← België

Arrest 142313 - - 17/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.313 Rolnummer: A. 160338/XII-4403 Zaak: Arrest 142313 - - 17/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 08:59 Fiche Arrest nr 142.313 van 17 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.313 van 17 maart 2005 in de zaak A. 160.338/XII-

  1. In zake : de NV DRUKKERIJ JOOS, die woonplaats kiest bij advocaten L. Schuermans en P. Teerlinck, kantoor houdende te Turnhout, de Merodelei 112 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'Hooghe en R. Heijse, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-
  2. tussenkomende partij : de NV MOORE RESPONSE MARKETING, die woonplaats kiest bij advocaat P. Mallien, kantoor houdende te Antwerpen, Meir
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Drukkerij Joos op 25 februari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing dd. 17 februari 2005 van de Federale Overheidsdienst Financiën tot toewijzing van de opdracht met betrekking tot het drukken, personaliseren en leveren van de belastingaangiften nrs. 275.1, 275.2, 276.1, 276.2, 276.5 en hun bijlagen voor het aanslagjaar 2005, voorwerp van het bestek nr. SM 003052 van 10 november 2004”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij en de “nota” van de verzoekende partij; XII-4403-1/5 Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2005, om 10.30 uur; Gezien het op 5 maart 2005 neergelegde verzoekschrift waarbij de NV Moore Response Marketing vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijkt te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten P. Teerlinck en J. Surmont, die verschijnen voor verzoekende partij, van advocaat R. Heijse, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. Luyten, die loco advocaat P. Mallien verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een enig middel stelt hetgeen volgt : “Eerste en enig middel Genomen uit de schending van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, artikel 115 K.B. 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XII-4403-2/5 bestuurshandelingen, en van 'de algemene beginselen van behoorlijk bestuur' inzonderheid het beginsel inzake de vereiste gelijke behandeling van de inschrijvingen, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel dat overheidsbeslissingen moeten berusten op in feite en in rechte pertinente motieven (materiële motiveringsplicht); Doordat uit de 'gemotiveerde' beslissing van 17 februari 2005, die uiterst summier is, geenszins blijkt waarom de gekozen offerte voordeliger zou zijn dan de offerte van verzoekende partij; bovendien uit het bestek en evaluatierapport niet blijkt welke de pertinentie is van het gunningscriterium gequoteerd op 20 punten 'de minimumtermijn in werkdagen tussen de ontvangst van de kennisgeving van gunning van de opdracht en de aanvang der leveringen aan De Post van de gepersonaliseerde aangiften 276.1 (eerste werkdag van de 10/ week van 2005)' hierna genoemd 'de minimumtermijn'; dit criterium tegenstrijdig is met artikel 6.3.4.1/ van het bijzonder bestek, waarin bepaald is dat de personalisering van de aangiften 276.1 moet aanvangen op de eerste werkdag van de 10de week en de afgifte aan De Post dient te geschieden op het einde van de week; de voor dit criterium toegepaste methodologie voor toekenning van de punten bovendien manifest onredelijk is; bovendien niet wordt verklaard wat de methodologie is voor het samenhangende gunningscriterium, eveneens gequoteerd op 20 punten, inzake de technische mogelijkheden, de know-how en de ervaring, de organisatie en de geboden waarborgen inzake veiligheid; de gelijke beoordeling tussen partijen geschonden is doordat zonder objectieve motivering verschillende maatstaven worden toegepast voor de verschillende criteria, die aanleiding geven tot willekeur en die het opgegeven puntensysteem volledig scheeftrekken; Terwijl, de procedure van algemene offerteaanvraag vereist dat de opdracht wordt toegekend aan de inschrijver met de meest voordelige regelmatige offerte op basis van pertinente en objectieve gunningscriteria, en de motiveringsplicht tot doel heeft de inschrijvers toe te laten de gegrondheid van de motieven van hun afwijzing te onderzoeken; het aangewende puntensysteem in redelijkheid erop gericht moet zijn om objectief de voordeligste offerte aan te duiden, en de inschrijvers erop moeten kunnen vertrouwen dat de in het bestek aangekondigde relatieve waarde van elk gunningscriterium niet wordt