← België

Arrest 142378 - - 18/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.378 Rolnummer: A. 138898/XIV-15868 Zaak: Arrest 142378 - - 18/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:06 Fiche Arrest nr 142.378 van 18 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.378 van 18 maart 2005 in de zaak A. 138.898/XIV-15.868 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. LIPS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 9 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen, enerzijds, van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en, anderzijds, van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juni 2003 tot bevestiging van voornoemde beslissing; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 16 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-15.868-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-P. LIPS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 januari 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 10 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat die beslissing van de commissaris-generaal luidt als volgt; “U, een Georgisch staatsburger van Yezidi-origine, verklaarde dat u Georgië verliet omdat u er problemen kende omwille van uw origine. Yezidi's kenden in de jaren negentig veel problemen in Georgië en daarom richtte uw echtgenoot in 1995 samen met twee andere Yezidi's een organisatie op. Zij hielpen andere Yezidi's met het schrijven van klachten en poogden hun problemen op te lossen. De overheid zette uw echtgenoot echter onder druk om zijn activiteiten te stoppen. In de herfst van 1997 stuurden de autoriteiten twee personen naar jullie woning. Uw schoondochter werd toen geslagen en liep daarbij een gebroken neus op. Zij namen ook allerlei spullen mee. De politie werd opgebeld en kwam ter plaatse. De agenten schreven echter niets op. In 1999 werd uw zoon N. door de politie opgepakt. Op het politiebureau werd hij gefouilleerd en er werd drugs in zijn zakken gestopt. Uw zoon werd van drugsbezit beschuldigd. Toen uw zoon zei dat die drugs niet van hem waren werd hij zwaar afgeranseld. 's Avonds belde de politie jullie op en na het betalen van 5000 US dollar werd uw zoon vrijgelaten. Verder was uw echtgenoot chauffeur van een minibus. Eind 2001 werd het parkeerterrein vanwaar hij vertrok en dat eigendom was van een Yezidi, overgenomen door de politiechef. Deze laatste begon alle Yezidi werknemers te ontslaan. Uw echtgenoot weigerde ontslag te nemen en werd daarom aangevallen. Hij kreeg daarbij een messteek. Later verloor uw echtgenoot alsnog zijn werk. Hij diende klacht in tegen die politiechef en uiteindelijk werd die man ontslagen. Op 8 januari 2002 viel men jullie woning binnen. U, uw echtgenoot en uw zoon S. werden zwaar toegetakeld. Uw zoon verloor vier tanden en u had een gebroken enkel. In april 2002 werd uw zoon S. geslagen door twee personen, vermoedelijk politieagenten. Hierna ging uw echtgenoot naar de politie en vroeg hoelang die bedreigingen nog gingen duren. Een tiental dagen voor uw vertrek uit Georgië werd uw echtgenoot door de politie opgeroepen. De politiechef gaf hem tien dagen de tijd om Georgië te verlaten. U verliet Tbilisi samen met uw echtgenoot, uw twee zoons, uw schoondochter en uw twee kleinkinderen. Ergens aan de Turks-Georgische grens zei de chauffeur dat hij maar vier personen kon meenemen. Uw echtgenoot, uw zoon N. en uw schoondochter bleven achter. Op 12 januari 2003 verliet u Georgië samen met uw minderjarige zoon en uw minderjarige kleinkinderen B. A. en B. N. Georgië. Op 17 januari 2003 vroeg u bij de Belgische autoriteiten de status van vluchteling aan. B. Motivering U baseert uw asielaanvraag op de problemen die u in Georgië kende omwille van uw Yezidi-origine. U en uw gezin werden hard aangepakt door de autoriteiten, enerzijds omdat uw echtgenoot lid was van een associatie die poogde andere Yezidi's te helpen en anderzijds omdat uw echtgenoot weigerde ontslag te nemen en na zijn ontslag klacht indiende. Er werden meerdere aanslagen op u en uw gezinsleden uitgevoerd. Uiteindelijk dwong de politie u en uw gezin Georgië te verlaten. XIV-15.868-2/9 Uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat Yezidi's door de geslotenheid van hun gemeenschap minder geïntegreerd zijn in de samenleving en daardoor meer socio-economische problemen ondervinden dan andere bevolkingsgroepen. Volgens de geraadpleegde bronnen ondervinden