id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.371 Rolnummer: A. 133300/XIV-13905 Zaak: Arrest 142371 - - 18/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 09:06 Fiche Arrest nr 142.371 van 18 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.371 van 18 maart 2005 in de zaak A. 133.300/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystaat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 20 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 27 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2004; XIV-13.905-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 september 2002 en zich vluchteling verklaart op 18 september 2002; dat op 6 december 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 20 januari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U, een Armeens staatsburger van Armeense origine kende hierna volgende problemen in uw land. Op 18 juli 2002 kreeg de familie van uw schoonvader XXX bezoek van een oude vriend, A. genaamd. Deze A. was Azeri van etnische origine, en was aan het begin van de jaren negentig bij het uitbreken van de etnische spanningen uit Armenië gevlucht en naar Sadachlu (Georgië) verhuisd. Via een wederzijdse kennis, G. genaamd, was uw schoonvader opnieuw met A. in contact gekomen. Op 18 juli 2002 bracht A. daarom, tezamen met zijn zoon A. een bezoek aan uw schoonfamilie te Anabert (Armenië). Op 19 juli 2002, toen jullie allemaal tezamen buiten zaten te eten, kwam de buurvrouw O. langs. Ze herkende A. en zijn zoon A. onmiddellijk. Zonder iets te zeggen vertrok ze daarop naar haar woning. Enkele uren later werd het huis van uw schoonvader bestormd door een menigte dorpsbewoners. Ze gooiden met stenen en vernielden de ruiten. Slechts na tussenkomst van Zaven Medlounjian, de dorpschef, bedaarde de menigte. Zaven besliste de zaak aan de politie over te dragen. Uw echtgenoot XXX en uw schoonvader XXX werden kort hierop meegenomen naar het politiekantoor van Artashat, net zoals A. en A.. Op 25 juli 2002, nadat jullie gedurende één week géén nieuws van hen hadden vernomen, werden uw echtgenoot en uw schoonvader vrijgelaten. Ze dienden wel eerst een document te ondertekenen waarin ze bevestigden het dorp niet te zullen verlaten. Uw echtgenoot XXX was tijdens zijn detentie zwaar mishandeld en gefolterd. Ook uw schoonvader XXX werd geslagen. Daarom ging u op 28 juli 2002 met uw echtgenoot naar het ziekenhuis van Erebounie (Jerevan). Men wilde er uw echtgenoot evenwel niet behandelen omdat de politie in zijn medische documenten had aangebracht dat hij een verrader was. Op 12 augustus 2002 werd uw echtgenoot opnieuw opgeroepen door de politie. Hij diende zich op 13 augustus 2002 te Artashat aan te bieden, tezamen met zijn vader. Opnieuw werd hij geslagen en zwaar mishandeld. De daaropvolgende dag werd hij weer vrijgelaten, tezamen met zijn vader. Op 20 augustus 2002 diende uw echtgenoot zich voor een derde keer aan te bieden bij de politie. Weerom werd hij geslagen en mishandeld. Diezelfde dag werd hij nog terug vrijgelaten. Op 1 september 2002 gingen uw kinderen terug naar school. Ze werden er evenwel beschimpt en hun kleren werden gescheurd. Uw echtgenoot verloor het bewustzijn toen hij dit vernam. Diezelfde dag nog trok u met uw twee kinderen en echtgenoot naar uw ouders in Martuni (Armenië). Uw ouders raadden u aan te vertrekken. Tezamen met uw echtgenoot verliet u op 7 september 2002 Armenië. U bereikte België op 12 september
- U diende op 13 september 2002 een asielaanvraag in. U bent in het bezit van een huwelijksakte, twee geboorteakten en een medisch attest van uw echtgenoot XXX. Er dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen voor het commissariaat-generaal in tegenstrijd staan met uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken enerzijds, en informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, anderzijds. XIV-13.905-2/7 Vooreerst is het zo dat u voor de dienst Vreemdelingenzaken stelde dat u zich naar de dorpsdokter begaf maar van hem géén hulp verkreeg (verslag DVZ). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor het commissariaat-generaal waarin u stelde dat u op 28 juli 2002 wel naar het ziekenhuis te Erebouli (Jerevan) ging met uw echtgenoot, maar dat u zich daarnaast tot géén enkele ander dokter wendde, omdat uw man toch als landsverrader werd beschouwd en géén hulp zou krijgen (verslag CGVS, p 6-7). Daarnaast is het eveneens zo dat uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, duidelijk blijkt dat er heden ten dage géén sprake meer is van een vervolging van de Azeri bevolking in Armenië, laat staan dat u als landverrader beschouwd zou worden omdat uw familie een occasioneel contact zou hebben met Azeri’s. Bijgevolg kan er géén geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen. Er kan in hoofde dan ook géén vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1, A, 2) van de Conventie van Genève, worden weerhouden. De door u ingediende documenten vermogen aan bovenstaande vaststellingen géén afbreuk te doen, aangezien ze betrekking hebben op niet betwiste persoonsgegevens. Nergens uit het medisch document blijkt immers dat er enig causaal verband is tussen de door u aangehaalde problemen in Armenië en het medisch ziektebeeld van uw echtgenoot.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Dit middel betreft de overtreding van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna Wet Motivering Bestuurshandelingen) en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet). Het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, zich steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet, meen dat de asielaanvraag van verzoekende partij bedrieglijk is. De bestreden beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is gelet op hierna vermelde elementen evenwel niet voldoende gemotiveerd. A. Bedrieglijk ‘Bedrieglijk’ impliceert dat de aanvraag van verzoekende partij valse inlichtingen bevat, die essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. B. Afwezigheid van een formele motivering die voldoet aan de vereisten van artikel 3 Wet Motiverings Bestuurshandelingen.
- Artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen schrijft voor dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn. Dit betekent onder meer dat de motivering juist, duidelijk, pertinent, concreet en volledig moet zijn en dat zij niet tegenstrijdig mag zijn. De motivering van het commissariaat-generaal in huidige zaak voldoet niet aan deze vereisten.
- Ingeroepen tegenstrijdigheden tasten de geloofwaardigheid niet aan. Het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen geeft aan dat de verklaringen van verzoekster in tegenstrijd zijn, enerzijds met deze afgelegd voor de dienst Vreemdelingenzaken en anderzijds met deze afgelegd voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen. De tegenstrijdigheden zijn evenwel niet dermate flagrant dat zij de geloofwaardigheid van het relaas van verzoekende partij aantasten, zodat de verwijzing naar deze tegenstrijdigheden geen afdoende motivering inhoudt (zie in dit verband R.v.St. Sow, nr. 63.415, 3 december 1996; R.v.St. W.R., nr. 57.531, 16 Januari 1996, T. Vreemd. 1997, 184, R.v.St. nr. 69.217, 28 oktober 1997, Rev. Dr. Etr. 1997, 551, R.v.St. N.G., nr. 71.003, 22 januari 1998, T. Vreemd. 1997, 404; R.v.St. nr. 74.217, 11 juni 1998, Rev. Dr. Etr. 1998, 242). Verzoekster verklaarde voor het commissariaat-generaal dat de echtgenoot van de verzoekster op 28 juli 2002 wel naar het ziekenhuis in Erebouli (Jerevan) ging, maar dat hij zich tot geen enkele andere dokter wende omdat hij toch als landverrader werd beschouwd en alle hulp werd geweigerd. Terwijl voor de dienst Vreemdelingenzaken verzoekster stelde dat de echtgenoot van verzoekster zich tot de dorpsdokter wende maar van hem geen hulp kreeg. Deze tegenspraak doet, ten eerste geen afbreuk aan het feit van intimidatie door de dorpsbewoners en plaatselijke politie en geregelde opsluitingen. Daarenboven doet de tegenspraak geen afbreuk aan de algemene getuigenis dat de echtgenoot van de verzoekster elke medische hulp geweigerd werd.
- Bovendien baseert het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen zich wat betreft de situatie van de Azeris in Armenië op algemene en tegenstrijdige informatie. Vooreerst erkent het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen, door te stellen dat dit ‘actueel’ niet meer het geval zou zijn, quod non, dat er, minstens voorheen, een XIV-13.905-3/7 systematische vervolging was in Armenië van personen van Azeri origine. Voorts maakt de informatie melding van mening feit van vervolging van personen van Azeri origine in Armenië, die meer zijn dan, zoals het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen onterecht beweert, ‘individuele feiten van discriminatie’. Het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen kan de individuele situatie van verzoekster niet beoordelen op dergelijke algemeen ingewonnen informatie (R.v.St. nr. 48.779, 24 augustus 1994; R.A.C.E., 1994).
- Het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen heeft onterecht geen rekening gehouden met de verklaringen van verzoekster volgens dewelke, sinds het uitbreken van de burgeroorlog tussen Armeniërs en Azeris in 1988-1989, verzoekster systematisch en ononderbroken werden vervolgd en geïntimideerd omwille van hun vriendschap met personen van Azeri origine. Deze verklaringen tonen nochtans aan dat wanneer verzoekster naar haar vaderland zou terugkeren, er een redelijke kans bestaat dat zij opnieuw zou blootgesteld worden aan vervolging en intimidatie.
