id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.376 Rolnummer: A. 135870/XIV-14816 Zaak: Arrest 142376 - - 18/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 09:06 Fiche Arrest nr 142.376 van 18 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.376 van 18 maart 2005 in de zaak A. 135.870/XIV-14.816 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. GOETHALS, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 24 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 25 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-14.816-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat J. GOETHALS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 22 november 2002 en zich vluchteling verklaart op 25 november 2002; dat op 30 januari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat op 18 maart 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de tweede bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde geboren te zijn op 25 december 1966 te Nsosso in Damba, Uige. U bent van Bakongo origine en spreekt Portugees en een beetje Kikongo en Lingala. Voor 1992 woonde u met uw vrouw, XXX en uw dochter in Luanda. In 1992 ging u in Kinkossi, Damba bij uw moeder wonen omdat ze verzorging nodig had. Uw vader was reeds in 1984 overleden. Uw vrouw bleef in Luanda en u ging haar geregeld opzoeken. U hebt vier zussen en één broer. In september 2000, huwde u met uw vrouw, XXX. U kende haar al van voor 1992, van toen u 22 á 23 jaar was. Uw vrouw studeerde geneeskunde en ze beëindigde haar studies omstreeks
- U hebt twee kinderen samen met uw vrouw, C. geboren op 28 augustus 1998 en A. M., geboren op 25 april
- U vrouw had ook nog een kind met een andere man, A.. Ze is nu 10 jaar. Ze woonde bij de ouders van uw vrouw en kwam soms op bezoek. In november 1997 werd u lid van het UNITA (Uniáo Nacional de Independencia Total de Angola). U kreeg toen ook een lidkaart. Eerst was u adjunct-coördinator van het JURA (Juventude de Unidade Revolucionaria de Angola) te Kibokolo. Toen uw chef, António Mayimona, in juli 1998 verdween benoemde António Changani, coördinator van het UNITA te Kibokolo u tot coördinator van het Jura te Kibokolo. U moest de jongeren op de hoogte brengen van de rechten die ze hebben en over de democratie. Op 7 juli 2002 riep u een vergadering bijeen om een manifestatie te organiseren. U werd verrast door vijf MPLA (Movimento Popular de Libertagáo de Angola) soldaten. U werd naar de gerechtelijke politie in Uige gebracht. Op 9 juli 2002 werd u naar de gerechtelijke politie in Sáo Paulo, Luanda overgebracht. U verbleef daar in de gevangenis van Sáo Paulo tot 29 september
- U werd niet ondervraagd, enkel bedreigd. U zat alleen in een cel en wanneer u naar het toilet moest, moest u een bewaker roepen die u begeleidde naar het toilet op het einde van de gang. Op 29 september 2002 kwamen de heer C. en de heer M. u uit uw cel halen en brachten u naar de boerderij van een vriend van de heer C. in Estalagem, op de weg naar Viana. De heer C. was een vriend van de vader van uw vrouw. Op 21 november 2002 bracht de heer C. u naar de luchthaven waar u uw vrouw, XXX en dochter, A. M. terug zag. De heer M. begeleidde u en uw familie naar België. Op 25 november 2002 wendde u zich samen met uw vrouw, XXX, en jullie dochter, A. M. M.N., tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties. Diezelfde dag nog startten u en uw echtgenote er jullie asielprocedure bij de dienst Vreemdelingenzaken. B. Motivering Vooreerst kunnen een aantal vraagtekens geplaatst worden bij uw lidmaatschap van het UNITA. U verklaarde dat het JURA een groep schoolkinderen van acht tot achttien jaar was die samen zongen en dansten (zie verhoorverslag commissariaat-generaal, hierna CGVS, p.7). Ze moesten niet mee vechten (zie verhoorverslag CGVS, p.7), De activiteiten van het JURA waren echter hoofdzakelijk van militaire aard. De jongeren werden opgeleid om later mee aan XIV-14.816-2/9 het front te vechten aan de zijde van het UNITA (zie documentatie in het administratief dossier). U zei dat de baas van het UNITA, Abel Chivukuvuku, in 1992 in Luanda werd vermoord (zie verhoorverslag CGVS, p.7). Dit klopt niet (zie documentatie in het administratief dossier). U vertelde dat Jonas Savimbi op 22 februari 