id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.317 Rolnummer: A. 87310/VII-19641 Zaak: Arrest 142317 - - 17/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:59 Fiche Arrest nr 142.317 van 17 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.317 van 17 maart 2005 in de zaak A. 87.310/VII-19.641. In zake : Raphaël VANDEPUTTE, wonende te AARSELE (TIELT), Ankelaarstraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : Geert LUST, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raphaël VANDEPUTTE op 14 oktober 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "het besluit van 3 augustus 1999 van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw houdende de uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing nr. 37015/20/A/1 van 10 september 1992 van de bestendige deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de Heer Geert Lust, Ankelaarstraat 3, 8700 Aarsele, om een varkensfokkerij gelegen op hetzelfde adres om te vormen en uit te breiden"; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 januari 2000; Gelet op de beschikking van 7 januari 2000 die de tussenkomst van Geert LUST toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-19.641-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, samen met zijn Advocaat S. LAMBRECHT, van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. BOSQUET die, loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 10 september 1992 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen aan Geert LUST een milieuvergunning voor de omvorming en uitbreiding van een bestaande inrichting gelegen te Aarsele, aan de Ankelaarstraat nr. 3, zodat deze voortaan zou omvatten : 1.600 varkens (200 zeugen en 1.400 mestvarkens), 2.285 m³ opslag van dierlijke mest, 10.200 liter mazout en het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater in de oppervlaktewateren. De vergunning wordt geweigerd voor wat betreft het volgende onderdeel : de uitbreiding tot 1.550 mestvarkens. VII-19.641-2/16 1.2. Met een schrijven van 12 oktober 1992 gaat het echtpaar VANDEPUTTE-DANNEELS in beroep tegen deze beslissing. 1.3. Uitspraak doende in beroep beslist de minister op 12 maart 1993 de vergunning te weigeren, doch ingevolge 's Raads arrest nr. 79.124 van 4 maart 1999 wordt voormeld ministerieel besluit vernietigd. 1.4. Hierop wordt de beroepsprocedure hernomen, en in het kader van deze procedure wordt een reeks adviezen uitgebracht. (
- a)De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig. (
- b)De Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig. In het advies leest men dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de verandering van de milieuvergunning van deze inrichting, en dat dit niet verenigbaar is met de bepaling van artikel 34, § 4, van het meststoffendecreet aangezien het totaal aantal dieren het maximum zoals bepaald in dit artikel overschrijdt. (
- c)De afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert gunstig. (
- d)De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt voor het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en aan Geert LUST een vergunning te geven voor 150 zeugen en 1.200 mestvarkens. Het is immers slechts in die mate dat de commissie de vergunningsaanvraag verenigbaar acht met artikel 34, § 4, van het meststoffendecreet. 1.5 Op 3 augustus 1999 volgt de bestreden beslissing. De vergunning wordt verleend : "voor wat betreft de uitbreiding en omvorming tot de volgende toestand : - 150 zeugen en 1.200 mestvarkens; - de opslag van 2.285 m³ dierlijke mest; - de opslag van 10.200 l mazout; - het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater in de oppervlaktewate- ren"; en wordt "geweigerd voor wat betreft de omvorming en uitbreiding tot 200 zeugen en 1.550 mestvarkens."; VII-19.641-3/16 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat verzoeker een eerste middel inroept "inzake de ingewonnen adviezen en beoordeling ervan"; dat hij in essentie doet gelden dat er geen advies werd gevraagd van de Vlaamse Milieumaatschappij, dat de commissie Gezondheidszorg niet bijeen kwam, en dat het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet omschreven wordt als gunstig of ongunstig; 2.1.