de in Georgië levende Yezidi's echter geen aan etnische afkomst gerelateerde problemen en zijn Yezidi's niet het mikpunt van aanvallen met een etnisch karakter door nationalistische groeperingen of de politie. Bovendien blijkt uit de informatie dat de associatie The Ezidi Union of Georgia waar uw echtgenoot lid van is (zie lidkaart), als een culturele organisatie geregistreerd is en gesubsidieerd wordt door de Georgische overheid. Uit de informatie blijkt alleszins niet dat leden van The Ezidi Union of Georgia problemen kennen met de Georgische autoriteiten. Gezien het voorafgaande dient te worden besloten dat uw verklaringen niet stroken met de geciteerde documentatie en er derhalve niet kan worden besloten dat er sprake is van vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève, van personen van Yezidl-origine in Georgië. Tot slot dient te worden opgemerkt dat in het kader van de dringende beroepen die door uw minderjarige kleinkinderen Baravi Amiran (o.v. 5.422.937) en Baravi Nana (o.v. 5.422.942) werden ingesteld, eveneens een bevestigende beslissing genomen werd. Aldus kan in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u aangebrachte documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Uw huwelijksakte, de geboorteaktes van uw kleinkinderen, het attest dat u belastingen betaalt en de schoolattesten van uw zoon bevestigen enkel uw identiteit. De lidkaart van uw echtgenoot bevestigt louter dat hij lid was van The Ezidi Union of Georgia. De medische attesten kunnen de geloofwaardigheid niet herstellen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 30 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”;
  2. Overwegende dat het huidige beroep vooreerst is gericht tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 februari 2003 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing echter is bevestigd door de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juni 2003; dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de commissaris-generaal, het beroep tegen de voornoemde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken niet ontvankelijk is, behoudens voor wat betreft het bevel om het grondgebied te verlaten; dat dit bevel ingevolge het instellen van het dringend beroep niet ten uitvoer kan worden gelegd doch “herleeft” ingevolge de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de commissaris-generaal; dat in casu uit de expliciete bewoordingen van de middelen blijkt dat geen enkel middel of onderdeel ervan is gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken; dat de vordering derhalve ook in die mate niet-ontvankelijk is zodat er geen reden bestaat om de minister van Binnenlandse Zaken als steller van het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten, in de zaak te betrekken; XIV-15.868-3/9 3.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het EERSTE MIDDEL is afgeleid uit de schending van artikel 63/3, § 1, al. 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (de ‘Wet van 15 december 1980'). Doordat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar beslissing steunt op artikel 52, § 2, 2/juncto artikel 52, § 1, 2/, a) van de wet van 15 december 1980 maar daarentegen de dienst Vreemdelingenzaken zijn beslissing steunt op artikel 52, § 2, 2/juncto artikel 52, § 1, 2/, b) van de wet van 15 december
  4. Terwijl het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen enkel de aangevochten beslissing kan bevestigen of kan beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is. In casu neemt het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een nieuwe beslissing op grond van een nieuwe rechtsgrond. Zodat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen machtsoverschrijding pleegt. Toelichting van het middel Naar Belgisch staatsrecht zijn de machten van de administratie bij uitstek toegewezen bevoegdheden (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 960). Luidens artikel 105 G.W. heeft de Koning immers geen andere machten dan die welke hem uitdrukkelijk door de Grondwet of door de krachtens de Grondwet uitgevaardigde wetten zijn opgedragen. De bevoegdheid van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen moet dus, rechtstreeks of onrechtstreeks haar oorsprong vinden, hetzij in de Grondwet, hetzij in de wet. Een nieuwe beslissing op grond van een nieuwe rechtsgrond behoort niet tot de toegewezen mogelijkheden. Het middel is gegrond.”; 3.1.