- Verzoekster wenst eveneens de principes aangaande de bewijslast in het kader van een procedure van aanvraag tot erkenning van het statuut van vluchteling, eveneens het principe van het voordeel van de twijfel aan te halen. Het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen heeft geen rekening gehouden met deze principes teneinde haar beslissing te motiveren. Inderdaad, het bewijslast berust evenzeer op de kandidaat-vluchteling als op het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen, aangezien de moeilijkheid of zelfs onmogelijkheid die er is om het bewijs met enig document te leveren. Verzoekster wenst er eveneens op te wijzen dat de twijfel in het voordeel moet zijn van de kandidaat-vluchteling, terwijl het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen dit uit het oog dreigt te verliezen in de motivering van haar beslissing. De situatie van de verzoekster is des te prangender gezien de zeer slechte gezondheid van de echtgenoot van de verzoekster. Hij heeft zeer ernstig nierletsel opgelopen die driemaal in de weeknierdialyse noodzaken. Zonder nierdialyse is zijn leven in het gevaar. Verzoekster verwijzen naar de medische rapporten die met dit verzoekschrift worden ingediend. Het grote risico om medische hulp geweigerd te krijgen, plus het risico van de reis zonder beroep te kunnen doen op nierdialyse brengen met zich mee dat een terugkeer naar Armenië de dood van de echtgenoot van de verzoekster zullen veroorzaken.
- Verzoekster besluit dat de motieven waarop het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen zich beroept niet in die mate afdoende zijn dat zij haar beslissing dat de aanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is, kunnen dragen en dat zij wel degelijk voldoende gegevens heeft aangebracht die aantonen dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging en het gevaar van hun leven bij terugkeer naar Armenië. Het middel is ernstig en gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste en enig middel beroepen verzoekers zich op een schending van de wet van 29 juli 1991 en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Vooreerst stelt verweerder dat de specifieke motiveringsverplichting, vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, alsook de algemene motiveringsverplichting overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen wel degelijk kennen. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Verzoekers geven aan dat de vastgestelde tegenstrijdigheid tussen verzoeksters verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal de geloofwaardigheid niet aantast, gezien de tegenspraak geen afbreuk doet aan het feit van de intimidatie door de dorpsbewoners, de plaatselijke politie, de geregelde opsluitingen en de weigering van elke medische hulp. Verweerder verduidelijkt dat verzoekers asielmotieven niet bedrieglijk werden bevonden enkel op basis van de vastgestelde tegenstrijdigheid tussen verzoeksters verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal. Verzoekers verklaringen werden eveneens ongeloofwaardig bevonden gezien zij tegenstrijdig zijn met de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waaruit blijkt dat heden ten dage er geen sprake meer is van vervolging van de Azeri-bevolking in Armenië en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid dat verzoekers als landverraders beschouwd zouden worden wegens occasioneel contact met Azeri’s. XIV-13.905-4/7 Verweerder wenst hieraan toe te voegen dat in diverse arresten werd bevestigd dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kon worden aangetoond door vast te stellen dat de diverse verklaringen van de betrokkenen in verband met zijn asielaanvraag waren aangetast door tegenstrijdigheden, hiaten of incoherenties of dat zij niet overeenstemden met geloofwaardige gegevens waarover de commissaris-generaal beschikte (R.v.St. nr. 91.454 van 7 december 2000; R.v.St. Nr 92.923 van 29 december 2000; R.v.St. nr. 92.569 van 24 januari 2001; R.v.St. nr 95.780 van 22 mei 2001). Verzoekers geven aan dat het commissariaat-generaal zich baseerde op algemene en tegenstrijdige informatie door vooreerst te stellen dat vervolgingen van Azeri actueel niet meer het geval zijn, implicerende dat er voorheen wel degelijk een systematische vervolging was. Verder stellen verzoekers dat de informatie melding maakt van menig feit van vervolging van personen van Azeri-origine in Armenië. Verweerder verduidelijkt dat bij het nemen van een bevestigende beslissing van weigering van verblijf steeds rekening wordt gehouden met de sitautei in het land van herkomst op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen. In casu baseerde de commissaris-generaal zich bij zijn beslissingen op twee rapporten aangaande de sitautie in Armenië, daterende van augustus 2001 en van juni
