id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.379 Rolnummer: A. 150269/XIV-19176 Zaak: Arrest 142379 - - 18/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 09:07 Fiche Arrest nr 142.379 van 18 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.379 van 18 maart 2005 in de zaak A. 150.269/XIV-19.
- In zake :
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat M.-C. WARLOP, kantoor houdende te 1200 BRUSSEL, Slegerslaan
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Syrische nationaliteit, op 1 april 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 februari 2004 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 9 oktober 2003 en 24 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 1 maart 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 april 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-19.176-1/6 Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DUPONT, die loco advocaat M.-C. WARLOP, verschijnt voor de eerste verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de eerste verzoekende partij België binnenkomt op 9 september 2003 en zich vluchteling verklaart op 11 september 2003; dat de tweede verzoekende partij België binnenkomt op 14 april 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat respectievelijk op 9 oktober 2003 en 24 juli 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 27 februari 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - Inzake de eerste verzoekende partij: “U, die de Syrische nationaliteit bezit en van Koerdische origine bent, zou afkomstig zijn van Allepo. Sinds begin 2001 zou u lid zijn van de Koerdische partij ‘Yekîti’ van lsmaël Emmo. Rond april/mei 2001 zou u actief zijn geworden binnen een cel van ‘Yekîti‘. Uw echtgenote zou nog voor jullie huwelijk met u binnen deze cel actief zijn geweest. U zou deel hebben genomen aan vergaderingen en partijpublicaties hebben gedistribueerd aan sympathisanten. Met uw echtgenote zou u twee à drie keren deze publicaties hebben verdeeld. Op twee januari 2003 zou u met haar de partijkrant ‘Jarida al- Markazia’ hebben willen distribueren aan sympathisanten. Plots zouden vier veiligheidsagenten u en uw echtgenote hebben gearresteerd en meegenomen naar de politieke veiligheidsectie van Suleimanyah. U zou zijn beschuldigd van lidmaatschap bij ‘Yekîti’ en voor ongeveer acht maanden alleen zijn gedetineerd. Uw echtgenote zou na een maand opsluiting voorwaardelijk zijn vrijgelaten. Ze zou hierna Syrië zijn ontvlucht en naar België zijn afgereisd voor asiel. Gedurende uw detentie zou u zijn mishandeld. U zou hierdoor ernstig ziek zijn geworden waardoor u zou zijn opgenomen in een militair ziekenhuis. U zou er vier dagen hebben verbleven en met de hulp van een personeelslid erin geslaagd zijn het ziekenhuis te ontvluchten. Op 9 september 2003 zou u op clandestiene wijze per vrachtschip naar Turkije zijn gevaren. Vervolgens zou u per wagen naar Italië en verder naar België zijn afgereisd voor asiel. B. Motivering Vooreerst dient opgemerkt dat u voor het commissariaat-generaal (CGVS) tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd vergeleken met het gehoor van uw echtgenote XXX die de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas ondergraven. Zo verklaarde u meer dan een jaar voor uw. huwelijk, met uw echtgenote actief te zijn geweest binnen één cel van ‘Yekîti’ (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 13 bis, p. 14). Uw echtgenote beweerde pas na jullie XIV-19.176-2/6 huwelijk in éénzelfde cel actief te zijn geweest (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 19, p. 20). U verklaarde twee á drie keer met uw echtgenote partijpubicaties te hebben gedistribueerd (zie gehoorverslag CGVS, eerste verhoor, p. 5 en gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 14 bis). Uw echtgenote beweerde tijdens haar eerste gehoor voor het CGVS vijf á tien keer met u deze publicaties te hebben verdeeld (zie gehoorverslag CGVS, eerste verhoor, p. 13, p. 13 bis). Op haar tweede gehoor verklaarde ze evenwel plots twee à drie keer met u partijpublicaties te hebben verspreid (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 21). Verder verklaarde u op 2 januari 2003 de partijkrant enkel aan sympathisanten te hebben willen verdelen omdat leden die reeds zouden ontvangen hebben (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 15 bis). Uw echtgenote beweerde deze zowel aan sympathisanten