  5. Overwegende dat artikel 63/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een dringend beroep voorziet bij de commissaris- generaal tegen de beslissing waarbij de minister van Binnenlandse Zaken, of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal luidens artikel 63/3, eerste lid, van dezelfde wet, deze beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde kan bevestigen dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat de voornoemde bepalingen derhalve een georganiseerd administratief beroep inrichten tegen de in artikel 63 van de Vreemdelingenwet bepaalde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat het voornoemde artikel 63/2 niet uitdrukkelijk de gronden vermeldt waarop de commissaris- generaal de bij dringend beroep bij hem aanhangig gemaakte beslissing kan bevestigen dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat evenwel één van de wezenskenmerken van een georganiseerd administratief beroep is, dat bij het behandelen van zulk een beroep de aanvraag in haar volledigheid, en dus zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de opportuniteit, wordt onderzocht; dat derhalve de commissaris-generaal wanneer hij oordeelt in hoger (dringend) beroep, dezelfde beoordelingsbevoegdheid heeft als die waarover de minister van Binnenlandse Zaken in eerste aanleg beschikt; dat derhalve de commissaris-generaal bij het nemen van de in artikel 63/3, eerste lid, van de Vreemdelingenwet bepaalde beslissing, rechtmatig kan steunen op de in artikel 52, § 2, van de Vreemdelingenwet bepaalde (on)ontvankelijkheidsgronden; dat de commissaris-generaal derhalve zijn bevoegdheid niet overschrijdt door zijn XIV-15.868-4/9 beslissing te gronden op de in artikel 52, § 2, van de Vreemdelingenwet bepaalde grond; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het TWEEDE MIDDEL is afgeleid uit de schending van de wet: in het bijzonder van artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980; artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (het ‘Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 195 l’); artikel 57/23bis van de wet van 15 december 1980; artikelen 2, 3, 5, 8 en 9 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het ‘Verdrag van 4 november 1950'); artikel 22 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind (het ‘Verdrag inzake de rechten van het kind’); en het beginsel patere legem guam ipsi fecisti. Doordat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevoegdheid heeft toegewezen gekregen om: - aan de asielzoeker de hoedanigheid van vluchteling, in de zin van de Internationale verdragen die België binden, te erkennen, weigeren te erkennen of de erkenning in te trekken - aan de vreemdeling de vereiste documenten te verschaffen (art. 57/6 van de wet van15 december 1980). En doordat verzoeker aan de criteria van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 voldoet. Terwijl verzoeker aan de criteria van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 voldoet. De bedoelde criteria zijn: - de asielzoeker bevindt zich buiten zijn land van herkomst; hij heeft een gegronde vrees heeft voor vervolging omwille van politiek, ras, etnie, nationaliteit of het behoren tot een sociale groep; - hij kon of wilde de bescherming van het land van herkomst niet inroepen omdat de overheid van dit land deze bescherming niet biedt of kan bieden. In casu (
  1. a)vroeg verzoekster asiel aan in België, (
  2. b)omdat zij slachtoffer was van persoonsgerichte vervolging waarbij zij blootstond aan slagen, gewapende agressie en verminking vanwege de overheden, gevangenzetting zonder eerlijk proces, mogelijks met de dood tot gevolg (zie voor de details van de feiten sub paragraaf I hierboven), (
  3. c)terwijl de Georgische Federale overheid dit toeliet of niet kon verhinderen en haar houding sinds de vlucht van verzoeker niet is veranderd. In feite is de Georgische Federale overheid de agressor zelf. Eenmaal dat de genoemde criteria voldaan zijn kan het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen enkel de vluchteling erkennen. Er zijn geen valse verklaringen afgelegd of valse of vervalste documenten overlegd. En terwijl er in hoofde van verzoekster geen verplichting bestaat om documenten ter ondersteuning van zijn verklaringen mede te delen. Zij dient wel: - de waarheid te vertellen en mee te werken aan de vaststelling van de feiten; - een inspanning te doen om zijn relaas te staven en een afdoende uitleg te geven - waarom zij niet over de nodige bewijsstukken beschikt; - alle pertinente informatie over haar zelf en haar ervaringen gedetailleerd en samenhangend te geven opdat zij haar asiel aanvraag zou kunnen rechtvaardigen en de ondervrager de relevante feiten zou kunnen vaststellen. Hetgeen ontegensprekelijk uit de verslagen van verwerende partijen blijkt. Anderzijds heeft het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf de verplichting: - te verzekeren dat de vluchteling zijn zaak zo volledig mogelijk aanbrengt; - de geloofwaardigheid te bepalen en het bewijs te evalueren zo nodig door de vluchteling het voordeel van de twijfel te geven ten einde de objectieve en subjectieve elementen in het relaas vast te stellen; - deze elementen te koppelen aan de criteria van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951. Deze principes liggen vervat in het handboek van het Hoog Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties (Handbook on procedures and criteria for determining refugee status under the 1951convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, Genève, 1992 (het ‘Handboek’), nr. 205) dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als permanent advies bindt. Op grond van artikel 35