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat voor het onderdeel van de aanvraag betreffende het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater geen advies van de Vlaamse Milieumaatschappij vereist was, en evenmin van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg, en dat het niet vermelden van de strekking van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de beslissing niet onwettig maakt; dat zij nog opmerkt dat al de overheidsorganen hun advies uitbrengen in de schoot van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie die na kennisname ervan advies verleent aan de terzake bevoegde Vlaamse minister; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog stelt dat het getuigt van onzorgvuldig en tendentieus optreden nu precies die adviezen niet werden gevraagd van de commissies die ongunstig adviseerden betreffende de uitbreiding van de varkenshouderij, dat het feit dat de strekking van de uitgebrachte adviezen niet werd weergegeven in de bestreden beslissing flagrant in strijd is met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dat de Vlaamse Landmaatschappij een advies uitbracht voor een vergunningsaanvraag betreffende 200 zeugen en 1.400 mestvarkens, terwijl de minister een vergunning verleende voor 1.200 mestvarkens en 150 zeugen; 2.1.4. Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij betoogt dat verzoeker niet duidelijk aangeeft welke wetsbepalingen hij geschonden acht, zodat het eerste middel onontvankelijk is; dat zij het middel ook ongegrond acht, vermits het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij niet diende te worden ingewonnen, de beslissing geenszins ten onrechte stelt dat het advies van de afdeling Preventie en Sociale Gezondheidszorg gunstig is, vermits bij ontstentenis van een advies binnen de voorgeschreven termijn het geacht wordt gunstig te zijn en het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie uitvoerig is gemotiveerd en geen vragen openlaat; VII-19.641-4/16 2.1.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt dat hij in zijn memorie van wederantwoord heeft geciteerd uit de memorie van antwoord van de verwerende partij met inbegrip van de artikelen van Vlarem I waarnaar de verwerende partij zelf had verwezen, zodat wel degelijk werd gepreciseerd welke wetsbepalingen werden geschonden; dat hij nog stelt dat volgens de verwerende partij het advies van de Vlaamse Landmaatschappij verplicht is voor rubriek 9.4.I.c, dat het advies van "die commissie" ongunstig was en dat hij zich afvraagt hoe het mogelijk is dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een advies heeft gegeven, met "eenparigheid" van stemmen, dat in strijd is met het negatief advies van de Vlaamse Landmaatschappij; 2.1.6.1. Overwegende, vooreerst, dat de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie in haar advies het standpunt van de Vlaamse Landmaatschappij bijtreedt waar zij stelt dat de aanvraag niet verenigbaar is met artikel 34, § 4 van het meststoffendecreet, maar er terzelfdertijd aan toevoegt dat wel wordt gesteld "dat de aanvraag wel verenigbaar is met de bepalingen van artikel 34, § 4 van het Mestdecreet wanneer het aantal zeugen wordt beperkt tot 150; dat in voorkomend geval het maximum aantal overeenkomstige mestvarkens in een gesloten varkens- houderij met 150 zeugen 1.200 bedraagt (...); dat de vergunning bijgevolg dient geweigerd voor 50 zeugen en 350 mestvarkens"; dat er dienvolgens geen tegenstrij- digheid bestaat tussen het advies van de Vlaamse Landmaatschappij en het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; 2.1.6.2. Overwegende dat verzoeker niet aangeeft op grond van welke bepaling het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij verplicht diende te worden ingewonnen; dat hij in zijn laatste memorie wel verwijst naar een in zijn memorie van wederantwoord overgenomen passus uit de memorie van antwoord van de verwerende partij waarin, onder verwijzing naar de artikelen 20, § 1 en 26, § 1 van Vlarem I, laatstgenoemde partij stelt dat in beginsel al de overheidsorganen hun advies moeten uitbrengen in de schoot van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie die na kennisname ervan zijn advies over de beroepen verleent aan de Vlaamse minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort; dat evenwel, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie stelt, met "al de overheidsorganen" wordt bedoeld al de overheidsorganen die in de zaak advies dienden uit te brengen; dat verzoeker met de overname van die passus nog niet aangeeft op grond van welke bepaling het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij diende te worden ingewonnen; dat het middel op dat punt onontvankelijk is; VII-19.641-5/16 2.1.6.3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 12, § 1, tweede lid van het milieuvergunningsdecreet bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn het adviesverlenend overheidsorgaan geacht wordt een gunstig advies te hebben uitgebracht; dat vermits de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur geen advies uitbracht, de bestreden beslissing terecht stelt dat dit advies stilzwijgend gunstig was; 2.1.6.4. Overwegende, tenslotte, dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat de strekking van de uitgebrachte adviezen in de aanhef van de bestreden beslissing wordt vermeld; 2.1.6.5. Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat het tweede middel als opschrift heeft "inzake kel 5.9.3.1., § 1, van Vlarem II, dat het voldaan zijn aan de voorwaarden van die bepaling moet blijken uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij terwijl dat advies blijkens de bestreden beslissing evenwel ongunstig is, dat het niet opgaat dat er rechten zouden worden geput uit een onregelmatige toestand, dat na tien jaar het bedrijf nog steeds niet in orde is met de bouwvergunning, aangezien het voorge- schreven groenscherm niet volledig correct is uitgevoerd, de landbouwer inzake de opslagcapaciteit van de mest onjuiste informatie verstrekte, en er een ondergrondse overloop is van de mestkelder naar de beek, hetgeen wettelijk verboden is; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie betoogt dat de inrichting een bestaande inrichting is in de zin van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet, hetgeen ook het standpunt is van de Vlaamse Landmaatschappij (V.L.M.) in haar advies, dat luidens artikel 5.9.3.1, § 1, van Vlarem II in beginsel enkel het veranderen van een bestaande veeteeltinrichting toegelaten is onder de voorwaarden bepaald door het meststoffendecreet, dat het voldaan zijn aan deze voorwaarden moet blijken uit het advies van de V.L.M., dat in haar advies de V.L.M. heeft onderzocht of de aanvraag verenigbaar is met de bepalingen van het meststoffendecreet, en zij de aanvraag heeft getoetst aan VII-19.641-6/16 artikel 34, § 4, van dit decreet, dat de V.L.M. van oordeel was dat niet was voldaan aan deze bepaling en de bestreden beslissing dit standpunt bijtreedt vermits een aanpassing van het aantal dieren werd doorgevoerd zodat na die aanpassing wél is voldaan aan artikel 34, § 4, van het meststoffendecreet, dat artikel 5.9.3.1. van Vlarem II dan ook niet geschonden is; dat, voorts, zij doet gelden dat verzoeker niet verduidelijkt wat hij bedoelt met het putten van rechten uit een "onregelmatige toestand" noch over welke rechten het hier gaat, dat als bedoeld wordt dat de aangeklaagde onwettigheden meebrengen dat de varkenshouderij niet als een bestaande veeteeltinrichting kan worden beschouwd zulks evenwel geenszins de wettigheid van de bestreden beslissing aantast, dat de beweerde onregelmatigheden terecht geen rol hebben gespeeld bij het verlenen van de vergunning; 2.2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog betoogt dat het wereldvreemd is en van een gebrek aan logica en goed bestuur getuigt dat een vergunning wordt afgeleverd als zelfs de meest essentiële en primaire hinderwering, met name het groenscherm, niet in orde is, er onjuiste informatie is verstrekt omtrent de opslagcapaciteit van de mest en er een ondergrondse overloop is van de mestkelder naar de beek; dat hij nog doet gelden dat bij gebrek aan passende bouwvergunning er geen sprake kan zijn van een effectieve milieuvergun- ning; 2.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat het middel onduidelijk is, en daardoor onontvankelijk; dat zij nog doet gelden dat de Vlaamse Landmaatschappij stelde dat het om een bestaande veeteeltinrichting gaat en dat de niet bewezen feiten i.v.m. de begane onwettigheden volstrekt irrelevant zijn in het raam van de beoordeling van de overeenstemming van de aanvraag met arti- kel 5.9.3.1., § 1, van Vlarem II; 2.2.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog gewag maakt van een reeks overtredingen die de tussenkomende partij zou hebben begaan; 2.2.6.1. