id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.404 Rolnummer: A. 145808/VII-33382 Zaak: Arrest 142404 - - 21/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 09:08 Fiche Arrest nr 142.404 van 21 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.404 van 21 maart 2005 in de zaak A. 145.808/VII-33.382 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VANSPEYBROUCK, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, op 24 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 november 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 augustus 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 november 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.382-1/12 Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. KIWAKANA, die, loco Advocaat J. VANSPEYBROUCK, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 31 juli 2003 en verklaarde zich vluchteling op 1 augustus
- 1.
- Op 8 augustus 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 november 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Ashkali, afkomstig uit Pristina (Kosovo), Servië-Montenegro. Vanaf 1993 of 1994 tot 1997 heeft u illegaal in Italië gewerkt. In 1997 bent u teruggekeerd naar Pristina. Sinds 1991 werkte u samen met de Servische politie, die gestationeerd was in de wijk Vanjevac, in het centrum van Pristina. U maakte koffie voor de politieagenten en gaf hen allerlei informatie, onder meer over wie in het bezit was van een wapen. Omwille van deze banden met de Servische politie had u bijna dagelijks problemen met plaatselijke etnische Albanezen die u lastig vielen en sloegen. Op 6 februari 1998 werd u omvergereden door onbekenden. U vermoedt dat het Albanezen waren die het op u gemunt hadden omwille van uw samenwerking met de politie. Gedurende bijna drie maanden verbleef u toen in het ziekenhuis van Pristina. De politie stelde een proces-verbaal op, maar de daders werden niet gevonden. Na uw ontslag uit het ziekenhuis ging u terug naar uw woning in Pristina. Nadat de internationale troepenmacht naar Kosovo was gekomen, heeft u in juni of juli 1999, samen met de Servische politieagenten, Kosovo verlaten en bent u naar Belgrado (Servië) vertrokken. Sindsdien woont u in een kamp in Belgrado dat hoofdzakelijk bewoond wordt door andere Ashkali en Rom-zigeuners. U heeft zich nooit laten registreren in Belgrado omdat u niet in Servië wilde blijven wonen. Bovendien kende u nooit problemen omdat iedereen u kende en u zich probleemloos kon verplaatsen zonder identiteitsdocumenten. In Belgrado kwam u aan de kost met het boodschappen doen voor anderen. Sinds 2001 werd u meerdere keren door verschillende jonge VII-33.382-2/12 Serviërs van uw wijk geslagen, beroofd en uitgescholden voor spion. U kende geen problemen in andere wijken omdat u uw eigen wijk nooit verliet. U bent echter nooit naar een andere wijk in Belgrado verhuisd omdat u niet over de nodige financiële middelen beschikte. In verband met deze problemen heeft u nooit een beroep gedaan op de politie van Belgrado omdat u dat niet durfde en deze aanrandingen voor u routine waren geworden. Op 26 juli 2003 had u het nodige geld gespaard om uw land te verlaten. U bent richting België gereisd, waar u op 31 juli 2003 bent aangekomen en de volgende dag uw asielaanvraag indiende. U bent in het bezit van medische attesten, uitgereikt door een Belgische arts op 20 augustus
- B. Motivering Er dient vooreerst te worden gewezen op enkele fundamentele discrepanties in uw opeenvolgende verklaringen die de geloofwaardigheid ervan zeer ernstig ondermijnen. