreft, betrokkene stelt dat de collega zelf voorstellen deed aan haar, waar ze niet op inging; dat ze tijdens een gesprek hierover met die collega, hem trachtte af te houden door te zeggen dat ze nog liever met een andere collega zou beginnen die toevallig passeerde en dat ze binnen de context van dit gesprek zei dat ze wou wedden dat het zou lukken; dat die uitlating van betrokkene binnen die context moeilijk voor waar of ernstig kan genomen worden; IX-2003-5/16 Overwegende dat niet duidelijk is wiens broek betrokkene zou hebben losgerukt; dat zij wel eens gezegd heeft tegen een collega die hartpatiënt is dat hij tijdens warme zomerdagen zijn spannende kleren moet losser maken; dat de getuigenissen hier niets aan toevoegen; dat wel wordt gezegd dat betrokkene vulgaire moppen vertelde maar dat niet werd vastgesteld dat ze de mannelijke collega's lastig viel; Overwegende dat in het tuchtbesluit op geen enkele wijze wordt gerepliceerd op het argument van betrokkene; dat slechts verwezen wordt naar het verslag van de secretaris zonder meer; dat indien die verwijzing betekent dat het tuchtbesluit de inhoud en de argumentatie van dit verslag voor waar overneemt dit eveneens betekent dat aan het standpunt van de betrokkene, eveneens vermeld in dit verslag, dezelfde waarde moet worden gegeven, althans indien in het tuchtbesluit hierover geen uitleg, weerlegging of motivering wordt vermeld zoals in casu; Overwegende dat in die omstandigheden, zonder nadere uitleg door de tuchtoverheid de feiten die betrokkene worden aangewreven onder de rubriek "onaangepast gedrag en ongewenste intimiteiten met mannelijke collega's", niet zonder meer kunnen aangenomen worden of als bewezen kunnen beschouwd worden; dat het aan de tuchtoverheid toekwam om nader te preciseren of te onderzoeken of de feiten inderdaad niet uit hun context zijn genomen zoals betrokkene beweert; dat noch het verslag van de secretaris, noch de getuigenissen hierin opgenomen, hierover duidelijkheid geven; Overwegende dat betrokkene ten laste wordt gelegd dat zij vulgaire moppen vertelt aan mannelijke residenten om ze seksueel op te winden; dat getuigen bevestigen dat zij een ongepast taalgebruik hanteerde tegenover de mannelijk residenten; dat betrokkene toegeeft dat zij haar collega's op de hoogte bracht van de seksuele opwinding van een resident; dat uit niets blijkt dat zij vulgaire moppen vertelt aan residenten; dat een collega wel verklaart dat zij dit deed onder collega's zoals betrokkene ook toegeeft met de melding dat ook anderen dit doen; dat de tenlastelegging genuanceerder is dan de feiten die zich volgens de verschillende verklaringen hebben voorgedaan; dat het ten laste gelegde feit op zich niet bewezen wordt geacht in die omstandigheden; Overwegende dat haar ongepast gedrag wordt verweten in de leefruimte van E2, zoals onbetamelijke dingen zeggen tegen residenten, de muziek luid zetten, hevig dansen; dat volgens de getuigenissen moet aangenomen worden dat betrokkene zich soms ongepast uitliet tegen residenten, maar dat in het dossier hiervan geen enkele concrete illustratie wordt gegeven, dat indien dit regelmatig het geval zou zijn toch mag verwacht worden dat die tenlastelegging concreet zou geïllustreerd worden; Overwegende dat niet wordt ingezien hoe de tuchtoverheid hierover kan oordelen indien zij niet beschikt over concreet feitenmateriaal; dat betrokkene immers ontkent zich ongepast te gedragen; dat zij toegeeft sketches op te voeren en dat de muziek hard stond omwille van de hardhorigheid van de residenten; dat hiermee door de tuchtoverheid geen rekening wordt gehouden; Overwegende dat betrokkene kennelijk onder invloed zou zijn geweest op een tuinfeest; dat de voorwaardelijke wijze waarop die aantijging geformuleerd is alleen aangeeft dat dit feit niet met zekerheid vaststaat; IX-2003-6/16 Overwegende dat betrokkene ongepaste opmerkingen maakte tegen de afdelingsgeneesheer; dat zij dit toegeeft en ook heeft ingezien vermits zij de