2002 in het woud in Bié stierf (zie verhoorverslag CGVS, p.9). Savimbi werd vermoord nabij Lucusse in de provincie Moxico (zie documentatie in het administratief dossier). U verklaarde eind 1997 een lidkaart van het UNITA gekregen te hebben (zie verhoor-verslag CGVS, p. 15). In 1997 werden er geen lidkaarten van het UNITA meer uitgegeven (zie documentatie in het administratief dossier). Toen u gevraagd werd of er een partijbureau van het UNITA in Luanda was, antwoordde u neen (zie verhoorverslag CGVS, p.17). Er was wel degelijk een partijbureau van het UNITA in Luanda (zie documentatie in het administratief dossier). U verklaarde dat UNITA tot na de verkiezingen in 1992 een radiozender had die 'Emissora de UNITA' heette (zie verhoor-verslag CGVS, p. 17). De radiozender van UNITA heette niet 'Emissora de UNITA' en bestond ook na 1992 nog (zie documentatie in het administratief dossier). U zei dat het JURA opgericht was op 28 oktober 1994 (zie verhoorverslag CGVS, p.18). Het JURA werd in 1974 opgericht en niet in 1994 (zie documentatie in het administratief dossier). U vertelde dat de strijdkrachten van het UNITA ook FAR (Forga Armada Revolugionaria) genoemd worden (zie verhoorverslag CGVS, p. 19). De militaire vleugel van het UNITA is niet de FAR (zie documentatie in het administratief dossier). U zei dat Manuvokoia de chef was van de 'commigáo conjunta'van het UNITA, m.a.w. de vertegenwoordiging van het UNITA in het buitenland (zie verhoorverslag CGVS, p.20). Manuvakola maakte geen deel uit van het UNITA maar van het UNITA-renovada (zie documentatie in het administratief dossier). De 'commissáo conjunta'werd niet voorgezeten door Manuvakola (zie documentatie in het administratief dossier). Aangezien u stelde reeds sinds november 1997 lid te zijn van het UNITA (zie verhoorverslag CGVS, pp.5-8) en u achtereenvolgens de positie bekleedde van adjunct-coördinator en coördinator van het JURA in Kibokolo (zie verhoorverslag CGVS, p.5), mocht verondersteld worden dat u een minimale kennis had van het UNITA en van het JURA. Daarenboven zijn de verklaringen die u aflegde ter ondersteuning van uw asielaanvraag niet geloofwaardig. Op het commissariaat-generaal verklaarde u dat uw vader gestorven was in 1984 (zie verhoorverslag CGVS, p.2). Later zei u dat u na de slachting van de Bakongo in januari 1993, een bericht kreeg dat uw vader overleden was (zie verhoorverslag CGVS, p.8). Bij de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dan weer dat uw vader in 1992 gestorven was (zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, hierna DVZ, punt 8). Tijdens het eerste interview bij de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u gevangen genomen werd op 7 september 2002, dat u overgebracht werd naar de gerechtelijke politie in Luanda op 9 september 2002 en dat u ontsnapte op 29 september 2002 (zie verhoorverslag DVZ, punt 42). Op het commissariaat-generaal zei u eerst dat u gevangen genomen werd op 7 juli 2002, dat u overgeplaatst werd op 9 juli 2002 en dat u daar bleef tot 29 september 2002 (verhoorverslag CGVS, pp.10-1 1-14). Later zei u op het commissariaat-generaal dat u gevangen genomen werd op 7 september 2002 (zie verhoorverslag CGVS, p.21). U verklaarde opgesloten geweest te zijn in de gevangenis van Sáo Paulo tot op 29 september 2002 (zie verhoorverslag CGVS, 1l). Deze gevangenis doet echter sinds 1998 enkel nog dienst als hospitaal voor gedetineerden en niet meer als gewone gevangenis (zie documentatie in het administratief dossier). Vervolgens is het zeer onwaarschijnlijk dat u werkelijk gehuwd bent met XXX (cfr. administratief dossier CGVS) verklaarde gehuwd te zijn in september 2000 (zie verhoorverslag CGVS, p.3). XXX verklaarde voor het commissariaat-generaal dat jullie gehuwd waren op 9 juli 2000 (zie verhoorverslag CGVS van XXX dd. 21 februari 2003, p.2). U vertelde dat u uw vrouw had leren kennen voor 1992, toen u ongeveer 23 jaar oud was (zie verhoorverslag CGVS, p.3). XXX verklaarde daarentegen dat ze u had leren kennen in 1998 op een schoolfeest in de wijk Golf in Luanda (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.2). U verklaarde dat de moeder van uw vrouw in 2001 overleden was (zie verhoorverslag CGVS, pA). Volgens XXX overleed haar moeder op 5 mei 2002 (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.3). U zei dat de oudste dochter van uw vrouw, A., bij uw schoonouders woonde en af en toe op bezoek kwam (zie verhoorverslag CGVS, pp.5-16). Uw vrouw verklaarde dat haar drie kinderen steeds bij haar woonden (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p.4). U zei dat u in 1992 naar Damba verhuisde om bij uw moeder te gaan wonen (zie verhoorverslag CGVS, p.2). Uw vrouw zei dat u naar de provincie verhuisde in 1999 (zie verhoorverslag CGVS van XXX, p 4). Er mocht verondersteld worden dat indien u werkelijk gehuwd was met XXX, u toch op de hoogte was van een aantal gebeurtenissen in jullie gezamenlijke en in elkaars leven. Tenslotte is uw vrees voor vervolging niet meer actueel. Het Angolese parlement verleende op 2 april 2002 amnestie aan alle vroegere leden van UNITA (zie documentatie in het administratief dossier). Gesteld dat uw verklaringen op enige grond van waarheid zouden berusten dan is het zeer aannemelijk dat ook u, als UNITA-lid, amnestie zou verleend zijn. U bent niet in het bezit van enig document dat de controle van uw identiteit en reisweg evenals uw lidmaatschap van het UNITA mogelijk zou kunnen maken. Tenslotte bevat uw verzoekschrift ter instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie XIV-14.816-3/9 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”;
- Overwegende dat het huidige beroep vooreerst is gericht tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 januari 2003 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing echter is bevestigd door de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2003; dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de commissaris-generaal, het beroep tegen de voornoemde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken niet ontvankelijk is, behoudens voor wat betreft het bevel om het grondgebied te verlaten; dat dit bevel ingevolge het instellen van het dringend beroep niet ten uitvoer kan worden gelegd doch “herleeft” ingevolge de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de commissaris-generaal; dat in casu uit de expliciete bewoordingen van de middelen blijkt dat geen enkel middel of onderdeel ervan is gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken; dat de vordering derhalve ook in die mate niet-ontvankelijk is zodat er geen reden bestaat om de minister van Binnenlandse Zaken als steller van het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten, in de zaak te betrekken; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Eerste middel Verzoekende partij haalt haar eerste middel uit de schending van: - Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur - Het artikel 1 en volgende van de Conventie van Genève met betrekking tot de Vluchtelingen van 28 juli 1951 samengelezen met het protocol gedaan te New York op 31 januari 1967 met betrekking tot het status van vluchtelingen, - Art. 48, 52 en 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, - De formele motiveringsplicht zoals uiteengezet in de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling alsook in het algemeen van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. De dringend beroep van verzoekende partij wordt door de commissaris generaal afgewezen als kennelijk ongegrond wegens bedrieglijk. De commissaris generaal steunt zijn beslissing in hoofdzaak op een resem beweerd ontdekte tegenstrijdigheden tussen wat verzoekende partij heeft verklaard bij de dienst vreemdefingenzaken enerzijds en het commissariaat generaal anderzijds. Daarnaast steunt de commissaris generaal zijn weigeringsbeslissing nog op enkele beweerd verklaarde fouten omtrent de situatie in Angola. XIV-14.816-4/9 Uit de onderhand vaste rechtspraak van Uw Raad blijkt dat een deze motieven een beslissing niet naar recht kunnen schragen. Met wat volgt zal aangetoond worden dat de door de verzoekende partij ondertekende akte na het interview bij de dvz de correcte versie betreft. De verklaringen van verzoekende partij op het commissariaat generaal, waarnaar de commissaris generaal verwijst, werden ofwel fout vertaald, geïnterpreteerd of genoteerd. De verklaring van verzoekende partij omtrent de JURA werd blijkbaar verkeerd genoteerd. Verzoekende partij heeft immers onderstreept