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij betoogt, het middel zoals het door de verwerende en de tussenkomende partij werd begrepen voldoende duidelijk is; dat de exceptie van onontvankelijkheid moet worden verworpen; VII-19.641-7/16 2.2.6.2. Overwegende dat, voor zover verzoeker in zijn laatste memorie argumenten tracht te putten uit voor het eerst aangebrachte overtredingen die de tussenkomende partij zou hebben begaan, deze wegens laattijdigheid als onontvankelijk moeten worden verworpen; 2.2.6.3. Overwegende dat, voor wat betreft de grief i.v.m. het advies van de Vlaamse Landmaatschappij, kan worden verwezen naar punt 2.1.6.1.; 2.2.6.4. Overwegende, voorts, dat artikel 2, 7/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals het gold op het ogenblik van de bestreden beslissing, volgende definitie van het begrip "bestaande veeteeltinrichting" gaf : "een inrichting die ten minste één stal omvat met een capaciteit die in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning als hinderlijk is ingedeeld in één of meer rubrieken die betrekking hebben op diersoorten vermeld in artikel 5 en waarvoor de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan minstens voor wat betreft aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank. In de aangifte die op de inrichting betrekking heeft, moeten de dieren zijn aangegeven. Worden in het kader van de toepassing van dit decreet ook als bestaande veeteeltinrichting beschouwd de inrichtingen waarvoor na 1 september 1991 en voor 1 september 1995 de definitieve bouwvergunning en milieuvergunning werden bekomen en die aan de vereiste aangifteplicht in het kader van dit decreet hebben voldaan"; dat uit de bijlage 5 bij de memorie van wederantwoord blijkt dat de tussenkomende partij in 1989 een bouwvergunning voor een zeugen- en mestvarkensstal heeft bekomen en dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de aangifte voor het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 7 april 1993; dat aldus aan de in artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet gestelde voorwaarden voor een bestaande veeteeltinrichting is voldaan; dat de beweerde onregelmatigheid aangaande het niet volledig conform de voorschriften van de vergunning uitgevoerde groenscherm, niet dermate substantieel is dat er geen sprake meer kan zijn van een bestaande inrichting in de zin van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet; dat de beweringen van verzoeker in zijn verzoekschrift , dat de tussenkomende partij onjuiste informatie zou hebben verstrekt inzake de opslagcapaciteit van de mest en dat hij mest illegaal zou lozen, ook niet wegnemen dat aan de hiervoren geciteerde criteria voor een bestaande veeteeltinrichting is voldaan; 2.2.6.5. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het twee- de middel niet gegrond is; VII-19.641-8/16 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel stelt : "meststoffen- decreet (
- is)wèl van toepassing"; dat hij betoogt dat in de bestreden beslissing de minister enerzijds overweegt dat de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet niet van toepassing zijn op de aanvraag, doch anderzijds stelt dat de aanvraag wel onderworpen is aan artikel 34, § 4 van dat decreet en dat het een misslag is te overwegen dat het meststoffendecreet niet van toepassing zou zijn; 2.3.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat in de bestreden beslissing niet wordt gesteld dat niet de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet toepasselijk zouden zijn, maar wél het besluit tot uitvoering van deze bepalingen, het zogenaamde vergunningenbesluit van 20 december 1995; 2.3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd betoogd; 2.3.4. Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij doet gelden dat het middel steunt op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, nu deze beslissing stelt dat het besluit tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet, het zogenaamde vergunningenbesluit, niet van toepassing is op de aanvraag; 2.3.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie louter stelt te volharden in het middel; 2.3.6. Overwegende dat in de bestreden beslissing onder meer wordt overwogen wat volgt : "Overwegende dat onderhavige vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk werd verklaard vóór 1 januari 1996; dat de bepalingen van het Vergunningenbesluit (het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen) bijgevolg niet van toepassing zijn op onderhavige aanvraag; Overwegende dat de aanvraag onderworpen is aan de bepalingen van artikel 34, § 4 van het meststoffendecreet (...)"; dat aldus, zoals de verwerende en de tussenkomende partij terecht betogen, het middel berust op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, nu daarin geenszins gesteld wordt dat de artikelen 33 en 34 van het meststoffendecreet niet van toepassing zouden zijn, maar enkel dat het uitvoeringsbesluit van die VII-19.641-9/16 bepalingen, het zogenaamde vergunningenbesluit, niet toepasselijk is; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker als vierde middel de schending aanvoert van artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet; dat hij doet gelden dat deze bepaling