volgende dag haar verontschuldigingen heeft aangeboden die door de geneesheer werden aanvaard; dat dit feit bewezen is maar dat niet blijkt om welke reden met haar verontschuldiging geen rekening werd gehouden; Overwegende dat betrokkene haar meerdere niet zou respecteren omdat ze haar de bijnaam "kabouter Plop" gaf; dat betrokkene zegt dat die bijnaam niet van haar kwam maar een collega die zij met naam noemt; dat de tuchtoverheid hier niet de minste uitspraak over doet; Overwegende dat betrokkene ten laste wordt gelegd dat zij verkeerde informatie doorgeeft aan de families van residenten; dat betrokkene het concreet ten laste gelegde feit over mevrouw Lefèvre ontkent en zelfs beschrijft hoe het contact met de familie van die dame wel is verlopen; dat de tuchtoverheid het standpunt van betrokkene niet in overweging neemt en ook niet toetst op zijn juistheid; Overwegende dat het tuchtbesluit van de OCMW-raad van Leuven van 3 december 1998 geen uitspraak doet over de argumenten van de verdediging; dat weliswaar een specifieke weerlegging van die argumenten niet vereist is maar dat wel aan de hand van het tuchtbesluit duidelijkheid moet verkregen worden welk gevolg wordt gegeven aan de standpunten van de verdediging; Overwegende dat niet wordt ingezien welk nut het heeft de betrokkene te horen indien geen rekening wordt gehouden met haar verdedigingsmiddelen; dat zelfs niet op formele wijze wordt gereageerd op haar argumenten; dat het tuchtbesluit van 3 december 1998 dan ook niet beantwoordt aan de vereiste van de motiveringsplicht voor tuchtbesluiten bepaald in het artikel 305, §3 van de nieuwe gemeentewet; dat in die omstandigheden geen duidelijkheid bestaat over de ten laste gelegde feiten; Overwegende dat op zijn minst kan verwacht worden dat zekerheid wordt geboden over de juistheid van die feiten en dat de betrokkene weet waarom de waardigheid van haar beroep in het gedrang werd gebracht, quod non; dat die regel niet alleen steeds maar ook voornamelijk nauwgezet moet gerespecteerd worden indien de tuchtoverheid het nodig acht een zware tuchtsanctie op te leggen zoals in casu; Overwegende dat om de bovenvermelde redenen het beroep door mevrouw Viviane Fierens ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 21 januari 1999 wordt ingewilligd;”. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij als middel vooreerst aanvoert dat het bestreden besluit is genomen met machtsoverschrijding, doordat het ten onrechte stelt dat de feiten op grond waarvan aan de tussenkomende partij een tuchtstraf werd opgelegd, niet zijn aangetoond en doordat de argumenten die het ontwikkelt, onverenigbaar zijn met de gegevens van het dossier; dat zij betoogt dat uit het verslag van de secretaris en uit de verklaringen van de directrice nursing en van de hoofdverpleegkundige blijkt dat het gedrag van de tussenkomende partij niet IX-2003-7/16 kan worden geaccepteerd, noch in de dienstverleningssector in het algemeen, noch in het rust- en verzorgingstehuis E. REMY in het bijzonder en dat de secretaris verscheidene collega’s van de tussenkomende partij heeft ondervraagd, waarbij alle door de directrice nursing en de hoofdverpleegkundige geuite klachten werden bevestigd; dat zij voorts laat gelden dat het bestreden besluit ten onrechte steunt op de overweging dat het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn niet is gebaseerd op afdoende bewezen feiten; dat zij daarbij uiteenzet dat de secretaris na de ontvangst van de klachten over het gedrag van de tussenkomende partij is overgegaan tot het verhoor van alle betrokkenen en vervolgens aan de tussenkomende partij de gelegenheid heeft geboden haar standpunt kenbaar te maken; dat zij, gelet op de eensluidendheid van alle getuigenverklaringen, tot de overtuiging is gekomen dat de feiten bewezen waren en dat het derhalve passend voorkwam de tussenkomende partij bij tuchtmaatregel te sanctioneren; dat zij er ook op wijst dat de tussenkomende partij enkel de hoofdverpleegkundige