dat hij, in zijn afdeling, de jongeren vooral liet dansen en zingen. Hij uitte daaromtrent geen standpunt omtrent de principes van de JURA as such. Van een tegenstrijdigheid was, bij een correcte notering van het relaas van verzoekende partij dus geen sprake. Wat Abel Chivukuvuku betreft heeft verzoekende partij verklaard dat deze UNITA- voorman samen met de andere kopstukken werd meegenomen om gedood te worden. De andere kopstukken werden ten andere effectief gedood. Alleen Chivukuvuku kwam er met een 'schampschot' van af. Hij zit nu overigens in Luanda in het parlement. Wederom werden de verklaringen van verzoekende partij klaarblijkelijk fout genoteerd. Verzoekende partij blijft bij zijn standpunt dat er wel degelijk in 1997 nog partijkaarten werden uitgedeeld. Verzoekende partij werd overigens nooit met gegevens die in het administratief dossier steken geconfronteerd. Het is dan ook al te gemakkelijk een eenzijdige vraag te stellen en achteraf komen beweren dat er in het administratief dossier documentatie steekt die waaruit het omgekeerde zou blijken. Het antwoord op de vraag zal immers eens te meer genuanceerd zijn. leder locale afdeling kan uiteraard voor zichzelf ervoor opteren dat er lidkaarten worden uitgegeven. Verzoekende partij was een locale militant. Opnieuw geven de genoteerde antwoorden dus niet de werkelijke verklaring van verzoekende partij weer. De mangelt ook duidelijk aan de nota's omtrent de verklaringen met betrekking tot plaats van de moord van Savimbi. Uit de bestreden beslissing en de nota's blijkt niet, hetgeen nochtans de waarheid is, dat Savimbi elders vermoord is dan waar hij werd aangetroffen. Met de nota's van het verhoor op het commissariaat generaal kunnen dus geen tegenstrijdigheden bewezen worden. De commissaris generaal heeft blijkbaar niet genoteerd, hetgeen verzoekende partij nochtans verklaard heeft, dat er geen officieel partijbureau in Luanda is. UNITA fungeerde immers als een organisatie en niet als een 'officiële partij'. De nota's zijn in die zin dan ook misleidend en suggereren onterecht een tegenstrijd met de werkelijkheid. Verzoekende partij verklaarde dat men de radio van UNITA 'Emissionara de UNITA' noemde. Daarmee heeft hij niet de officiële naam bedoeld. Dat die nuance eens te meer niet werd genoteerd toont weerom het manko van de nota's aan. Er kan trouwens verwezen worden naar de gemeenelijke benaming van Vlaamse televisieomroep. Deze wordt immers nog steeds BRT genoemd terwijl de officiële naam VRT is. Verzoekende partij heeft wel degelijk verklaard dat de JURA in 1974 werd opgericht. De vader van verzoekende partij was gestorven in 1992, zoals overigens verklaard bij de DVZ. Ook op het commissariaat generaal heeft hij dit zo verklaard. Verzoekende partij gaat toch niet liegen omtrent de sterfdatum van zijn vader? Overigens, wat voor nut zou dat hebben? Verzoekende partij werd gevangen genomen op 7 september . Dat er in de nota's van de commissaris generaal te lezen staat dat verzoekende partij op 7 juli zou zijn opgepakt berust niet op de verklaring van verzoekende partij. Verzoekende partij heeft verklaard dat hij opgesloten werd in de gevangenis 'judiciaire' dicht bij Sáo Paulo. Want, inderdaad, Sáo Paulo is nu een ziekenhuis voor gedetineerden. Maar de naam blijft een 'richtpunt'. Verzoekende partij is gehuwd op 9 juli 2000, dus niet september. Hij heeft dat ook zo verklaard. Eens te meer blijkt de tolk ofwel de interviewer van dienst 'september' en 'juli' door elkaar gehaald te hebben. Verzoeker en zijn vrouw hebben elkaar leren kennen in
- Daarmee bedoelde verzoeker dat hij daar voor het eerste met haar gesproken had, zonder dat er meteen sprake was van een 'relatie'. De relatie is pas begonnen in
