← België

Arrest 142318 - - 17/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.318 Rolnummer: A. 71163/VII-14715 Zaak: Arrest 142318 - - 17/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:59 Fiche Arrest nr 142.318 van 17 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.318 van 17 maart 2005 in de zaak A. 71.163/VII-14.715. In zake : de n.v. DE BRABANDERE WINGENE, die woonplaats kiest bij Advocaat J. LONGEVILLE, kantoor houdende te OOSTKAMP, Sint-Pietersplein 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DE BRABANDERE WINGENE op 20 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 18 juli 1996 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 18 januari 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij, om een kippen- en varkensfokkerij gelegen te Antwerpse Heirweg 18, 8340 Sijsele (Damme), te veranderen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 19 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-14.715-1/6 Gelet op de beschikking van 14 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VAN EENOO die, loco Advocaat J. LONGEVILLE, verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten 1. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij, exploiteert te Sijsele, Antwerpse Heirweg 18 een gemengde inrichting, bestaande uit 20.000 legkippen, 1.052 varkens, 2.520 m³ mestopslag en 5.000 liter mazout. Het bedrijf is gelegen in agrarisch landschappelijk waardevol gebied volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust. 1.2. Op 19 september 1995 dient verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een aanvraag in die ertoe strekt de bestaande milieuvergunningen als volgt te veranderen : S het bouwen van een vervangingskraamstal-biggenbatterij zodat 54 zeugen en biggen van minder dan 10 weken worden verplaatst; S een vermindering van de mestopslag met 627 m³ tot een totaal van 1.893 m³; S een uitbreiding met 20.000 legkippen door de bouw van een legkippenstal voor 40.000 dieren ter vervanging van de twee vergunde stallen voor 10.000 dieren elk. VII-14.715-2/6 De inrichting zou bijgevolg voortaan 40.000 legkippen,1.052 varkens,1.893 m³ mestopslag en 5.000 liter mazout omvatten Deze aanvraag wordt op 2 oktober 1995 ontvankelijk en volledig verklaard. 1.3. Het bedrijf van verzoekende partij exploiteert naast de hier bedoelde inrichting nog zes andere inrichtingen met een totale mestproductie van ongeveer 70.000 kg P2O5. 1.4. Op 18 januari 1996 beslist de bestendige deputatie de gevraagde milieuvergunning volledig te verlenen. 1.5. Tegen deze beslissing worden vier beroepschriften ingediend: drie uitgaande van particulieren die de geurhinder als bezwaar aanvoeren, en één uitgaande van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). 1.6. Naar aanleiding van deze beroepen brengt de VLM op 12 april 1996 een ongunstig advies uit en stelt later in een aanvullend advies dat de aanvraag op inrichtingsniveau wel verenigbaar is met artikel 5.9.8.3, § 3 van Vlarem II, maar niet op bedrijfsniveau aangezien niet alle op het bedrijf waartoe deze inrichting behoort geproduceerde dierlijke mest op een ecologisch verantwoorde wijze kan afgezet worden. 1.7. Op 18 juli 1996 beslist de minister het beroep van de VLM gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te weigeren wat betreft de uitbreiding met 20.000 kippen. Uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt dat deze weigering gebaseerd is op de volgende motieven: S de aanvraag is niet verenigbaar met artikel 5.9.8.3, § 3 van Vlarem II (onvoldoende mestafzetmogelijkheid op bedrijfsniveau); S de gevraagde uitbreiding is niet verenigbaar met de maximale bedrijfsgrootte, zoals vastgelegd in artikel 31 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het meststoffendecreet, en zoals omschreven in artikel 2bis, § 2, 2^,

  1. b)en