als getuige heeft laten oproepen, maar niet om het verhoor van andere getuigen heeft verzocht; dat volgens de verzoekende partij het dossier derhalve zeer volledig was samengesteld en het als een afdoende bewijs kon worden beschouwd, terwijl de verwerende partij het aldus geleverde bewijs niet correct heeft ingeschat en ten onrechte naast zich heeft neergelegd; dat de verzoekende partij voorts uiteen zet dat het bestreden besluit de verklaringen van M. RANS en Y. RIVIERE miskent, evenals -in het algemeen- de bewijswaarde van de gelijkluidende getuigenverklaringen, wijl het ervan uitgaat dat de verklaring van de tussenkomende partij evenveel waarde heeft als de verklaringen van de getuigen die door de secretaris werden ondervraagd; dat zij ten slotte laat gelden dat het bestreden besluit ten onrechte aan het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn verwijt geen uitleg, weerlegging of motivering te bevatten met betrekking tot het standpunt van de tussenkomende partij over de haar ten laste gelegde feiten, dat de tussenkomende partij bij het opstellen van het verslag van de secretaris werd betrokken en bij die gelegenheid alle getuigenverklaringen heeft kunnen weerleggen, dat de tussenkomende partij niet wenste dat buiten de hoofdverpleegkundige nog iemand werd gehoord en dat het dossier derhalve op geen enkele manier nog kon worden vervolledigd; dat volgens de verzoekende partij IX-2003-8/16 het groot aantal getuigenissen en klachten aanleiding heeft gegeven tot de opgelegde sanctie, waarbij de tussenkomende partij de getuigenissen op onvoldoende wijze weerlegt; dat de verzoekende partij betwist dat het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn niet afdoende zou zijn gemotiveerd; dat zij dienaangaande verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State naar luid waarvan de motiveringsplicht opgelegd door artikel 305, §3, van de nieuwe gemeentewet en door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, niet vergt dat de tuchtoverheid alle middelen van verdediging van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar stuk voor stuk beantwoordt; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het verslag van de secretaris per ten laste gelegd feit objectief het standpunt weergeeft van de getuigen, evenals het standpunt van de tussenkomende partij, zonder echter dit laatste te ontkennen of te bevestigen; dat het tuchtbesluit zich ertoe beperkt naar het verslag van de secretaris te verwijzen en niets eraan toevoegt; dat doordat het tuchtbesluit aan de tussenkomende partij een tuchtmaatregel oplegt, er weliswaar vanuit moet worden gegaan dat de tuchtoverheid het standpunt van de tussenkomende partij naast zich neerlegt, maar nergens uit blijkt waarom zij dat doet; dat de tuchtoverheid zelfs geen moeite deed om een gemotiveerd tuchtbesluit op te stellen, zodat dat besluit dan ook niet getuigt van een zorgvuldige, legistiek correct opgebouwde redactie die de betrokkene bij lezing duidelijk een evenwichtig opgebouwde motivering aanreikt waarbij alle argumenten worden afgewogen en waarbij de betrokkene evenals de beroepsinstantie op onomstootbare wijze kunnen vaststellen dat de opgelegde maatregel terecht is; dat de verwerende partij voorts laat gelden dat het bestreden besluit geenszins het onderzoek van de secretaris in vraag stelt, maar wel terecht stelt dat geen rekening werd gehouden met de argumenten die de tussenkomende partij onder meer tijdens het verhoor door de secretaris heeft geformuleerd en dat niet blijkt waarom dat zo is; dat indien de tuchtoverheid van oordeel was dat de tussenkomende partij ten onrechte haar gelijk trachtte te halen, zij daarover dan uitleg had moeten verschaffen, wat zij niet heeft gedaan; dat de secretaris terecht de getuigenissen van collega’s van de IX-2003-9/16 tussenkomende partij heeft afgenomen, maar zulks niet betekent dat de mening van de tussenkomende partij zelf, die overigens expliciet werd gevraagd, zonder meer