- Ook de andere persoonlijke gegevens werden fout neergeschreven. Trouwens waarom zou verzoekende partij liegen omtrent deze persoonlijke situatie. Zelfs al waren verzoeker en zijn echtgenote niet gehuwd -quod non-, dan nog zou dit niets veranderen aan zijn problemen in Angola en zou zijn 'vriendin' in deze hypothese perfect samen met verzoeker kunnen in België verblijven. Discriminatie ter zake tussen gehuwden en niet gehuwden is immers uit den boze. Zoals Uw Raad reeds onder andere in het arrest van 8 augustus 2002 nr 109.702, bevestigd in de arresten nr 109.830, 109.832 en 109.913 oordeelde maakt het verslag van het interview bij de DVZ een onderhandse akte uit in de zin van art. 1322 B.W. dat geldig kan worden tegengeworpen. In casu heeft de commissaris generaal wat de correctheid van de in dit interview gedane verklaringen geen bijzondere opmerkingen geformuleerd. De nota's van het interview bij de commissaris generaal hebben evenwel geen enkele bewijswaarde. Nu de commissaris generaal wordt aangezien als een quasi juridictioneel orgaan moet deze de meest elementaire procedureregels respecteren. Een weigeringsbeslissing XIV-14.816-5/9 gebaseerd op tegenstrijdigheden tussen het interview bij DVZ en het interview bij de commissaris generaal kan uiteraard geen negatieve beslissing schragen. Ook in casu is dat dus het geval. Bovendien is een weigering op basis van een verwijzing naar de zogezegd gedane verklaringen bij de commissaris generaal (althans zoals deze werden opgetekend door de interviewer van dienst) evenmin rechtsgeldig.(R.v.St., 30 september 2002, nr 110.765) Zoals verzoeker duidelijk en geloofwaardig heeft aangetoond komen zijn gedane verklaringen niet overeen met wat er genoteerd werd. Verzoeker, noch zijn raadsman kregen de kans de nota's even na te lezen op hun correctheid. Onderhavige beslissing is dus nietig. Het eerste middel is aldus gegrond.”, 3.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Kan als vluchteling erkend worden de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die ten dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden”; dat de verzoekende partij niet aantoont hoe deze bepaling met de bestreden beslissing kan zijn geschonden, nu het artikel op zichzelf geen bindend voorschrift inhoudt; Overwegende dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten wordt in die hoedanigheid in het rijk te verblijven wanneer de aanvraag bedrieglijk is, en kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat de commissaris- generaal, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, kan besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag wanneer de opeenvolgende verklaringen van de kandidaat-vluchteling tegenstrijdigheden vertonen omtrent essentiële punten van het vluchtmotief; XIV-14.816-6/9 Overwegende dat het betoog van de verzoekende partij met betrekking tot de vertaling, interpretatie en weergave van haar verklaringen op het commissariaat- generaal niet kan worden bijgetreden nu uit het verhoorverslag blijkt van het commissariaat-generaal dat zij hieromtrent geen enkele opmerking heeft gemaakt alhoewel het verslag aan haar werd voorgelezen en haar werd gevraagd of zij alles had begrepen en of zij nog opmerkingen had; dat haar betoog geen afbreuk doet aan de vaststelling van de commissaris-generaal betreffende de lidkaarten van het UNITA; dat de verzoekende partij de vaststellingen van de commissaris-generaal met betrekking tot Abel Chivukuvuku, Manuvokola, het overlijden van haar schoonmoeder en de woonplaats van Antonia niet bespreekt, noch weerlegt; dat zij voor het overige een eigen interpretatie geeft aan de in de bestreden beslissing vermelde verklaringen en vaststellingen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “De verzoekende partij haalt haar tweede middel uit de schending van: - Het art. 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna E.V.R.M.), - Het art. 63/5 lid 3 en 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, hetverblijf,de vestiging ende verwijdering van vreemdelingen (hierna de Vreemdelingenwet), - Het art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. - Het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de bestreden beslissing wordt immers zonder een motivering in concreto, noch een concreet onderzoek van de speciale situatie beslist dat de verzoekende partij kan worden teruggeleid naar Angola. In elk geval diende de verzoekende partij het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen na de bestreden beslissing. In zijn advies omtrent de terugleiding van verzoekende partij naar zijn land van herkomst baseert de commissaris generaal zich enkel op de algemene en niet concrete motivering van de beweerde bedrieglijke asielaanvraag en het feit dat verzoekende partij 'wel amnestie zal krijgen'. De