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in Servië door politieagenten beledigd en uitgescholden werd en dat u daarom uit Servië bent vertrokken (verhoorverslag DVS, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u uitdrukkelijk dat u geen problemen hebt gekend met de Servische autoriteiten (verhoorverslag CGVS, p. 7). Voorts beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in Belgrado geen identiteitsdocumenten kreeg omdat u niet in Servië geboren was (verhoorverslag DVS, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal daarentegen beweerde u uitdrukkelijk dat u in Belgrado geen poging gedaan heeft om u te laten registreren en dat u daar geen aandacht aan had besteed omdat u er geen identiteitsdocumenten nodig had (verhoorverslag CGVS, p. 4). Verder verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat u sinds 2001 zeer dikwijls door Serviërs uit uw wijk geslagen, beroofd en uitgescholden werd (verhoorverslag CGVS, p. 7). Op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u over deze problemen met Serviërs uit uw wijk dan weer met geen woord gerept. Zelfs toen u gevraagd werd naar enige aanslag op uw lichamelijke integriteit, vermeldde u enkel uw aanrijding in februari 1998, ofschoon de mishandelingen door onbekende Serviërs vanaf 2001, luidens uw verklaringen afgelegd op het Commissariaat-generaal, het hoofdmotief vormden voor uw vertrek uit uw land (verhoorverslag CGVS, p. 7 e.v.). Wat betreft uw aanrijding op 6 februari 1998, dient te worden vastgesteld dat deze gebeurtenis dateert van ruim vijf jaar voor uw vertrek en bijgevolg bezwaarlijk kan aanzien worden als (directe) aanleiding voor uw vertrek in juli
- Daarenboven verklaarde u uitdrukkelijk dat u niet precies weet wie u heeft aangereden en dat u enkel vermoedt dat Albanezen die uw samenwerking met de Servische politie niet duldden, hiervoor verantwoordelijk waren. De aangehaalde aanrijding kan in casu dan ook bezwaarlijk als daad van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aanzien worden, maar is eerder een inter persoonlijk probleem (tussen privé-personen) met een gemeenrechtelijk (strafrechtelijk) karakter. Bovendien heeft de politie een proces-verbaal opgesteld, waaruit duidelijk blijkt dat u een beroep kon doen op de hulp en bescherming van uw autoriteiten. Wat betreft het politieonderzoek met betrekking tot dit incident kan het niet oplossen van deze zaak in casu te wijten zijn aan verschillende oorzaken (klacht tegen onbekenden, gebrek aan bewijsmateriaal, e.d.). Met betrekking tot het feit dat u sinds uw aankomst in Belgrado (juni of juli 1999) niet over de nodige identiteitsdocumenten beschikte, dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk hebt gemaakt dat u zich niet probleemloos had/zou kunnen laten registreren in Belgrado, waar u al ruim vier jaar woonde. U verklaarde immers zelf dat u zich niet wilde aanmelden en dat u ook geen poging ondernomen hebt om u te laten registreren omdat u in Servië niet wilde blijven wonen. Ten slotte kan nog vermeld worden dat het feit dat u in Belgrado geen eigen woning hebt en onvoldoende middelen hebt om elders te gaan wonen, problemen zijn van socio-economische aard die als dusdanig evenmin ressorteert onder de criteria van de Vluchtelingenconventie. Bijgevolg heeft u onvoldoende concrete, persoonlijke feiten of elementen aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat u op dit moment omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van voornoemde Geneefse Conventie niet zou kunnen terugkeren naar Servië-Montenegro. De documenten die door u werden neergelegd zijn niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te doen wijzigen. Deze medische attesten van Belgische artsen bevestigen immers enkel dat u letsels opliep aan uw land en dat de genomen medicatie in uw land van herkomst zal worden verdergezet. VII-33.382-3/12 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/