aan de vergunningverlenende overheden verbod oplegt om eens de maximale grenzen van de produktie van P2O5 en N zijn overschreden, nog een milieuvergunning te verlenen voor inrichtingen ressorterend onder de rubrieken 9.3 tot en met 9.8, dat bovendien de supplementaire mestproductie in Tielt verboden is nu de gemeentelijke reserve verder onder nul zou dalen bij het verlenen van de vergunning, wat in strijd is met artikel 33, § 7, van het meststoffendecreet; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat het middel feitelijke en wettelijke grondslag mist, vermits het bestreden besluit geen toepassing maakt van artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet, en integendeel het zelfs impliciet stelt dat deze bepaling niet van toepassing is nu het oordeelt dat het vergunningenbesluit van 20 december 1995 niet van toepassing is om reden dat de vergunningsaanvraag vóór 1 januari 1996 volledig en ontvankelijk werd verklaard, dat, immers, aanvragen die voordien ontvankelijk werden verklaard dienen te worden getoetst aan de regeling bepaald in artikel 34, § 3 tot § 5, van het meststoffendecreet; 2.4.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd betoogd; 2.4.4. Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij de tekst van artikel 33, § 1, alinea 2, van het meststoffendecreet citeert, waaruit blijkt dat de beperkingen op de vergunningverlening niet gelden voor aanvragen ingediend vóór de publicatie van de overschrijding van de maxima bedoeld in artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet; dat zij stelt dat in casu de aanvraag reeds lang voordien is ingediend; 2.4.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in essentie nog stelt dat het niet is "omdat het besluit dd. 20/12/95, waarbij de Vlaamse Regering vaststelt dat de vermelde maxima werden overschreden -en de milieuvergunningsaanvraag dateert van vóór dat besluit-, dat het artikel 33, § 1, niet toepasbaar zou zijn" vermits evengenoemde bepaling geenszins impliceert dat vergunningsaanvragen vóór het voormelde tijdstip wel dienen verleend te worden VII-19.641-10/16 en de overheid dergelijke aanvragen dient te weigeren vermits de gestelde maxima zijn overschreden; dat hij aan de hand van berekeningen tracht aan te tonen dat in casu "de paragrafen 1 en 7 van artikel 33 van het mestdecreet (...) wel degelijk (werden) overschreden"; 2.4.6. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dat het standpunt van verzoeker geen steun vindt in de desbetreffende decretale en reglementaire bepalingen; 2.4.7.1. Overwegende dat artikel 33, § 1, eerste en tweede lid, van het meststoffendecreet, ten tijde van de bestreden beslissing bepaalde wat volgt : "De difosforpentoxideproductie en de stikstofproductie in het Vlaamse Gewest, berekend op basis van de volledige veestapel vermenigvuldigd met de productiehoeveelheden per dier en per jaar overeenkomstig artikel 5, mogen niet groter zijn of worden dan de difosforpentoxideproductie van de veestapel zoals deze gekend waren op basis van de gegevens van de land- en tuinbouwtelling van 15 mei 1992. Deze difosforpentoxideproductie en stikstofproductie worden respectievelijk vastgesteld op 75 miljoen kg difosforpentoxide en 169 miljoen kg stikstof. De Vlaamse Regering stelt vast dat één van de twee van de hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden. Vergunningsaanvragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunning en volledige verplaatsing zoals voorzien in artikel 34, § 3, 1/ en 2/, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning na datum van publicatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden"; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt wel degelijk het in artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet ingestelde verbod tot het verlenen van milieuvergunningen behoudens de erin bepaalde uitzonderingen, slechts gold na de publicatie van het besluit van de vaststelling door de Vlaamse regering dat één van de twee van de in hetzelfde artikel vastgestelde maxima zijn bereikt of overschreden; dat in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995 het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van artikel 33, § 1, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen is verschenen; dat in dit besluit wordt vastgesteld dat de maxima bedoeld in artikel 33, § 1, van het decreet overschreden zijn; 2.4.7.2. Overwegende dat de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij werd ingediend op 19 mei 1992, dus ruim vóór 30 december 1995; dat dienvolgens de in artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet neergelegde VII-19.641-11/16 beperkingen op het inwilligen van vergunningsaanvragen niet gelden voor de in het geding zijnde vergunningsaanvraag; 2.4.7.3. Overwegende, tenslotte, dat volgens verzoeker de bestreden beslissing ook strijdig zou zijn met artikel 33, § 7, van het meststoffendecreet; dat evenwel het middel op dit punt zo onduidelijk is dat het als onontvankelijk moet worden verworpen; dat de onontvankelijkheid ervan niet kan worden goedgemaakt door bijkomende verduidelijking in de laatste memorie; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.5.1. Overwegende dat het vijfde middel luidt als volgt : "De Minister beroept zich op onjuiste feiten. Op bladzijde 7. 4/ paragraaf overweegt de Minister dat in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf de meeste woningen landbouwbedrijven zijn Deze libellering is misleidend vermits het niet gaat over Bovendien zijn er in de nabije omgeving nog woningen"; 2.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat uit de lectuur van de volledige paragraaf in de bestreden beslissing blijkt dat zich op korte afstand (respectievelijk 80 en 100 meter) twee particuliere woningen bevinden en twee landbouwbedrijven en dat aldus de feitelijke toestand in concreto en waarheidsgetrouw werd weergegeven; 2.5.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog betoogt dat niet ten noordoosten maar ten noordwesten een woning gelegen is op 100 meter en dat nog meerdere woningen ten noordwesten zijn gelegen; 2.5.4. Overwegende dat in haar memorie de tussenkomende partij aanstipt dat verzoeker niet verduidelijkt welke wetsbepalingen geschonden zijn, dat niet valt in te zien wat er misleidend is aan de bestreden beslissing, dat de bewering dat er zich nog andere woningen in de omgeving bevinden op niets is gesteund en dat de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 79.124 van 4 maart 1999 vaststelde dat er in de onmiddellijke omgeving slechts twee woningen te bespeuren vallen; VII-19.641-12/16 2.5.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie in essentie nog doet gelden dat er zich nog andere woningen in de nabije omgeving van de inrichting bevinden en dat indien bedoelde woningen niet binnen de straal van 100 meter liggen, zij dan amper enkele meters verder zijn gelegen, dat het kennelijk onredelijk is om bij de beoordeling van de feitelijke situatie voor geurhinder een norm van 100 meter aan te nemen zonder oog te hebben voor de volledige situatie en dat de vraag rijst hoe de minister een juist oordeel heeft gehad nu hij een woning verkeerd situeert, namelijk op ongeveer 100 meter ten noordoosten van het bedrijf, terwijl dit ten noordwesten diende te zijn en het zuidoosten weliswaar geen overheersende windrichting is, maar wel in het algemeen voorkomt bij mooi en warm weer waarbij de geurhinder het sterkst is; 2.5.6. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog opmerkt dat verzoeker uit het oog verliest dat de twee niet- landbouwerswoningen zijn gelegen in agrarisch gebied, daar eigenlijk niet thuishoren en er minstens mag van worden uitgegaan dat de geurhinderdrempel in dergelijk gebied hoger ligt dan in een zuiver woongebied, zodat het geenszins kennelijk onredelijk is de hindergevoeligheid te beperken tot een gebied van 100 meter rond de varkenshouderij; 2.5.7.1. Overwegende dat op bladzijde 7, paragraaf 4, van de bestreden beslissing wordt overwogen wat volgt : "Overwegende dat de omgeving niet dicht bebouwd is; dat de meeste woningen in de onmiddellijke omgeving landbouwbedrijven zijn, met uitzondering van één woning, die zich op een afstand van ongeveer 80 meter ten noorden van de stallen bevindt; dat binnen een straal van 100 m rondom de perceelsgrenzen nog twee landbouwbedrijven gevestigd zijn; dat ten noordoosten van het bedrijf nog een woning is gelegen op een afstand van ongeveer 100 m"; dat in zijn geheel gelezen die paragraaf duidelijk en allerminst misleidend is : er bevindt zich één woning niet-landbouwbedrijf in de onmiddellijke omgeving op 80 meter ten noorden van de stallen, en er bevindt zich één woning niet- landbouwbedrijf op ongeveer 100 meter ten noordoosten van het bedrijf; dat, voorts, in de bestreden beslissing nergens wordt gesteld dat buiten een straal van 100 meter geen andere niet-landbouwerswoningen zijn gelegen; dat blijkens de bestreden beslissing werd nagegaan welke woningen binnen een straal van 100 meter zijn gelegen; dat het niet kennelijk onredelijk is om voor de beoordeling van de hinder "de onmiddellijke omgeving" van de inrichting te