commissaris generaal moest in het licht van het art. 63/5 van de Vreemdelingenwet in casu dan ook in zijn advies omtrent de terugleiding concreet motiveren waarom de verzoekende partij, ondanks deze bijzondere situatie, toch kon teruggeleid worden naar het land van herkomst. De commissaris generaal moest meer in het bijzonder motiveren waarom de verzoekende partij niet moet vrezen voor zijn leven, zijn fysieke integriteit en zijn vrijheid bij een eventuele terugleiding. De commissaris generaal heeft zijn beslissing evenwel niet gemotiveerd. Hij volstond zich met de standaardverwijzing dat de asielaanvraag bedrieglijk zou zijn en er in Angola geen problemen meer zijn. Deze motivering is uiteraard niet afdoende zodat het middel daarom reeds gegrond is. Bovendien heeft Uw Raad reeds eerder geoordeeld dat in elk individueel geval de vrees voor vervolging om een van de in het Verdrag vermelde gronden moet onderzocht worden.(R.v.St., nr. 43.083, 26 mei 1983, Noor Mohammed Noor, Rev. du droit des étrangers, 1993, 336). Deze rechtspraak is evenwel ontwikkeld met betrekking tot de burgeroorlog in Somalië maar evenzeer perfect van toepassing op de situatie in Angola. In casu moest door de commissaris generaal onderzocht worden of verzoekende partij zelf in zijn land van herkomst bij een eventuele terugleiding ernstige problemen zal ondervinden. XIV-14.816-7/9 Waar enerzijds een burgeroorlogsituatie de erkenning niet uitsluit weer verzoekende partij uiteraard ook wel dat een burgeroorlogsituatie niet automatisch tot erkenning leidt. De verzoekende partij heeft een eigen verhaal uiteengezet en de eigen redenen waarom hij werd vervolgd en waarom hij in Angola voor zijn leven vreest. In betwiste beslissing is er niet aangegeven dat het eigen vluchtrelaas kennelijk onwaar of bedrieglijk is. Neen, de commissaris generaal zegt zelfs dat als het vluchtrelaas wordt aangenomen er toch geen asiel kan worden vertrekt omdat de 'globale situatie' opgelost zou zijn. Er is dus eigenlijk gemotiveerd dat dit eigen verhaal van verzoekende partij niet eens moet onderzocht worden. Hetgeen uiteraard niet kan en in strijd is met art. 57/22 Vreemdelingenwet. Het is overigens algemeen geweten dat de zogenaamde amnestiemaatregel vooral bedoeld is voor de kopstukken die door de internationale organisaties bekend zijn en dus ook gevolgd worden. De kleinere militanten worden evenzeer als vroeger uitgemoord. De stelling als zou eenieder die ooit voor UNITA opkwam per definitie amnestie krijgen is dan ook al te simplistisch. Een jarenlange burgeroorlog wordt niet met één pennetrek opgelost. De achterhoede gevechten blijven nog jarenlang aanslepen. De motivering van de bestreden beslissing is dus absoluut niet afdoende. De commissaris generaal gaat overigens volledig voorbij aan het feit dat er op heden drie UNITA's bestaan. Enerzijds zijn er de groep van UNITA-aanhangers die recent een akkoord gesloten hebben met de MPLA. Daarnaast bestaat de halfweg de jaren negentig afgescheiden UNITA-renovada. Tot slot is nog steeds een deel van de UNITA aanhang gekant tegen de samenwerking met de MPLA. Tot die strekking behoort verzoeker. Hij gelooft immers nog steeds in de echte idealen van de UNITA. Ook het tweede middel is gegrond.”; 3.2.
- Overwegende dat het middel, in de mate dat het betrekking heeft op de “terugleiding van verzoekende partij naar zijn land van herkomst”, blijkens de bewoordingen ervan uitsluitend is gericht tegen de overwegingen dienaangaande van de commissaris-generaal; dat de commissaris-generaal te dezen slechts een advies verstrekt met toepassing van artikel 63/5, derde lid, van de Vreemdelingenwet, zodat het niet gaat om een aanvechtbare administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht, dat kan verwezen worden naar de bespreking van het eerste middel; dat de verzoekende partij de vaststellingen van de commissaris-generaal betreffende de amnestieverlening van 2 april 2002 niet weerlegt, doch zich beperkt tot het geven van haar eigen visie op de algemene toestand dienaangaande, zonder deze evenwel te staven met concrete elementen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-14.816-8/9 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.816-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div