kon worden genegeerd; dat de verwerende partij hierbij aanvoert dat de tussenkomende partij zowel mondeling ten aanzien van de secretaris als schriftelijk voor de tuchtoverheid de vulgariteiten waarvan zij door M. RANS wordt beticht, heeft ontkend en dat zij de context heeft geschetst waarin de feiten die tot deze tenlastelegging hebben geleid, zich hebben voorgedaan; dat de tussenkomende partij stelt dat zich eigenlijk het tegenovergestelde heeft voorgedaan van hetgeen M. RANS heeft verklaard; dat de getuigenis van Y. RIVIERE geen uitsluitsel vermag te brengen, aangezien deze getuige de feiten niet heeft meegemaakt, maar slechts kan verklaren wat M. RANS hem daarover heeft medegedeeld; dat de tuchtoverheid zonder enige uitleg de versie van de tussenkomende partij over de feiten naast zich heeft neergelegd; dat volgens de verwerende partij ook de gelijkluidende getuigenissen waarnaar de verzoekende partij verwijst, niet uit het dossier blijken : de getuigenissen handelen wel over de houding van de tussenkomende partij in het algemeen, maar zijn niet dienstig voor hetgeen haar in concreto ten laste wordt gelegd; dat de verwerende partij erop wijst dat het bestreden besluit per ten laste gelegd feit duidelijk vermeldt welke waarde de getuigenissen of de andere bewijzen uit het tuchtdossier hebben; dat zij ook beklemtoont dat de omstandigheid dat de tussenkomende partij de gelegenheid heeft gehad om te antwoorden op de getuigenverklaringen, nog niet betekent dat de tuchtoverheid met haar standpunt rekening heeft gehouden : het horen van het betrokken personeelslid nochtans is slechts zinvol indien de tuchtoverheid met diens verklaringen rekening houdt; dat zij meent dat sommige passages van het bestreden besluit door de verzoekende partij uit hun verband worden gerukt en stelt dat het bestreden besluit aangeeft hoe de motiveringsplicht in de context van de onderhavige zaak moet worden begrepen; dat de verwerende partij ten slotte opwerpt dat de verzoekende partij het bestreden besluit slechts selectief aanvecht, vermits zij haar kritiek beperkt tot de tenlasteleggingen inzake het onaangepast gedrag van de tussenkomende partij en het vertellen van vulgaire moppen aan een resident, terwijl het bestreden besluit tevens concreet ingaat op alle andere tenlasteleggingen; dat de motieven van het bestreden besluit met betrekking tot die IX-2003-10/16 andere tenlasteleggingen niet worden betwist, zodat moet worden aangenomen dat alleen al op grond van die motieven het beroep van de tussenkomende partij diende te worden ingewilligd; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat haar tuchtbesluit op een niet mis te verstane wijze te kennen heeft gegeven dat het gedrag, de taal en de houding van de tussenkomende partij ethisch en deontologisch onverantwoord en onaanvaardbaar zijn in de dienstverleningssector; dat zij herhaalt dat zij niet verplicht was alle argumenten van de tussenkomende partij te beantwoorden en dat uit het tuchtbesluit overduidelijk blijkt dat zij geen geloof hechtte aan de uitleg van de tussenkomende partij; dat die laatste bijgevolg perfect op de hoogte was van het hoe en waarom van de haar opgelegde tuchtsanctie, zodat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het tuchtbesluit behept zou zijn met een gebrekkige motivatie en/of weerlegging van de argumenten van de tussenkomende partij; dat de verzoekende partij ontkent dat zij ertoe gehouden was in het tuchtbesluit het standpunt van de tussenkomende partij te weerleggen; dat volgens haar er in casu slechts twee mogelijkheden waren : ofwel hechtte zij geloof aan de verklaringen van de getuigen, ofwel aan de verklaringen van de tussenkomende partij; dat op basis van de gegevens van het dossier zij voor de eerste mogelijkheid heeft geopteerd; dat zij daar niet meer uitleg bij hoefde te geven dan hetgeen de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn aan de tussenkomende partij duidelijk heeft gemaakt, namelijk dat er zich in