beperken tot een straal van 100 meter rond de inrichting, zeker wanneer de betrokken landbouwinrichting is VII-19.641-13/16 gelegen in agrarisch gebied en bovendien "op een afstand van meer dan 1.200 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, van een woonuitbreidingsgebied, van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, van een bosreservaat en van een gebied voor verblijfsrecreatie" zoals uit het bestreden besluit blijkt en door verzoeker niet wordt betwist; dat aldus de woningen waarover verzoeker het heeft gelegen zijn buiten een straal van 100 meter rond de inrichting en binnen een gebied waar landbouw thuishoort en waar aldus de tolerantiedrempel voor hinder veroorzaakt door de exploitatie van een landbouwinrichting hoger is; 2.5.7.2. Overwegende, tenslotte, dat de argumentatie gestoeld op het beweerd verkeerd weergeven van de ligging van een woning ten noordoosten van de inrichting in plaats van ten noordwesten verder gaat dan het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en derhalve onontvankelijk is; 2.5.7.3. Overwegende dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.6.1. Overwegende dat verzoeker als zesde middel aanvoert "gebrekkige motivatie" alsook "onjuiste feiten en motivatie en schending afstandsregel"; dat hij betoogt dat uit de overwegingen van de minister niet uit te maken is waar "de wijsheid" vandaan komt dat er slechts in de overheersende windrichting sporadische lichte geurhinder zou kunnen optreden terwijl de door de minister geciteerde afstandsregel is overschreden, vermits twee woningen in de zeer directe nabije omgeving van het bedrijf staan, met name op ongeveer 80 en 100 meter; 2.6.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord wordt betoogd dat er van een miskenning van de afstandsregels van artikel 5.9.4.4.c van Vlarem II geen sprake kan zijn, nu deze regels betrekking hebben op de afstand tot hindergevoelige gebieden en niet ten overstaan van woningen; dat aan de afstandsregel is voldaan en dat de minister in concreto de hinder heeft onderzocht en in redelijkheid kon beslissen dat de geurhinder aanvaardbaar is; 2.6.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd betoogd; dat hij daaraan toevoegt dat de situering van de huizen verkeerd is, meer bepaald wat betreft de ligging van de tweede woning die ten noordwesten van de stal ligt, en dat de overheersende windrichting zuid-zuidoost is; VII-19.641-14/16 2.6.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie doet gelden dat het evident is dat geurhinder slechts in de overheersende windrichting voorkomt, dat de minister motiveerde waarom er slechts sporadisch lichte geurhinder zou kunnen optreden, met name door de verwijzing naar de moderne staltechnieken en door het opleggen van bijkomende milieuvergunningsvoorwaarden, dat de afstandsregels slaan op de hindergevoelige gebieden, en dat aan die regels is voldaan; dat zij nog opmerkt dat verzoeker woonachtig is in een agrarisch gebied; 2.6.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie niet op het laatste middel terugkomt; 2.6.6. Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de stal per compartiment voorzien is van mechanische ventilatie met verticale emissie en "dat in de overheersende windrichting sporadisch lichte geurhinder zou kunnen optreden tot op relatief korte afstand van het bedrijf; dat een hygiënische exploitatie zowel binnen als buiten de stallen evenals de keuze van de staltechnieken echter een garantie zijn dat de hinder eigen aan de exploitatie van een varkenshouderij in een agrarisch gebied minimaal zal zijn; dat een beperkte hinder afkomstig van een veeteeltbedrijf in agrarisch gebied niet als abnormale burenhinder mag worden beschouwd, ook niet ten aanzien van niet-landbouwers die zich in het agrarisch gebied hebben gevestigd"; dat aldus wordt gewezen op de hygiënische exploitatie en de keuze van de staltechnieken, waardoor de geurhinder, zeker gelet op de ligging van de inrichting en de dichtstbijzijnde woningen in het agrarisch gebied, aanvaardbaar is; dat de bestreden beslissing op dit punt dus afdoende is gemotiveerd; dat, tenslotte, de bijkomende argumentatie van verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verder gaat dan het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en derhalve onontvankelijk is; dat het zesde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-19.641-15/16 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.641-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.317 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div