(1)van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en artikel 57/23bis van de Wet van 15 december 1980 heeft het Hoog Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties een controlebevoegdheid ten opzichte van de XIV-15.868-5/9 dienst Vreemdelingenzaken, het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de vaste beroepscommissie voor vluchtelingen. Indien één van deze asielorganen afwijkt van het advies dan moet zij in haar beslissing uitdrukkelijk de redenen daarvan vermelden (art. 57/23bis, al. 3 van de wet van 15 december 1980). Volgens J.C. HATHAWAY kunnen de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat deze verklaringen mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (Ihe Law of Refugee Status, Toronto- Vancouver, Butterworths, 1991, 84). Indien het voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onmogelijk is om het tegenbewijs te leveren dan dient de twijfel in het voordeel van Verzoeker te spelen (J.C. HATHAWAY, o.c., 84; Handboek, nrs. 203- 204). In casu strookt het verhaal van verzoekster met de algemeen bekende feiten. De documenten waarnaar het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijst als ‘de informatie waarover het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd’ steken niet in het dossier en de argumentatie dat de Ezidi's een gesloten gemeenschap vormen is geen aanvaardbare of logische verklaring voor de systematische vervolging en apartheidsbehandeling (zie de feiten sub paragraaf 1 hierboven) van de sociale groep waartoe verzoekster behoort. En terwijl het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen naliet te onderzoeken of de rechten op leven (art. 2), op vrijwaring van foltering (art. 3), op vrijheid en veiligheid (art. 5), op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (art. 8), en op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art. 9) van verzoeker zoals voorzien in het Verdrag van 4 november 1950 werden gerespecteerd of zullen gerespecteerd worden bij gedwongen repatriëring. Nochtans omsluit het onderzoek naar de objectieve elementen voor de gegronde vrees voor het leven, de fysieke integriteit of vrijheid de evaluatie van voornoemde rechten in. En terwijl het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelt en in zoveel woorden zegt dat het Verdrag inzake de rechten van het kind van toepassing is op de twee kleinkinderen van verzoekster miskent zij de rechten van de drie minderjarige kinderen (één zoon en twee kleinkinderen) en schaadt zij de belangen van die minderjarige kinderen. Zolang de ouders van de twee kleinkinderen A. en N. niet gelokaliseerd zijn, kunnen zij niet het land verlaten. In voorkomend geval zouden zij het inherente recht op leven, het recht op ontwikkeling door onderwijs, voorzieningen voor gezondheidszorg, etc. ontnomen worden zonder dat er enige garantie is dat zij deze elders kunnen genieten. En terwijl het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de voornoemde bevoegdheden, taken en verplichtingen herneemt in haar ‘Handvest’ en dit handvest in elk lokaal van haar zetel op een zichtbare plaats heeft opgeplakt, wekt zij bij Verzoeker het vertrouwen op dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de regels die zij zichzelf oplegt, zal toepassen. Zodat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de wet en het beginsel patere legem quam ipsi fecisti schendt. Toelichting van het middel De administratieve rechtshandeling mag vooreerst niet strijdig zijn met de wet. Het woord ‘wet’ wordt hier in de meest algemene materiële betekenis gebruikt. Het verdragsrecht en inzonderheid de communautaire verdragen en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, behoren tot de bronnen van het Belgisch administratief recht (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE, o.c., nr. 963). Uit het wettigheidsbeginsel heeft de rechtspraak van de Raad van State de regel afgeleid dat de administratieve overheid bij individuele beslissingen niet mag afwijken van de algemene regeling die zijzelf heeft uitgevaardigd (patere legem quam ipsi fecisti): R.v.St., FRANCOIS, nr. 115 van 26 augustus 1949; LEROY, nr. 2202 van 13 februari 1953; VAN HERREWEGE, nr. 3519 van 26 juni 1954; DELFLASSE, nr. 4098 van 21 februari 1955; EELENS, nr. 5401 van 4 december 1956; SABBE en cons., nr. 13119 van 25 juli
  1. Het middel is er tevens één van onbevoegdheid ratione materiae doordat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar eigen bevoegdheid negeert (A. VRANCKX, Administratieve rechtshandelingen, Adm. Lex., 1961, nr. 79; R.v.St., AUDENAERT, nr. 314 van 3 april 1950; BELGISCHE STAAT, nr. 9828 van 22 januari 1963, met noot
  2. DE LEYE, T.B.P., 394-395; BARON FREDERICQ, nr. 13327 van 15 januari 1969; SAUVAGE, nrs. 18267 en 18268 van 12 mei 1977). Het middel is gegrond.”; 3.2.