als leden te hebben willen distribueren (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 21 bis). Bovengaande tegenstrijdige verklaringen stellen uw asielrelaas in een ernstig bedrieglijk daglicht. Tevens dient aangestipt dat u gedurende uw asielprocedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaarde u tijdens uw eerste gehoor voor het CGVS dat de vergaderingen binnen uw cel tussen mannen en vrouwen werden opgesplitst (zie gehoorverslag CGVS,eerste verhoor, p. 4). Op uw tweede verhoor voor het CGVS beweerde u plots dat gescheiden vergaderingen de uitzondering waren en gemengd vergaderen de regel zou zijn geweest (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 14 bis, p. 15). Verder dient aangestipt dat er ernstig getwijfeld kan worden aan uw aktief lidmaatschap en engagement bij ‘Yekîti’ van de fractie van Ismaël Emmo. Zo kon u buiten de voorzitter en algemene secretaris geen namen geven van kaderleden of prominente personen van uw partij (zie gehoorverslag CGVS, eerste verhoor, p. 5 bis, p. 6). U kon geen enkele naam geven van een gearresteerd kaderlid van de partij (zie gehoorverslag CGVS, eerste verhoor, p. 6). Verder verklaarde u op uw eerste gehoor voor het CGVS dat uw partij geen embleem heeft (zie gehoorverslag CGVS, p. 7 bis). Tijdens uw tweede gehoor kon u plots wel het embleem weergeven (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 12). Tot slot verklaarde u dat uw partij sinds ongeveer 2000 volledig onafhankelijk werkt en niet tot een alliantie van Koerdische partijen behoort (gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 16). Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat uw partij sinds 1999 wel deel uitmaakt van een alliantie van zes Koerdische partijen. Bovengaande vaststellingen zijn zo flagrant dat er geen verder geloof kan gehecht worden aan uw vluchtmotieven. De door uw echtgenote voorgelegde echtscheidingsdocumenten van haar eerste huwelijk, huwelijksakte van het huidig huwelijk, geboortecertificaat van uw dochter en een medisch attest van uw echtgenote bewijzen weliswaar wel uw huwelijk, identiteit, afkomst en vaderschap maar vermogen in het licht van bovengaande vaststellingen uw asielaanvraag niet in positieve zin om te buigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 1910511993: artikel 17, par. 2, al 2.).”; - Inzake de tweede verzoekende partij: “U, die de Syrische nationaliteit bezit en van Koerdische origine bent, zou afkomstig zijn van Allepo. Sinds begin 2001 zou u lid zijn van de Koerdische partij ‘Yekîti’ van de fractie van Ismaël Emmo. Rond april/mei 2001 zou u actief zijn geworden binnen een cel van ‘Yekîti’. Sinds uw tweede huwelijk in augustus 2002 zou u samen met uw echtgenoot actief zijn geweest binnen eenzelfde cel van ‘Yekîti’. U zou deel hebben genomen aan vergaderingen en partijpublicaties hebben gedistribueerd. U zou vijf á tien keren samen met uw echtgenoot deze publicaties hebben verspreid. Op twee januari 2003 zou u met uw echtgenoot de partijkrant ‘Jarida al-Markazia’ hebben willen distribueren aan leden en sympathisanten. Plots zouden vier veiligheidsagenten u en uw echtgenoot hebben gearresteerd en meegenomen naar de politieke veiligheidsectie van Suleimanyah. U zou zijn beschuldigd van lidmaatschap bij ‘Yekîti’ en voor ongeveer één maand zijn gedetineerd. Nadien zou u voorwaardelijk zijn vrijgelaten. Hierna zou u zijn ondergedoken bij een partijlid tot uw vlucht uit Syrië op 8 april
- Via XIV-19.176-3/6 Libanon, Turkije en Italië zou u naar België zijn afgereisd voor asiel. Uw echtgenoot zou ongeveer acht maanden lang zijn gedetineerd. Na opname in een militair ziekenhuis wegens ziekte zou hij erin geslaagd zijn te vluchten. Op 9 september 2003 zou hij op clandestiene wijze naar België zijn gereisd om u te vervoegen. B. Motivering Er dient opgemerkt dat u voor het Commissariaat-generaal (CGVS) tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd vergeleken met het gehoor van uw echtgenoot XXX die de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas ondergraven. Zo verklaarde uw echtgenoot meer dan een jaar voor jullie huwelijk samen met u binnen één cel van Yekîti actief te zijn geweest (zie gehoorverslag CGVS K., tweede verhoor, p. 13 bis, p. 14). U beweerde uitdrukkelijk dat dit pas na jullie huwelijk zou zijn geweest (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 19, p.20). Uw echtgenoot beweerde twee à drie keer