scheefgetrokken door, middels toepassing van onoordeelkundige berekeningsmethodes, onredelijk belang te hechten aan één gunningscriterium; dat dit des te meer klemt nu dat ene gunningscriterium niet pertinent is en bovendien strijdig met andere bepalingen van het bijzonder bestek”; dat dit middel voorts in een “toelichting” van acht dichtbeschreven bladzijden nader wordt uitgewerkt, slechts onderverdeeld in twee punten; Overwegende dat de verzoekende partij aldus twee Grondwets- bepalingen, drie wetsbepalingen en een reglementaire bepaling als toetsingsgronden aan de Raad van State voorlegt, naast “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur” en bij wijze van voorbeelden drie specifieke beginselen; dat daarbij minstens zes grieven worden ontwikkeld en daarbij soms -opnieuw- gewag wordt gemaakt van geschonden rechtsnormen; dat echter in het geheel van het middel de diverse grieven niet of nauwelijks verbonden worden met de diverse geschonden geachte rechtsnormen; dat een op een dergelijke wijze opgebouwd middel niet meer het vereiste rechtsmiddel lijkt waarin door een verzoekende partij wordt aangegeven XII-4403-3/5 welke rechtsbepaling geschonden is en op welke wijze, namelijk door welk handelen van de overheid; dat immers door het gewoon naast elkaar plaatsen, zoals te dezen gebeurt, zonder duidelijke afgescheiden onderdelen, van, enerzijds, een aantal rechtsnormen en, anderzijds, een aantal grieven, een verzoekende partij het aan de Raad van State overlaat om zelf uit het groot aantal mogelijke combinaties van, enerzijds, een rechtsnorm, en, anderzijds, een grief, een bepaalde combinatie te kiezen en deze tot middel te maken; dat aldus niet de verzoekende partij het middel opbouwt maar zij de Raad van State verplicht zulks te doen na onderzoek van alle door de verzoekende partij aangebrachte rechtsnormen en grieven; dat zulks al niet geoorloofd lijkt in een annulatiegeding maar nog minder in een schorsingsprocedure en des te minder wanneer ze zoals te dezen wordt gevoerd op de wijze van de uiterst dringende noodzakelijkheid; dat aldus een argumentatie die door haar complexe opbouw geen ontvankelik rechtsmiddel meer is, ook geen ernstig middel kan zijn; dat zulks te dezen het geval is en het in het inleidend verzoekschrift aangevoerde enig middel dienvolgens niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partij voorts in een “nota” van elf bladzijden “bijkomende feitelijke gegevens” ontwikkelt en een “bijkomend middel” aanvoert dat zij van openbare orde noemt; dat te dezen de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid reeds op die wijze door de Raad van State zelf is geregeld, dat de verwerende en de tussenkomende partijen toch over enige tijd beschikten om schriftelijk verweer te voeren en het bevoegd lid van het auditoraat om kennis te nemen van de zaak; dat het nieuwe middel echter is aangebracht in een nergens in de procedureregeling voorziene nota, de dag vóór de terechtzitting aan de voormelde andere partijen in het geding en het auditoraat ter kennis gebracht, zodat deze geen reële kans meer hadden tot een geschreven antwoord of onderbouwd advies, hetgeen alvast het evenwicht tussen de gedingpartijen verstoorde; dat bovendien het bedoelde middel verwijst naar diverse geschonden rechtsbepalingen en beginselen en meer dan één grief bevat; dat het voorts studie van de offertes en van het bestek vereist; dat het zich daarom niet leent tot onmiddellijke beoordeling in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en dienvolgens in elk geval niet als ernstig kan worden aangemerkt, mocht het al op ontvankelijke wijze in de procedure zijn gebracht; dat uit hetgeen de verzoekende partij daarbij betoogt wel kan worden begrepen dat zij het middel pas heeft kunnen ontwikkelen na inzage van de offerte van de tussenkomende partij en na ontvangst van het verzoekschrift tot tussenkomst en van de nota van de verwerende partij; dat die vaststelling nogmaals aantoont dat in het XII-4403-4/5 domein van de overheidsopdrachten de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State niet de gepaste procedure is die de in dat domein gewenste rechtsbescherming kan bieden, BESLUIT: Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de NV Moore Response Marketing in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart 2005, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4403-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.313 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.