id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.393 Rolnummer: A. 142897/VII-33368 Zaak: Arrest 142393 - - 21/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 09:08 Fiche Arrest nr 142.393 van 21 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.393 van 21 maart 2005 in de zaak A. 142.897/VII-33.368 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. ELLOUZE, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Roi Albert 77 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Djiboutiaanse nationaliteit, op 20 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 augustus 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.368-1/11 Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. C. COOREMAN, die, loco Advocaat M. ELLOUZE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 17 juli 2003 en verklaarde zich vluchteling op 22 juli
- 1.
- Op 12 augustus 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 19 september 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U beweert de Djiboutiaanse nationaliteit te bezitten, en afkomstig te zijn uit Djibouti-stad. In 1992 werd u lid van de oppositiepartij “PRD” (volledige betekenis onbekend). Sindsdien was u de verantwoordelijke van de vrouwenafdeling binnen uw sectie, Quartier
- In 1997 werd u tijdens een bijeenkomst in het huis van Daher Ahmed Farah samen met vele anderen gearresteerd en vier dagen vastgehouden. U werd vrijgelaten op voorwaarde dat u de partij zou verlaten. In de loop van 1998 werd u opnieuw aangehouden omdat u een partijvergadering hield in uw huis. Na twee dagen werd u onvoorwaardelijk vrijgelaten. Twee weken later werd u opnieuw opgepakt, vijf dagen later vrijgelaten op voorwaarde dat u uw PRD-lidmaatschap zou opgeven. Op 25 april 2003 werd u thuis gearresteerd omwille van uw clan en omwille van uw partijlidmaatschap. Na vier dagen werd u vrijgelaten op voorwaarde dat u de PRD zou verlaten. Op 10 mei 2003 arresteerde men u opnieuw en om dezelfde reden, na drie dagen liet men u vrij. De overheid legde beslag op uw tegoeden bij de bank, politiemensen zouden uw bezit aan goud uit uw huis hebben weggenomen. De ochtend na een nachtelijke vergadering in uw huis met vijftien partijkopstukken werd u nogmaals opgepakt en zeven dagen vastgehouden. Na uw vrijlating besloot u uw land te ontvluchten, samen met vier van uw kinderen. Op 27 juni; 2003 reisde u per trein naar Dire Dawa (Ethiopië), land dat u op 16 juli 2003 verliet. Op 22 juli 2003 vroeg u in België asiel aan. B. Motivering VII-33.368-2/11 Vooreerst dient te worden vastgesteld dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoor van 24 juli 2003, cfr. punt 42) een aantal verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met wat u voor het Commissariaat-generaal beweerde, zodat de geloofwaardigheid van uw relaas volledig op de helling komt te staan. Voor het Commissariaat-generaal beweerde u in 1997 te zijn gearresteerd en gedurende vier dagen te zijn vastgehouden omdat u een bijeenkomst bijwoonde in het huis van Daher Ahmed Farah (p.10), en in 1998 twee keer te zijn gearresteerd, en respectievelijk twee en vijf dagen te zijn vastgehouden (p. 11). Het is ten zeerste verwonderlijk dat u geen enkele melding heeft gemaakt over deze beweerde vervolgingsfeiten tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken vroeger dan 25 april 2003 (punt 42) en evenmin in de motivatie van uw dringend beroep van uw advocaat, Mr. Kalenga Ngala, van 18 augustus
- Bij de confrontatie met dit belangrijke hiaat door de interviewer van het Commissariaat-generaal (p. 10), wist u geen andere verklaring te geven dan dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken wel degelijk zou verklaard hebben dat u reeds eerder dan 2003 al vaak was gearresteerd, maar dat u slechts convocaties mee had wat uw laatste drie aanhoudingen betreft. Nochtans blijkt dit allerminst uit het administratief dossier. Hetzelfde kan worden opgemerkt voor wat betreft uw bewering voor het Commissariaat-generaal dat de overheid uw geld zou hebben geconfisqueerd en dat de politie uw goud uit uw huis zou hebben weggenomen (p. 12-13), feiten die u evenmin aanhaalde voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Dit is nochtans niet onbelangrijk, aangezien u zich, volgens uw verklaringen tijdens het gehoor in dringend beroep, precies op deze diefstallen beriep als aanleiding tot uw arrestatie van 15 juni