- artikel 17, par. 2, al. 2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van artikel 52 Vreemdelingenwet, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Bij beslissing van 27 november 2003 werd de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk verklaard wegens bedrieglijk, minstens kennelijk ongegrond, overwegende dat: -Er een aantal tegenstrijdigheden weerhouden worden tussen de verhoren in de dienst Vreemdelingenzaken en deze voor het Commissariaat-Generaal; -De aangehaalde problemen eerder van socio-economische aard zouden zijn, De asielaanvraag van verzoeker werd afgewezen wegens bedrieglijk, minstens kennelijk ongegrond. De bevoegdheid om asielaanvragen af te wijzen als bedrieglijk is wettelijk beperkt tot de situatie waarbij de vreemdeling bedrog pleegt, verklaringen aflegt die manifest tegenstrijdig zijn met bekende feiten of gebruik maakt van een valse identiteit of nationaliteit (zie D. VANHEULE, Vluchtelingen, Mys en Breesch, Gent. tweede uitgave. P. 132) Verzoeker wenst er op te wijzen dat geen van deze elementen in casu aan de orde is, zodoende dat de afwijzing van zijn aanvraag als bedrieglijk zonder enige motivering zoals voornoemd als dusdanig de wet (o.a. art. 52 § 1a Vreemdelingenwet) en de materiële motiveringsplicht schendt. Ook de bevoegdheid om aanvragen onontvankelijk te verklaren wegens kennelijke ongegrondheid is door de wetgever beperkt, met name tot die gevallen waarin “de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er wat hem betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951” (cf. artikel 52, § 1, 7/ Vreemdelingenverdrag)”. De Commissaris-generaal motiveert zijn beslissing zeggende dat de aangehaalde vluchtmotieven eerder van economische aard zouden zijn, zijn alsmede dat er een aantal tegenstrijdigheden waren tussen de verklaring afgelegd voor de DVZ en deze afgelegd voor de Commissaris-Generaal. Deze redenering miskent artikel 52, § 1, 7/ Vreemdelingenwet. Eerst en vooral dient erop gewezen te worden dat zelfs een éénmalige ernstige inbreuk op de fysieke integriteit wordt aanvaard als vervolging (CPRR (1/ kamer), nr. F095, 21 mei 1992, gecit. bij VAN HEULE, D., Vluchtelingen. Overzicht, Mys & Breesch, Gent, 1999, p. 27, nr. 58). In die zin moet rekening gehouden worden met het feit dat verzoeker zowel voor de DVZ als voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen duidelijk gewezen heeft op het feit dat hij na de machtswissel in 2000 constant geviseerd werd door de Servische bevolking, waarbij herhaaldelijk ernstige fysieke VII-33.382-4/12 aanslagen op verzoeker werden gepleegd, zonder dat hij de steun en bescherming van de overheid kon inroepen. De aanslagen op zijn fysische integriteit werden daarbij gepleegd omwille van het feit dat hij algemeen gekend stond als een sympathisant van het oude regime waarmee hij zeer nauw samenwerkte om op deze wijze in hun gunst te komen, en wiens bescherming hij ten volle genoot ingevolge zijn gedragingen waarbij hij bepaalde toestanden ging ‘verklikken’. Tot drie keer toe heeft hij voor de Commissaris-generaal duidelijk aangehaald dat hij de bescherming van de politiediensten bij deze aanslagen niet durfde inroepen omdat de politiediensten niet meer dezelfde waren als deze waarmee hij samenwerkte, en hij vreesde dat deze democratisch geworden ordediensten hem geen steun zouden kunnen bieden tegen deze aard van feiten gezien zijn concrete problematiek. Dit temeer het nieuwe regime zich zeer fel afzette tegen het oude Servische regime en zijn structuren. Bij de politiediensten onder het oude regime kreeg hij voldoende steun en had hij niets te vrezen wat wel het geval was na de machtswissel en de vijandige houding ten opzichte van sympathisanten van het vorige regime. Minstens had hij de terechte vrees dat hij geen overheidsbescherming kon inroepen gezien zijn concrete toestand, die te vergelijken valt met de situatie van de vele duizenden Belgen die na de tweede wereldoorlog geviseerd werden door bepaalde groepen in de bevolking die het niet konden verkroppen dat zij actief met de bezetters hadden samengewerkt tegen de lokale bevolking in de hoop op deze wijze bij hen in de gunst te komen en bepaalde privileges te genieten. Bijgevolg gaat het wel degelijk om een situatie die prima facie te maken heeft met vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, en voor verder onderzoek in aanmerking komt. Ook een terugkeer naar zijn oorspronkelijke streek is om dezelfde redenen niet mogelijk nu verzoeker duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij samen met de Servische troepen waarvoor hij spioneerde in het Albanese milieu de streek verliet bij het binnentrekken van de geallieerde troepen. Hij staat in zijn geboortestreek gekend als collaborateur, en vreest terecht voor zijn leven in zijn geboortestreek. Ook een terugkeer naar ginder was dan ook uitgesloten. De door verzoeker aangehaalde problemen en beweerde vervolging houdt dan ook verband met de criteria vastgelegd in artikel 1, A, 2 Conventie van Genève van 28 juli 1951 (zie ook Gemeenschappelijk Standpunt Raad nr. 69/196/JBZ, 4 maart 1996; VAN HEULE, D., Vluchtelingen, Mys & Breesch, Gent, 1999, nr. 27). Aangezien verzoeker vreest voor zijn fysische integriteit, mag tevens aangenomen worden dat de vervolging voldoende ernstig is cf. VAN HEULE, D., o.c., nr. 54 ev). Daarenboven zijn de aangehaalde concrete tegenstrijdigheden tussen beide verhoren niet van die aard om het verhaal van verzoeker op deze wijze te corrumperen dat er prima facie geen geloof aan zou kunnen worden gehecht, en dat het zonder meer als kennelijk ongegrond zou kunnen worden afgewezen, en niet zouden nopen tot enig verder onderzoek. Zo beperkt de term 'kennelijk' in artikel 52, §l, 7/ Vreemdelingenwet de beslissingsbevoegdheid nog verder tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzingen van een gegronde vrees voor vervolging na het eerste onderzoek duidelijk herkenbaar is en hierover geen enkele twijfel bestaat. Vanaf het ogenblik dat er ook maar enig ernstig element is aangebracht of dat er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat, moet aan de kandidaat-vluchteling het voordeel van de twijfel worden verleend en moet hij of zij worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde (VAN HEULE, D., o.c., nr. 349). De verklaring van de kandidaat vluchteling kunnen “een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat zij mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn” (VBV, 2de kamer, nr. W676,12 oktober 1992, onuitgeg.). Het voordeel van de twijfel zal worden verleend indien ‘de juistheid van bepaalde, door de betrokkene aangehaalde feiten, niet met zekerheid na te gaan is, maar als dusdanig niet ongeloofwaardig” is (VBV 2de kamer, nr. E, 3 september 1992, onuitg.). De aangehaalde ongerijmdheden zijn in de eerste plaats aanvullingen waarbij verzoeker zijn relaas zoals uiteengezet tijdens zijn eerste verhoor verder stoffeert. Het eerste interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken is trouwens summier en vluchtig, vooral bedoeld om een eerste idee te bekomen omtrent de vluchtmotieven. Vooral het interview bij het Commissariaat-generaal heeft tot doel het vluchtrelaas gedetailleerd te bespreken. Vandaar dat ook meer verduidelijkende informatie werd VII-33.382-5/12 geboden. Dat het relaas van verzoeker t.o.v. zijn tweede verhoor gedetailleerder/vollediger was, wordt verklaard door de diepgaandere vraagstelling terloops het verhoor voor het CGVS, alsmede de aanwezigheid van zijn raadsman, waardoor inzake bepaalde punten met nog meer geduld dan anders doorgevraagd werd. Weliswaar wordt van de asielzoeker verwacht dat hij op loyale en waarheidsgetrouwe wijze zijn relaas doet, doch van de onderzoeker wordt verwacht dat hij door vraagstelling het verhoor in die mate stuurt dat de asielzoeker alle relevante gegevens naar voor kan brengen. Men mag er niet steeds zondermeer van uitgaan worden dat de asielzoeker tijdens zijn eerste interview reeds voldoende vertrouwd is met de asielprocedure teneinde bekwaam te zijn te beoordelen welke de relevante gegevens zijn. Onjuiste verklaringen zijn op zich geen reden om de status van vluchteling te weigeren. De ondervrager heeft in dat geval de verplichting om dergelijke verklaringen te beoordelen in het licht van de verschillende omstandigheden van de zaak (VAN HEULE, D., Vluchtelingen, Mys & Breesch, Gent, 1999, nr. 552). In casu werd door verzoeker en diens raadsman tijdens het tweede verhoor gewezen op het feit dat verzoeker na een ernstig verkeersongeval