samen met u partijpublicaties te hebben verdeeld (zie gehoorverslag CGVS K., eerste verhoor, p. 5 en tweede verhoor, p. 14 bis). Tijdens uw eerste gehoor voor het CGVS beweerde u vijf á tien keer met hem deze publicaties te hebben verspreid (zie gehoorverslag CGVS, eerste verhoor, p.13, p. 13 bis). Op uw tweede gehoor voor het CGVS wijzigde u plots uw verklaringen door te stellen maar twee á drie keer met uw echtgenoot partijpublicaties te hebben verdeeld (zie gehoorverslag CGVS, tweede verhoor, p. 21). Verder verklaarde uw echtgenoot op de dag van jullie arrestatie op 2 januari 2003 de Yekîti-krant enkel aan sympathisanten te hebben willen verdelen omdat leden die reeds zouden ontvangen hebben (zie gehoorverslag CGVS Kameran, tweede verhoor, p. 15 bis). U verklaarde de krant op deze datum zowel aan leden als sympathisanten te hebben willen verdelen (zie gehoorverslag CGVS, tweede gehoor, p. 21 bis). Bovengaande tegenstrijdige verklaringen stellen uw asielrelaas in een ernstig bedrieglijk daglicht. Dient tevens aangestipt dat uw ingeroepen vluchtmotieven deels gebaseerd zijn op het asielrelaas van uw echtgenoot. Aangaande zijn asielaanvraag nam het CGVS eveneens een bevestigende beslissing van de weigering van verblijf. Uw voorgelegde echtscheidingsdocumenten van uw eerste huwelijk, huwelijksakte van uw huidig huwelijk, geboortecertificaat van uw dochter en een medisch attest bewijzen weliswaar wel uw identiteit, afkomst, huwelijk en moederschap maar vermogen in het licht van bovengaande vaststellingen uw asielaanvraag niet in positieve zin om te buigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993, artikel 17, al. 2, par. 2).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 52 en 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 1, A, 2) van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat de verzoekende partijen betogen dat de commissaris-generaal zijn informatiebron verabsoluteert en geen rekening houdt met het geheel van hun individuele verklaringen, dat hun asielrelaas volledig en oprecht is, doch dat zij toegeven dat hun kennis beperkt is, dat zij het voordeel van de twijfel moeten genieten, dat de verhoren niet tegensprekelijk waren, dat hun toestand moet geplaatst worden in de Syrische geo-politieke context, dat de Koerden er mishandeld en gediscrimineerd worden en dat dit bevestigd wordt door vele internationale rapporten over Syrië, dat de vastgestelde tegenstrijdigheden niet van aard XIV-19.176-4/6 zijn om hun asielaanvragen onontvankelijk te maken, dat zij bevestigen dat zij voor hun huwelijk lid zijn geworden van Yekiti, dat de tegenstrijdige verklaring van de tweede verzoekende partij daaromtrent te wijten is aan haar geheugenprobleem en aan haar ongeletterdheid, dat zij samen 5 à 10 keer partijpublicaties hadden uitgedeeld, doch dat dit voor ieder afzonderlijk 2 à 3 keer was, dat de partijkrant enkel aan sympathisanten werd verdeeld en dat de eerste verzoekende partij geen gelegenheid heeft gekregen om uiteen te zetten dat de partijvergaderingen, op enkele uitzonderingen na, zowel door mannen als door de vrouwen werden bijgewoond; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partijen trachten hun verklaringen opnieuw af te leggen, te nuanceren, te verklaren of bij te sturen; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden echter steun vinden in de verhoorverslagen; dat zij daarenboven nooit eerder in de asielprocedure enig voorbehoud hebben geformuleerd aangaande het voorgehouden geheugenprobleem van de tweede verzoekende partij, zodat zij dit argument niet post factum kunnen aanwenden om haar tegenstrijdige verklaringen te verantwoorden; dat de verzoekende partijen voor het overige enkel verwijzen naar internationale mensenrechtenrapporten over Syrië, doch deze niet betrekken op hun individuele toestand; dat zij derhalve niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het commissariaat-generaal geen rechtsprekend orgaan is; dat geen enkele wettelijke bepaling de commissaris-generaal verplicht de kandidaat-vluchteling attent te maken op of te confronteren met voor hen nadelige elementen van het dossier; dat de verzoekende partijen derhalve niet op ontvankelijke XIV-19.176-5/6 wijze kunnen aanvoeren dat hun verhoren op het commissariaat-generaal niet tegensprekelijk waren;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.176-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.