- U zou de dag voordien namelijk de politie hebben beschuldigd van de hoger vermelde diefstallen, waarop zij u zouden hebben opgepakt (p. 12-13). Het is eveneens van belang op te merken dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken steevast enkel melding maakte van uw PRD-behoren als reden voor uw persoonlijke vervolging, in de vorm van een aanleiding tot een arrestatie, of een voorwaarde bij uw vrijlating om de partij te verlaten (punt 42). Het is dan ook eigenaardig dat u voor het Commissariaat-generaal uw clantoebehoren inroept als reden van vervolging, met name bij uw tweede aanhouding in 1998 (p. 11), en uw arrestatie op 25 april 2003 die zowel omwille van uw clan als omwille van uw MRD-lidmaatschap zou hebben plaatsgevonden (p. 12). Nog steeds wat uw opeenvolgende aanhoudingen betreft, is het opvallend dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde bij uw arrestatie van 15 juni 2003 op uw oog te zijn geslagen met een geweer waardoor u gewond raakte (punt 42), terwijl u diezelfde mishandeling voor het Commissariaat-generaal bij uw eerste arrestatie in 1998 situeerde (p. 11). Nog steeds volgens datzelfde gehoor zouden ze op dat moment overigens ook uw vingerafdrukken hebben genomen, feit dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dateerde bij uw aanhouding op 25 april 2003 (punt 42). De bovenvermelde tegenstrijdigheden zijn van die aard dat er geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan de authenticiteit van uw asielrelaas. (...) Bovendien heeft u het voor het Commissariaat-generaal allerminst aannemelijk kunnen maken dat u werkelijk tot de PRD/MRD zou hebben behoord, omdat u daarover vage, incoherente en manifest onjuiste verklaringen heeft afgelegd, die de geloofwaardigheid van uw relaas verder ondermijnen. U kent niet de Franstalige verklaring voor de letterwoorden “PRD” en “MRD” maar kende enkel een Somalische omschrijving (p.4-5), terwijl de benaming van deze politieke partij enkel in het Frans bestaat en dit nergens in de Somalische taal wordt vermeld. Uw argument dat u analfabeet bent en evenmin de Franse taal machtig bent, doet geen afbreuk aan het feit dat u, als lid en beweerde militante van deze partij sinds 1992 waarbij u nieuwe leden zou hebben geronseld en uitleg zou hebben gegeven over de partij (Commissariaat-generaal p.9), zeker op zijn minst de benaming van de partij moet hebben gekend. Wat de naamswijziging van uw partij van PRD naar MRD betreft bent u niet in staat daar enige coherente uitleg voor te verschaffen (ibidem p.4-5). U kan geen onderverdelingen geven binnen de PRD (p.7), u weet niet wat het “Bureau National” inhoudt (p.10); u beweert, in strijd met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (cfr. kopie van de informatie in het administratief dossier), dat u geen jaarlijks lidgeld dient te betalen doch dat u slechts éénmalig 2000 Fr dient te betalen om de lidkaart te verwerven (Commissariaat-generaal p.9). Dat u, nog steeds volgens uw verklaringen tijdens het gehoor in dringend beroep, beweerde daarnaast jaarlijks per persoon 1000 Fr te betalen hetgeen gebruikt werd om VII-33.368-3/11 partij-activiteiten te bekostigen, stemt evenmin overeen met de informatie van het Commissariaat-generaal (cfr. kopie van de informatie in het administratief dossier). Daaruit blijkt immers dat de hoogte van de bijdragen en de verdeling ervan over de verschillende afdelingen worden bepaald door de “Conseil National”. Het is voorts uiterst opmerkelijk dat u, die beweert voorzitster te zijn geweest van de vrouwenafdeling binnen uw sectie sinds 1992, enkel de president van diezelfde afdeling bij naam weet te noemen (Commissariaat-generaal p.8) en van geen enkele andere persoon die belangrijke functies in uw sectie bezet de naam kan noemen. Uw motivering daarvoor, namelijk dat u nooit vergaderde met mannen behalve bij demonstraties (ibidem), stemt niet overeen met uw latere verklaringen tijdens datzelfde gehoor, dat u in de nacht van 14 op 15 juni 2003 bij u thuis een vergadering had met 15 mannen, zijnde de leiders van de 5 partijdistricten