het dossier zoveel gelijkluidende getuigenverklaringen bevonden die alle de uitleg van de tussenkomende partij weerlegden, dat enkel het standpunt van deze getuigen kon worden gevolgd; dat de verzoekende partij ook beklemtoont dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de houding van de tussenkomende partij niet kan worden aanvaard in het kader van een degelijke dienstverlenende sector, en zeer zeker niet strookt met de opvattingen van verzoekster betreffende het verlenen van dergelijke dienst, dat het grote aantal gelijkluidende getuigenverklaringen duidelijk het bewijs levert van dergelijke misplaatste gedragingen en dat er geen enkele reden is om geen geloof te hechten aan die getuigenverklaringen; dat de verzoekende partij de slotbemerking van de verwerende partij betwist; dat zij van oordeel is dat alle feiten op zich bewezen zijn of, op zijn minst, dat door het grote aantal gelijkluidende IX-2003-11/16 getuigenverklaringen bewezen is dat de houding van de tussenkomende partij onaanvaardbaar is in het kader van haar tewerkstelling; 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst onder meer aanvoert dat het bestreden besluit terecht stelt dat de tuchtoverheid nader diende te preciseren of te onderzoeken of de feiten die haar ten laste werden gelegd met betrekking tot onaangepast gedrag en ongewenste intimiteiten inderdaad niet uit hun context werden genomen, dat de tenlastelegging betreffende het onaangepast taalgebruik op basis van de getuigenverklaringen niet bewezen kan worden bevonden omdat deze tenlastelegging genuanceerder is dan de feiten die zich volgens de getuigenverklaringen hebben voorgedaan, dat in het dossier een concrete illustratie ontbreekt betreffende de tenlastelegging van haar onaangepast gedrag in de leefruimte E en dat het tuchtbesluit niet beantwoordt aan de motiveringsplicht, zodat geen duidelijkheid bestaat over de ten laste gelegde feiten; dat zij in haar memorie uiteen zet dat de feiten die haar ten laste werden gelegd, geheel uit hun context werden genomen; dat zij ontkent zich ten aanzien van de residenten van het Rust- en Verzorgingstehuis E. REMY of ten aanzien van collega’s ooit schuldig te hebben gemaakt aan onaangepast gedrag of taalgebruik; dat zij betreurt dat sommige collega’s een preutse en stugge houding aannemen en zij laat gelden dat hun verklaringen niets bewijzen en de waarachtigheid ervan in twijfel kan worden getrokken gelet op de jaloezie en concurrentie die vaak heerst onder verplegende collega’s; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie in essentie herhaalt wat zij reeds in haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord had laten gelden; 2.6.
- Overwegende dat het tuchtbesluit van 3 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn steunt op het motief dat het gedrag, de taal en de houding van de verwerende partij ethisch en deontologisch onverantwoord en totaal onaanvaardbaar zijn in de dienstverleningssector, welke gegevens het put uit het verslag van 27 november 1998 van de secretaris van het OCMW en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en verklaringen van de tussenkomende partij met betrekking IX-2003-12/16 tot concrete feiten die aan deze laatste worden ten laste gelegd en die zijn aangebracht in de bijgevoegde verklaringen van de hoofdverpleegkundige en de afdelingsgeneesheer; dat het hier bestreden besluit het hoger beroep inwilligt dat de tussenkomende partij tegen de goedkeuring van dit tuchtbesluit door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant heeft ingesteld, om reden dat -samengevat- het tuchtbesluit geen rekening houdt met en geen antwoord biedt op het verweer dat de tussenkomende partij met betrekking tot elk van die concrete feiten heeft ontwikkeld, zodat het tekort komt aan de motiveringsplicht en de aan de tussenkomende partij ten laste gelegde feiten in die omstandigheden niet bewezen kunnen worden geacht; 2.6.