  3. Overwegende dat de commissaris-generaal besluit dat de aanvraag bedrieglijk is, nadat hij heeft vastgesteld dat uit informatie blijkt dat Yezidi’s in Georgië geen problemen omwille van hun etnische afkomst kennen en dat leden van The Ezidi XIV-15.868-6/9 Union of Georgia, zoals de echtgenoot van de verzoekende partij, evenmin problemen hebben met de Georgische autoriteiten; dat de verzoekende partij tegen dit motief verkeerdelijk inbrengt dat de bronnen waarop de commissaris-generaal zich steunt, niet in het dossier te vinden zijn; dat de verzoekende partij zich voorts beperkt tot het geven van een algemene beschrijving van het vluchtelingenrecht en tot het herhalen van de verklaringen die zij reeds in het kader van de administratieve asielprocedure had afgelegd; dat de verzoekende partij met een algemene bevestiging van haar standpunt dat zij wel vervolgd werd, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de door de verzoekende partij opgeworpen schending van de artikelen 2, 3, 5, 8 en 9 van het E.V.R.M. en artikel 22 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november1989, die zich zou voordoen bij “gedwongen repatriëring”, in het middel uitsluitend wordt betrokken op “het commissariaat-generaal”; dat de commissaris-generaal te dezen slechts een advies verstrekt, zodat het niet gaat om een aanvechtbare administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; 3.3.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: Het DERDE EN LAATSTE MIDDEL is afgeleid uit de schending van artikel 62, al. 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen juncto artikel de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat verwerende partijen de feiten naast zich neerleggen die een verklaring geven voor de vermeende tekorten of tegenstrijdigheden in het relaas of zelfs het beweerde bedrieglijke karakter ervan weerleggen. Het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beperkt haar motivering tot de verwijzing naar één document zonder bronvermelding en dat niet in het dossier steekt. Terwijl overvloedig uit de vragen en antwoorden die de verwerende partijen zelf hebben genoteerd blijkt dat verzoekster naar haar vermogen alle elementen heeft aangebracht waarvan zij meende dat zij voldoende duidelijke en volledig waren. Zij heeft bovendien gepoogd alle feiten door bewijsstukken of een begin van bewijs. Het getuigt van een vooringenomenheid in hoofde van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat terwijl een overvloed aan geloofwaardige objectieve gegevens voorhanden zijn om een positieve beslissing te schragen, zij deze negeert door terug te grijpen naar een occult document. Zodat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in haar beslissing de motiveringsplicht schendt. Toelichting van het middel Artikel 62, al. 1 van de wet van 15 december 1980 is een bijzondere toepassing van de wet van 29 juli
  5. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de betrokken bestuurshandelingen ‘uitdrukkelijk’ moeten worden gemotiveerd. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt medegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet omvatten, maar tevens de XIV-15.868-7/9 redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing werd genomen (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE, o.c., nr.748). Artikel 3 van de wet schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Het vermelden van de juridische overwegingen houdt in dat in concreto op een ondubbelzinnige wijze moet verwezen worden naar de toegepaste norm of het beginsel van behoorlijk bestuur (R.v.St., BVBA SPIELOTHEK, nr. 78960 van 2 februari 1999). De feitelijke gegevens zijn de gegevens die voor de toepassing van de norm zorgen (R.v.St., VANDENDOREN, nr. 87008 van 3 mei 2000). De term ‘afdoende’ bevestigt de rechtspraak van de Raad van State welke van oudsher van een deugdelijke motivering vereist dat zij meer is dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE, o.c., nr. 749). De motivering moet pertinent zijn, d.w.z., duidelijk te maken hebben met de beslissing (R.v.St., GHYSELS, nr. 43 259 van 9 juni 1993; VAN DEN VLOET, nr. 72834 van 30 maart 1998). Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z., dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen (R.v.St., COOLS, nr. 42143 van 3 maart 1993; BULENS, nr. 43 596 van 30 juni 1993; FLAMAND, nr. 43782 van 12 juli 1993; KEIRSEBILCK, nr. 51142 van 16 januari 1995; JAQUES, nr. 51576 van 8 februari 1995; VAN HOORNEWEDER, nr. 52975 van 18 april 1995; BREUGELMANS, nr. 72835 van 30 maart 1998). Draagkrachtig betekent dat de motivering de beslissing maar zal kunnen schragen wanneer zij duidelijk, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet, precies en volledig is. Het middel is gegrond.”; 3.3.
  6. Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen worden gelezen; dat met name uit het tweede middel blijkt dat de verzoekende partij die motieven kent en inhoudelijk aanvecht; dat aldus aan de voornaamste vereiste van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan; dat uit de bespreking van het tweede middel blijkt dat de commissaris-generaal in alle redelijkheid tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag kon besluiten en dat de verzoekende partij er verkeerdelijk van uitgaat dat de bronnen waarop de commissaris- generaal zich steunt, niet in het dossier te vinden zijn; dat het derde middel ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. XIV-15.868-8/9 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.868-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.378 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.