- In geen van beide rapporten wordt melding gemaakt van discriminatie jegens de Azeri-bevolking. Er wordt integendeel gesteld dat bij de verschillende vluchtelingen- en mensenrechtenorganisaties er geen berichten bekend zijn over discriminatie of geweld door de overheid of burgers tegen de in Armenië levende Azeri. Verzoekers bewering mist aldus feitelijke grondslag. Verweerder verwijst naar hetgeen hierboven werd aangehaald inzake verzoekers opmerking dat de commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de burgeroorlog van 1988-
- Voorts wenst verweerder op te merken dat in tegenstelling tot wat verzoekers beweren de bewijslast in de ontvankeliJkheidsfase niet bij de commissaris-generaal ligt. Het is integendeel aan de asielzoeker om zijn asielaanvraag te staven met een coherent en geloofwaardig, minstens aanneembaar verhaal, waaruit blijkt dat er in zijn hoofde een gegronde vrees bestaat voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, hetgeen in casu geenszins het geval was gelet op de vastgestelde bedrieglijkheid. Ten slotte wijst verweerder er op dat in voorliggend geval een toepassing van het principe van ‘voordeel van de twijfel’ niet opgaat. Het principe wordt in het ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status’ aanbevolen in die gevallen waar de verklaringen van een kandidaat-vluchteling geloofwaardig en waarachtig overkomen, wat bij verzoekers niet het geval is. Het eerste en enige middel is niet gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- Verzoekster volhardt erin te stellen dat de opgesomde tegenstrijdigheden niet dermate flagrant zijn dat zij de geloofwaardigheid van haar asielrelaas aantasten, ongeacht of de bestreden beslissing al dan niet wordt gelezen als een geheel, meer in het bijzonder: de rapporten van augustus 2001 en van juni 2000 waarnaar verweerster verwijst relateren naar de informatie die publiek toegankelijk is. De rapporten doen echter geen afbreuk aan de nog bestaande volkerenhaat van de Armeniërs tegen de Azeri’s en de daaruit voortvloeiende discriminatie, intimatie die in het geheim gebeuren zonder vonnis of zonder officiële bewijzen. Het doet dus geen afbreuk aan het feitenrelaas van verzoekster. Verzoekster heeft zowel voor de dienst Vreemdelingenzaken als voor het commissariaat-generaal verklaard dat ze zodanig werd geïntimideerd en lastig gevallen, dat een normaal leven niet meer mogelijk was en ze zelfs vreesde voor haar leven.
- Verzoekster bevestigt haar standpunt dat het commissariaat-generaal onvoldoende heeft geantwoord op de verklaringen van verzoekster volgens de welke verzoekster ononderbroken werd geïntimideerd en vervolgd omwille van hun vriendschap met personen van Azeri afkomst.
- Het commissariaat-generaal heeft tevens geen rekening gehouden met de zeer slechte gezondheidstoestand van echtgenoot van verzoekster. De reis en een terugkeer naar Armenië houden een groot risico in dat tot de dood van de echtgenoot van verzoekster kan leiden. Verzoekster verwijst naar de medische rapporten gehecht aan het verzoekschrift tot nietigverklaring.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij tegen de vastgestelde tegenstrijdigheid over het dokters- of ziekenhuisbezoek inbrengt dat deze “niet dermate XIV-13.905-5/7 flagrant (is) dat zij de geloofwaardigheid van het relaas van de verzoekende partij aantast”; dat zij met haar betoog de vastgestelde tegenstrijdigheid enkel tracht te minimaliseren; dat, wat betreft de informatie van het commissariaat-generaal waarop de bestreden beslissing is gesteund, de verzoekende partij betoogt dat deze algemeen en tegenstrijdig is, zonder nader op deze informatie in te gaan of er de onjuistheid van aan te tonen; dat, anders dan de verzoekende partij stelt, de commissaris-generaal zich dient te steunen op de meest recente informatie, aangezien hij de asielaanvraag dient te beoordelen in het licht van de toestand op het ogenblik van de te nemen beslissing; dat de verzoekende partij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat hieruit volgt dat de commissaris-generaal het voordeel van de twijfel niet moest toekennen; dat voorts niet valt in te zien in welke mate de gezondheidstoestand de echtgenoot van de verzoekende partij in casu een invloed kan hebben op de bestreden beslissing; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. opwerpt omdat de terugleiding van de echtgenoot van de verzoekende partij naar het land van herkomst diens leven en gezondheid ernstig in gevaar zou brengen, gezien zijn slechte gezondheidstoestand; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij de schending van de voornoemde bepaling niet eerder had kunnen opwerpen; dat dit des te meer klemt nu zij in het verzoekschrift tot nietigverklaring reeds verwijst naar de gezondheidstoestand van haar echtgenoot; dat het nieuwe middel bovendien geen betrekking heeft op de verzoekende partij zelf; dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aldus niet op ontvankelijke wijze wordt opgeworpen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- XIV-13.905-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.905-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.