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot nietigverklaring niet uitdrukkelijk vermeldt welke rechtsmiddelen zij tegen het bestreden besluit aanvoert, tenzij “machtsoverschrijding”, welke vernietigingsgrond vele ladingen kan dekken; dat uit de uiteenzetting van haar grieven met betrekking tot het bestreden besluit echter blijkt dat de verzoekende partij in essentie het zo-even vermelde motief van het bestreden besluit om tot de inwilliging van het beroep van de tussenkomende partij te besluiten, betwist en laat gelden dat dit motief geen steun vindt in het dossier; dat zij, samengevat, betoogt dat zij bij het nemen van het tuchtbesluit geen rekening diende te houden met de verklaringen van de tussenkomende partij omdat dier onaanvaardbaar gedrag en taalgebruik afdoende bewezen zijn door de talrijke gelijkluidende getuigenverklaringen die in het verslag van 27 november 1998 van de secretaris zijn weergegeven en dat de motiveringsplicht die op haar rust niet impliceert dat zij in het tuchtbesluit een expliciet antwoord diende te geven op het standpunt van de tussenkomende partij; dat zij met andere woorden de materiële motivering van het bestreden besluit betwist; dat ook de verwerende partij het verzoekschrift van de verzoekende partij in die zin heeft begrepen en haar verweer in die zin heeft gevoerd; 2.6.
- Overwegende dat het tuchtbesluit de tussenkomende partij een tuchtmaatregel oplegt wegens een algemeen laakbare houding en gedrag die niet kunnen worden gedoogd in het rust- en verzorgingstehuis E. REMY; dat het die algemene houding en gedrag afleidt uit concrete feiten, die de tussenkomende partij echter alle IX-2003-13/16 ten aanzien van de OCMW-secretaris en de tuchtoverheid heeft ontkend of, minstens, in een andere context heeft geplaatst; dat de vraag dan ook is of het tuchtbesluit zich kon beperken tot een verwijzing naar het verslag van de secretaris waarin de standpunten van getuigen en van verzoeker met betrekking tot die concrete feiten naast elkaar worden vermeld, zonder dat wordt aangegeven om welke reden de voorkeur zou moeten worden gegeven aan de getuigenverklaringen in de plaats van aan de verklaring van de tussenkomende partij; dat het bestreden besluit terecht vaststelt dat het tuchtbesluit geen antwoord geeft op die vraag en dat in die omstandigheden niet kan worden aangenomen dat de aan de tussenkomende partij ten laste gelegde feiten bewezen zijn; 2.6.
- Overwegende dat het standpunt van de verzoekende partij als zou “het grote aantal” gelijkluidende getuigenverklaringen wijzen op het ongeoorloofde gedrag en de onaanvaardbare houding van de tussenkomende partij, niet kan worden bijgevallen; dat dit gedrag en die houding immers werden afgeleid uit verscheidene concrete feiten die elk op zich niet door “een groot aantal” getuigen worden bevestigd en die, gelet op het standpunt dat de tussenkomende partij met betrekking tot elk van die feiten heeft ingenomen, op basis van de voorliggende getuigenverklaringen alleen niet zonder meer bewezen kunnen worden bevonden; dat de omstandigheid dat het tuchtbesluit die feiten toch bewezen acht zonder uit te leggen waarom aan de respectieve getuigenverklaringen meer waarde diende te worden gehecht dan aan de verklaring van de tussenkomende partij of waarom geen rekening werd gehouden met de bijzondere context die door de tussenkomende partij werd aangevoerd, bovendien terecht als een schending van de motiveringsplicht kan worden opgevat; dat de materiële motivering van het bestreden ministerieel besluit in dat opzicht deugdelijk is; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-2003-14/16 IX-2003-15/16 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Artikel
- Het bedrag van 12,39 euro van de op het verzoekschrift tot nietigverklaring te veel aangebrachte fiscale zegels, zal aan de verzoekende partij worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2003-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.312 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.