in Djibouti (p. 13). Nog wat uw aanhouding in de loop van 1997 betreft (Commissariaat-generaal p.10), is het opmerkelijk dat u beweerde samen met alle in het huis van Daher Ahmed Farah aanwezig zijnde personen te zijn gearresteerd, maar dat u geen flauw idee heeft van het aantal aanwezigen, of het nu 100, 200, 50 of 10 personen waren (p. 10). Ten slotte is het opvallend dat u beweerde telkens omwille van dezelfde reden, voornamelijk uw partijbehoren, te zijn gearresteerd, maar elke keer zonder gevolg werd vrijgelaten behalve met de boodschap dat u uw PRD/MRD-lidmaatschap diende op te geven. Op de opmerking hierover vanwege de dossierbehandelaar van het Commissariaat-generaal (p.12), kon u enkel antwoorden “ze doen wat ze willen”. Wat uw eerste aanhouding in 1998 betreft slaagde u er niet in te verduidelijken waarop u precies op dat moment in 1998 werd gearresteerd terwijl u reeds sinds 1992 lid was, behalve de verklaring “in die periode arresteerden ze iedereen van de partij, ik deed niets” (p.11). Uw vrees bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst te zullen worden vermoord door de overheid, “want dat doen ze altijd bij arrestaties van oppositieleden” (Commissariaat-generaal p. 15), is weinig waarschijnlijk, aangezien u bij elk van uw zes beweerde arrestaties relatief kort werd vastgehouden en zonder meer werd vrijgelaten. Er dient bijgevolg te worden benadrukt dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u daadwerkelijk omwille van uw PRD-lidmaatschap persoonlijk zou worden vervolgd door de autoriteiten in uw land van herkomst. Het feit dat uw advocaat, Mr. Kalenga Ngala, in uw motivatie van uw dringend beroep van 18 augustus 2003 en gedetailleerder in een telefonisch onderhoud met de dossierbehandelaar van het Commissariaat-generaal op 5 september 2003, aanbracht dat u verwant zou zijn met een aantal mensen van Djiboutiaanse nationaliteit die asiel aanvroegen in België, namelijk A. M. D. (OV-nr 5.253.541, CG-nr 02/17966), A. I; H. (OV-nr 5.250.774, CG-nr 02/17951), M. A. M. (OV-nr 4.872.901, CG-nr 99/21795), M. A. A. (OV-nr 5.116.033, CG-nr 01/18978) en M. A. F. (OV-nr 4.998.840, CG-nr 00/26656), doet geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. U vermeldde immers pas na de uitdrukkelijke vraag hiertoe vanwege de dossierbehandelaar van het Commissariaat-generaal (gehoor p.3) slechts de twee laatst genoemde personen, M. A. A. en haar zuster M. A. F., hen identificerend als “clangenoten of een soort nicht, drie, vier, vijf of misschien nog verdere voorvaders van die van uzelf verwijderd”. Deze personen kunnen bezwaarlijk als naaste familieleden worden beschouwd in de zin dat uw asielaanvraag op dezelfde gronden zou moeten worden beoordeeld. Niet alleen heeft u, noch tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal, noch tijdens het gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken (cfr. punt 28 en 42) melding gemaakt van een eventuele aanwezigheid van familieleden in België bij wiens asielrelaas u zich mogelijkerwijs wilde aansluiten, u heeft ook nergens tijdens uw relaas allusie gemaakt op een eventuele samenhang met de door hen aangehaalde vervolgingsfeiten. De Djiboutiaanse identiteitskaart op naam van XXX met nr.075100, uitgereikt op 9 mei 1992, doet geen afbreuk aan hoger vermelde vaststellingen, omdat uw identiteit niet meteen wordt betwist. Dit geldt eveneens voor wat betreft de kopieën van de uittreksels van geboorte-akte van vier van uw kinderen, namelijk Z. A. A. I., geboren te Dire Dawa (Ethiopië) op 18 juli 1998; K. A. A. I., geboren te Djibouti op 19 augustus 1992; I. A. A. I., geboren te Djibouti op 7 oktober 1993; en R. A. A. I., geboren te Djibouti op 1 oktober 1996, omdat hun identiteit evenmin meteen in vraag wordt gesteld. VII-33.368-4/11 De door u voorgelegde PRD-lidkaart met nummer 11120/94, en de MRD-lidkaart met nr. 300, op naam van XXX, die u voorlegt ter ondersteuning van uw asielrelaas, doet geen afbreuk aan de hoger gedane vaststellingen, omdat de aard van uw inzet voor de partij ernstig kan worden betwijfeld gezien de bedrieglijkheid van uw relaas terzake. Het attest van de MRD, ondertekend door Daher Ahmed Farah, en daterend van 26 juni 2003, waarin wordt bevestigd dat u actief