  2. c)van het meststoffendecreet; VII-14.715-3/6 2. Beoordeling 2.1.1. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van de ministeriële omzendbrief van 9 mei 1996 m.b.t. de behandeling in 1996 van milieuvergunningsdossiers voor veeteeltbedrijven; dat dit middel in het verzoekschrift als volgt wordt toegelicht : "Doordat de bestreden beslissing overweegt (blz. 10, al. 5) dat de vertegenwoordiger van de Vlaamse Landmaatschappij in zijn minderheidsstandpunt terecht stelt dat het bedrijf niet verenigbaar is met de maximale bedrijfsgrootte zoals vastgelegd door art. 31 van het decreet van 15 december (sic)1995 houdende wijziging van het Mestdecreet. Terwijl bij de Ministeriële Omzendbrief van 9 mei 1996 zoals gepubliceerd in het B.S. dd. 11.07.1996 - Omzendbrief met betrekking tot de behandeling in 1996 van milieuvergunningsdossiers voor veeteeltbedrijven - uitdrukkelijk werd bepaald : ‘1. Behandeling van milieuvergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn voor 1 januari 1996. Artikel 11 van het Vergunningsbesluit bepaalt dat bedoeld besluit NIET van toepassing is op de vergunningsaanvragen die ontvankelijk en volledig zijn verklaard voor het inwerkingtreden van dit besluit. Dit besluit is in werking getreden op 1 januari 1996'. Terwijl de milieuvergunningsaanvraag van de verzoekster werd ingediend op 19/09/1995 en ontvankelijk en volledig werd verklaard op 02/10/1995, zodat het decreet van 15.12.1995 (lees: 20.12.1995) houdende wijziging van het Mestdecreet op de aanvraag niet van toepassing is. Dat immers dient te worden aanvaard dat ook Ministeriële Omzendbrieven met rechtsregels moeten worden gelijkgesteld indien de overheid daarmee, zoals in casu, die richtlijnen verplichtend wil stellen"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daartegenover het volgende stelt : "I.1. Ten onrechte wordt door tegenpartij ingeroepen dat de bestreden beslissing, door de overweging dat 'het bedrijf niet verenigbaar is met de maximale bedrijfsgrootte zoals vastgelegd in artikel 31 van het Mestdecreet en zoals omschreven door artikel 2bis, § 2, 2^
  3. b)
  4. c)van het Mestdecreet' de Ministeriële omzendbrief van 9 mei 1996 (B.S. , 11 juli 1996) schendt. In deze omzendbrief wordt ondermeer bepaald dat m.b.t. de behandeling van vergunningsaanvragen klasse 1 en 2 die ontvankelijk en volledig verklaard zijn voor 1 januari 1996, artikel 11 bepaalt dat dit besluit (het vergunningenbesluit) daarop niet van toepassing is. Dit vergunningenbesluit betreft het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het Mestdecreet. De omzendbrief bepaalt tevens dat de in dit besluit (zijnde het vergunningenbesluit) opgenomen beperkingen niet gelden voor bovengenoemde vergunningsaanvragen. Deze passage uit de omzendbrief heeft als dusdanig geen uitstaans met artikel 31 van het Mestdecreet. I.2 Artikel 31 van het Mestdecreet (inzake bestaande veeteeltinrichtingen) bepaalt evenwel 'Het aantal dieren waarvoor de vergunning wordt verleend mag VII-14.715-4/6 niet groter zijn dan de aantallen bepaald in artikel 2bis, § 2, 2
  5. b)
  6. c)
  7. e)van dit decreet.' Aldus heeft de Minister in navolging van het advies van de Vlaamse Landmaatschappij terecht deze overweging gemaakt. Het middel mist zowel juridische als feitelijke grondslag"; 2.1.3. Overwegende dat de geschonden geachte omzendbrief toelichting geeft bij het "vergunningenbesluit" dat uitvoering geeft aan de (met ingang van 1 januari 1996 gewijzigde) artikelen 33 en 34 van het Meststoffendecreet; dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar artikel 31 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het Meststoffendecreet geen schending van de omzendbrief van 9 mei 1996 inhoudt, in zoverre de schending van deze omzendbrief al tot nietigverklaring zou kunnen leiden; dat artikel 11 van het "vergunningenbesluit" bepaalt dat de voorschriften van dit besluit niet van toepassing zijn op aanvragen die ontvankelijk en volledig werden verklaard vóór 1 januari 1996; dat het aangevochten motief echter niet steunt op het "vergunningenbesluit", maar op artikel 31 van het voornoemde decreet van 20 december 1995, waaraan dat besluit geen uitvoering geeft; dat het middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat het motief van de “maximale bedrijfsgrootte” op zichzelf volstond om de vergunning te weigeren; dat in de overige door de verzoekende partij ingeroepen middelen geen verdere kritiek wordt geleverd op dit motief; dat het tweede middel de schending inroept van een substantiële vormvereiste wegens het "niet-meedelen van alle beroepsmotieven", die betrekking hadden op de mestafzetgegevens; dat het derde en het vierde middel opkomen tegen de beoordeling van de mestafzetmogelijkheden op bedrijfsniveau; dat in het vijfde middel de schending wordt aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen met betrekking tot de in de bestreden beslissing vastgestelde onmogelijkheid van het beperken van de door de inrichting veroorzaakte hinder, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen VII-14.715-5/6 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.715-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.