waarbij hij meerdere maanden in coma heeft geleden ernstige mentale schade opgelopen werd, waardoor zijn gedrag onevenwichtig is, zodoende dat zeker niet a fortiori op basis van zijn loutere verklaringen en vermeende tegenstrijdigheden ertussen tot een afwijzing van de asielaanvraag kan worden besloten. In casu is duidelijk dat enig verder onderzoek naar de concrete omstandigheden en de interferentie van het ziektebeeld van verzoeker dat zelfs dermate heeft bijgedragen tot de houding ten opzichte van verzoeker dat de ondervragende jurist uitdrukkelijk heeft verzocht om zo spoedig mogelijk medische attesten omtrent de persoonlijke toestand van verzoeker over te maken voor nazicht. De voorgelegde medische attesten spreken voor zich waar zij het hebben over bizar gedrag, van de hak op de tak springen, sociaal isolement paranoïde gedachtegang, geheugenstoornissen, ... Dit alleen gekoppeld aan de vreemde houding van verzoeker tijdens het verhoor alsmede de opmerking van de raadsman op dat punt, noopt tot enige voorzichtigheid in de analysen van de verhoren en een uiterst zorgvuldig onderzoek naar de concrete omstandigheden. De Commissaris-generaal kan een asielaanvraag onontvankelijk verklaren wegens kennelijk ongegrond als en slechts als elk verder onderzoek nutteloos is (R.v.St. nr. 49.972, 27 oktober 1994, T. Vreemd. 1995, 62). Twijfel omtrent de geloofwaardigheid van het verhaal volstaat niet (R.v.St. nr. 50.729, 15 december 1994, T Vreemd. 1995, 171). In casu is dit kennelijk niet aan de orde. Enkel de aanvragen die na een prima facie-onderzoek zonder enige twijfel niet gegrond worden bevonden, mogen in dit stadium door de Minister of de gemachtigde worden afgewezen (VAN HEULE, D., Vluchtelingen, Mys en Breesch, Gent. 1999, nr. 346). Ook de aangehaalde ‘tegenstrijdigheden’ kunnen geenszins volstaan om een weigeringsbeslissing te schragen. Dit zou enkel het geval zijn wanneer de tegenstrijdigheden ernstig waren (R.v.St. nrs. 85.
- 68.803, 82.917, 62.472 en 65.162). Dit temeer de concrete psychologische toestand van verzoeker die noopt tot een uitermate genuanceerde en zorgvuldige houding. Daarenboven, en ten overvloede: de bewijslast van de asielzoeker beperkt zich in de ontvankelijkfase ertoe dat hij gehouden is om een aannemelijk verhaal te vertellen, t.t.z. samenhangend, niet-tegenstrijdig en waarschijnlijk. De loutere verwijzing naar tegenstrijdigheid of vaagheid in de verklaring van een asielzoeker, volstaat op zich niet om tot onontvankelijkheid te besluiten (R.v.St. nr. 57.193, 21 december 1995, T. Vreemd. 1996, 66). Dit zou enkel kunnen wanneer er sprake is van flagrante feitelijke contradicties tussen de opeenvolgende verklaringen (R.v.St. nr. 43.943, 8 september
- R.A.C.E. 1993, z.p.), hetgeen hier alleszins niet het geval is. De vraag naar de ernst van de aangehaalde tegenstrijdigheden dient beschouwd te worden in het licht van het gehele asielrelaas. De uitgeschreven nota's gemaakt terloops het interview bij het Commissariaat-generaal van verzoekster belopen 9 bladzijden, waarin verzoeker uiterst gedetailleerd zijn vluchtrelaas doet. Hieruit weerhoudt de Commissaris-generaal enkel twee beperkte ‘tegenstrijdigheden’, die evenwel allerminst het vluchtrelaas in die mate aantasten dat de geloofwaardigheid ervan inboet. Daarenboven kunnen de aangehaalde elementen bezwaarlijk essentieel genoemd worden. De relevante feiten waarop de overheid haar beslissing baseert, moeten VII-33.382-6/12 zorgvuldig worden gewaardeerd/onderzocht (SEUTENS, L.P., “Algemene beginselen van Behoorlijk Bestuur in de Rechtspraak van de Raad van State” T.B.P. 1980, 86). In elk geval blijkt uit voorgaande de motivering aangehaald in de bestreden beslissing de conclusie niet redelijk schraagt (cf. VAN MENSEL, A., “De formele Motiveringsplicht. De wet van 29 juni 1991”, TBP 1992, 386-389). Huidig middel is dan ook ernstig.”; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen binnen het kader van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de