militant zou zijn binnen deze partij, en het attest van het “Comité du MRD en Belgique” van 3 september 2003, kunnen omwille van dezelfde reden niet meer in overweging worden genomen. De drie convocaties van de Force Nationale de Police, telkens van een onbekende datum op naam van XXX, waarin wordt gesteld dat u zich respectievelijk op 15 april 2003, 10 mei 2003 en 15 juni 2003 dient aan te bieden, kunnen, gezien de algemene bedrieglijkheid van uw relaas, niet meer in overweging worden genomen. Hoe dan ook bent u niet in het bezit van ook maar enig document dat een controle van uw reisweg mogelijk maakt. Tot slot brengt het verzoekschrift tot instelling van dringend beroep van uw raadsman, Mr. Kalenga Ngala van 18 augustus 2003, geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Violation de l'obligation de motivation adéquate prévue par les articles 1, 2 et 3 de la loi du 29 juillet
- Attendu que le Commissaire Général avance trois motifs pour justifier cette décision, qui sont tous aussi contestables les uns que les autres. Que le Commissaire Général prétend trouver des contradictions entre ses déclarations à l'Office des Etrangers et celles faites au Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides. Attendu que la requérante souhaite avant tout souligner que son audition au Commissariat Général n'était pas contradictoire. Les notes prises au Commissariat Général ne lui ont jamais été relues et elle ne les a jamais signées. Que par ailleurs, l'examen des éléments invoqués par le Commissariat Général montre que de telles prétendues contradictions n'ont aucun fondement ou ne peuvent justifier une décision confirmative du refus de séjour.
- Le Commissaire Général prétend ainsi que la requérante “a fait une série de déclarations qui ne cadrent pas avec ce qu'elle avait affirmé au Commissariat Général”. a. Attendu que la requérante a eu l'occasion de s'expliquer concernant ce point au Commissariat Général. Que la requérante a précisé en effet qu'elle avait déclaré à l'Office des Etrangers qu'elle avait été arrêtée plusieurs fois avant 2003 mais qu'elle n'avait de preuve que des convocations qui concernent les trois dernières arrestations. Que la requérante apporte la preuve de ces arrestations en produisant des convocations de la police.. Que le Commissaire Général ne précise pas en quoi cette preuve n'est pas satisfaisante. Que le moyen n'est donc pas fondé. VII-33.368-5/11 b. Le Commissaire Général prétend trouver une contradiction entre ses déclarations à l'Office des Etrangers et au Commissariat Général concernant le motif de son arrestation. Attendu que la requérante précise qu'à Djibouti, les partis politiques ont un caractère clanique et souvent, les motifs politiques ont une dimension clanique. Que cette caractéristique est notoirement connue et ne peut échapper au Commissaire Général: en plus de l'appartenance au PRD, cette appartenance se fonde sur une appartenance clanique. Qu'il est donc normal que le motif de l'arrestation a une dimension politique et clanique. Qu'on ne peut qualifier cela de contradiction justifiant la remise en question de la crédibilité de la requérante. c. Attendu que la requérante précise qu'elle ne comprend pas comment le rapport d'audition de l'Office des Etrangers situe sa blessure lors de son arrestation du 15 juin
- Que la requérante confirme sa déclaration au Commissariat Général, que cette blessure a été occasionnée suite à la maltraitance dont elle a fait l'objet lors de sa première arrestation en
- Que la requérante a d'ailleurs produit des documents médicaux établissant cette date. Que le Commissaire Général ne précise pas en quoi ces documents n'apportent pas la preuve de l'existence de cette maltraitance à la date indiquée. Que le motif n'est donc pas fondé. d. Attendu qu'en ce qui concerne les empreintes digitales, la requérante précise que ses empreintes ont été prises tant en 1998 qu'en
- Que ceci ne peut être considéré comme une contradiction justifiant la remise en cause de la crédibilité de son récit. Attendu que le Commissaire Général ne peut donc affirmer trouver des contradictions et encore moins que ces contradictions soient de nature à mettre en cause l'authenticité du récit de la requérante.
- Le Commissaire Général prétend douter que la requérante “ait effectivement appartenu au PRD/MRD”. Attendu qu'il faut rappeler que la requérante est analphabète et ne parle pas le français. Que la requérante a donné la dénomination de son parti en Somalie. Qu'il est faux d'affirmer que la dénomination de ce parti n'existe qu'en français puisque le nom du parti est connu par les abréviations PRD/MRD et non pas par le nom complet en français. Que la requérante comprend néanmoins la signification en Somalie de ces abréviations. Que ce motif n'est donc pas fondé. Que la requérante n'est qu'une aidante de base. Qu'elle ne peut donner des informations précises et détaillées de l'organigramme de son parti, qui a d'ailleurs connu plusieurs transformations au fil du temps. Que la requérante a fait l'objet de plusieurs arrestations successives. Que les menaces sont devenues de plus en plus précises et graves. Que les faits invoqués par la requérante rendent légitime sa crainte pour elle et pour ses enfants.
- Attendu que la requérante a invoqué en outre la présence de plusieurs membres de son clan en Belgique et qui ont été reconnus comme réfugiés. Que le Commissaire Général prétend curieusement que ces personnes “peuvent difficilement être considérées comme des membres de votre proche famille”. Attendu que cette prise de position est contraire à la conception que se fait la requérante de la notion de famille, qui doit être prise en considération par le Commissariat Général. Que la famille ne se réduit pas à la famille “proche” mais s'étend au clan. Que les personnes mentionnées par la requérante ont été persécutées pour les mêmes raisons, comme l'a précisé la requérante. Que cet élément ne peut être écarté par le Commissaire Général dans l'appréciation de la crainte de la requérante. Que le Commissaire Général ne peut écarter en outre les documents produits par la requérante puisque ces documents apportent la preuve d'un certain nombre de faits importants dans son récit. Attendu que la décision n'est donc pas valablement motivée. Qu'il échet dès lors de la mettre à néant.”; 2.
- Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat zij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat vooreerst, wat het verwijt van verzoekster betreft dat de notities die werden genomen tijdens haar verhoor op het Commissariaat- VII-33.368-6/11 generaal haar niet werden voorgelezen en dat zij deze notities evenmin heeft kunnen ondertekenen, verzoekster niet uit het oog dient te verliezen dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal een administratief beroep is, en geen jurisdictioneel beroep; dat het tegensprekelijk debat derhalve niet moet plaatsvinden en dat geen enkele wettekst, noch enig rechtsbeginsel de Commissaris-generaal verplicht de asielzoeker attent te maken op of te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier en het verhoor; dat enkel vereist is dat verzoekster in het kader van de asielprocedure nuttig voor haar belangen kan opkomen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal haar relaas heeft kunnen doen; dat uit diezelfde stukken niet kan worden afgeleid dat er zich onregelmatigheden op dit vlak zouden hebben afgespeeld; dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen verder nergens verbiedt dat de Commissaris-generaal bij de beoordeling van de zaak rekening houdt met alle feitelijke elementen, ook met die welke resulteren uit de verklaringen die de asielzoeker heeft afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, de inhoud van die verklaringen vergelijkt met die welke op het Commissariaat-generaal werden afgelegd, eventuele tegenstrijdigheden vaststelt, en daaruit de nodige gevolgtrekkingen afleidt; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster vervolgens, in hetgeen als een eerste onderdeel van het middel kan worden beschouwd, ingaat op de door de Commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheden in haar opeenvolgende verklaringen; dat, met betrekking tot de vaststelling dat zij voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van de arrestaties in 1997 en 1998, verzoekster haar uitleg herhaalt die zij aan de interviewer van het Commissariaat-generaal gaf toen deze haar met dit hiaat confronteerde; dat zij namelijk stelt voor de Dienst Vreemdelingenzaken te hebben verklaard dat zij reeds meerdere keren was gearresteerd voor 2003, doch dat zij slechts over convocaties beschikte betreffende haar laatste drie aanhoudingen; dat de Commissaris-generaal dienaangaande in de bestreden beslissing echter terecht opmerkt dat zulks “nochtans (...) allerminst (blijkt) uit het administratief dossier”; dat inderdaad nergens uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekster een dergelijke verklaring voor deze asielinstantie zou hebben afgelegd; Overwegende dat verzoekster inzake de tegenstrijdigheid betreffende de reden van haar vervolging stelt dat het lidmaatschap van een bepaalde politieke partij in haar land sterk verwant is met het behoren tot een bepaalde clan; dat verzoekster met deze uitleg in wezen tracht haar verklaringen een andere interpretatie te geven; dat het, bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht, echter niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid VII-33.368-7/11 bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat, gelet op de verantwoordelijkheid die op een kandidaat-vluchteling rust om een zo duidelijk, volledig en coherent mogelijk asielrelaas uiteen te zetten, en dit van bij het eerste interview, besloten dient te worden dat verzoekster met haar uitleg niet de kennelijke onredelijkheid, laat staan de onjuistheid, aantoont van de door de Commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheid, die volledig steun vindt in de stukken van het administratief dossier; Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tegenstrijdigheid betreffende de vraag of zij de verwonding aan haar oog opliep tijdens haar arrestatie in 1998 dan wel tijdens haar arrestatie in 2003, zich ertoe beperkt de versie van haar relaas die zij heeft verteld voor het Commissariaat-generaal te bevestigen; dat verzoekster er bijgevolg niet in slaagt de tegenstrijdigheid, die wederom duidelijk uit de stukken van het administratief dossier blijkt, te verklaren of te weerleggen; Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tegenstrijdigheid betreffende het tijdstip waarop men haar vingerafdrukken nam, stelt dat dit zowel in 1998 als in 2003 gebeurde; dat verzoeksters uitleg echter niet kan worden gevolgd, nu haar verklaring geenszins steun vindt in de stukken van het administratief dossier; dat volledigheidshalve nog wordt opgemerkt dat verzoekster nalaat kritiek aan te voeren ten aanzien van de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid betreffende de diefstal van haar geld en goud door de overheid; dat het dan ook, gelet op het geheel van de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden, die alle uitvoerig in de bestreden beslissing worden vermeld met verwijzing naar de desbetreffende passages in de verklaringen van verzoekster, niet kennelijk onredelijk is dat geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan de authenticiteit van verzoeksters asielrelaas; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster, in hetgeen als een tweede onderdeel van het middel kan worden beschouwd, kritiek aanvoert ten aanzien van de overweging van de Commissaris-generaal dat zij door haar “vage, incoherente en manifest onjuiste verklaringen” “allerminst aannemelijk (heeft) kunnen maken dat (zij) werkelijk tot de PRD/MRD zou hebben behoord”; dat de enige concrete kritiek die verzoekster hieromtrent aanvoert, betrekking heeft op de vaststelling van de Commissaris-generaal dat zij niet de Franstalige verklaring kende voor de letterwoorden “PRD” en “MRD”, maar enkel een Somalische omschrijving wist te geven; dat verzoeksters bewering dat de partij helemaal niet gekend is onder zijn Franse benaming weinig waarschijnlijk is, nu uit de stukken van het administratief dossier, en nota bene uit de door verzoekster zelf neergelegde lidmaatschapskaarten, blijkt dat “PRD” staat voor “Parti du Renouveau Démocratique”, en “MRD” voluit luidt als “Mouvement pour le Renouveau Démocratique et le VII-33.368-8/11 Développement”, terwijl op voornoemde stukken nergens de benamingen in de Somalische taal worden vermeld; Overwegende dat verzoekster voor het overige hetgeen zij ook al verklaarde voor het Commissariaat-generaal herhaalt, met name dat zij analfabeet is en de Franse taal niet machtig is; dat, zoals de Commissaris-generaal terecht opmerkt, deze uitleg geen afdoende verklaring biedt, aangezien verzoekster beweert reeds sinds 1992 lid en militante te zijn van deze partij, “waarbij (zij) nieuwe leden zou hebben geronseld en uitleg zou hebben gegeven over de partij (...) (zodat zij bijgevolg) zeker op zijn minst de benaming van de partij moet hebben gekend”; dat hierbij aansluitend, en meer bepaald rekening houdend met het feit dat zij jarenlang leden ronselde voor de partij en tevens voorzitster was van de vrouwenafdeling binnen haar sectie sinds 1992 (zie verhoorverslag CGVS, p. 8 en 9), verzoeksters uitleg waarbij zij stelt slechts een helpster te zijn geweest aan de basis van de partij (“aidante de base”), die bijgevolg niet veel af weet van de structuur van de partij, eveneens verworpen dient te worden; dat de conclusie van de Commissaris-generaal dat verzoekster het bijgevolg niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij daadwerkelijk omwille van haar PRD-lidmaatschap persoonlijk zou worden vervolgd door de autoriteiten in haar land van herkomst, derhalve niet kennelijk onredelijk is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster ten slotte, in hetgeen als een derde onderdeel van het middel kan worden beschouwd, nog kritiek aanvoert ten aanzien van de overweging van de Commissaris-generaal dat de door haar aangehaalde personen “bezwaarlijk als naaste familieleden (kunnen) worden beschouwd in de zin dat (haar) asielaanvraag op dezelfde gronden zou moeten worden beoordeeld”; dat dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat deze overweging van de Commissaris-generaal slechts een afrondende opmerking betreft, doch geen doorslaggevend motief van de bestreden beslissing, aangezien de Commissaris-generaal reeds op basis van de hierboven uiteengezette en besproken tegenstrijdigheden, vaagheden, incoherenties en ongeloofwaardigheden in alle redelijkheid kon besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag; dat verzoeksters kritiek op dit punt dan ook niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat, waar verzoekster nog stelt dat de Commissaris- generaal ten onrechte de door haar neergelegde documenten niet in overweging neemt, opgemerkt dient te worden dat deze documenten enerzijds betrekking hebben op niet- betwiste gegevens, en anderzijds niet in aanmerking worden genomen omwille van de bedrieglijkheid van haar asielrelaas; dat verzoekster de kennelijke onredelijkheid van deze overweging van de Commissaris-generaal geenszins aantoont; Overwegende dat, gelet op het voorgaande en op de stukken van het administratief dossier, besloten dient te worden dat de door verzoekster bestreden beslissing VII-33.368-9/11 uitgebreid de motieven bevat op grond waarvan wordt geoordeeld dat de aanvraag bedrieglijk is; dat de motieven worden gestaafd door een aantal precieze voorbeelden, waarvan de juistheid en pertinentie geenszins door verzoekster worden weerlegd; dat het geheel van de motieven draagkrachtig en afdoende is; dat een schending van de motiveringsplicht dan ook niet kan worden aangenomen; dat het enige middel, in zijn geheel, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door: VII-33.368-10/11 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.368-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.393 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div