Commissaris-generaal, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat in dit verband het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond kan zijn omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de bestreden beslissing in dit verband duidelijk de redenen aangeeft op grond waarvan tot de onontvankelijkheid van de aanvraag wordt besloten; dat die redenen tweevoudig zijn; dat de bestreden beslissing in de eerste plaats vaststelt dat enkele fundamentele discrepanties in verzoekers opeenvolgende verklaringen de geloofwaardigheid ervan zeer ernstig ondermijnen; dat de bestreden beslissing in de tweede plaats vaststelt dat, aangezien de door verzoeker aangehaalde problemen van eerder interpersoonlijke, gemeenrechtelijke en socio- economische aard zijn en als dusdanig niet onder de criteria van de Conventie van Genève ressorteren, verzoeker onvoldoende concrete, persoonlijke feiten of elementen heeft aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat hij omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève niet zou kunnen terugkeren naar Servië- Montenegro; dat dit alles uitvoerig wordt weergegeven in de bestreden beslissing; dat het oordeel van de Commissaris-generaal dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is en bovendien kennelijk ongegrond, derhalve geenszins een schending uitmaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, noch van de materiële motiveringsplicht; Overwegende dat verzoeker in zijn uiteenzetting betreffende zijn vermeende vrees voor vervolging zijn asielmotieven herhaalt en toelicht, en aldus in wezen om een nieuwe feitelijke beoordeling vraagt; dat hij meent dat uit zijn feitenrelaas een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève kan worden afgeleid; dat het echter geenszins aan de Raad van State toekomt om zijn beoordeling van de feitelijke gegevens in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid; dat het de Raad van State immers niet toekomt zich de discretionaire bevoegdheid van die overheid aan te matigen, doch dat de Raad enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in VII-33.382-7/12 rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat verzoeker er alleszins niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; Overwegende dat daarenboven uit de bestreden beslissing blijkt dat aangaande verzoekers vluchtmotieven en in zijn opeenvolgende verklaringen enkele fundamentele tegenstrijdigheden werden vastgesteld die de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas zeer ernstig ondermijnen; dat de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden alle steun vinden in de stukken van het administratief dossier en, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, betrekking hebben op elementen die de rechtstreekse aanleiding vormden voor de vlucht van verzoeker uit zijn land van herkomst; dat zij ernstig zijn en wel degelijk de kern van verzoekers asielrelaas raken; dat de vastgestelde discrepanties bijgevolg dermate fundamenteel zijn, dat de geloofwaardigheid van verzoekers relaas aangetast wordt; Overwegende dat het al dan niet uitgebreid karakter van de verhoren op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal geen verklaring kan bieden voor de vastgestelde tegenstrijdigheden; dat het administratief dossier trouwens uitwijst dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken langdurig, met name twee uur en vijftig minuten, en gedetailleerd werd verhoord en de verslaggeving daaromtrent omstandig is; dat verzoeker dan ook bezwaarlijk kan stellen dat het eerste interview “summier en vluchtig” is; dat verzoeker daarentegen ruim de tijd had om de vragen te beantwoorden en te verduidelijken waar nodig; dat de duur van een interview overigens geen verklaring kan bieden voor het zuiver weglaten van feiten die bepalend waren voor het vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst; Overwegende dat ook verzoekers argument dat men het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken door de vraagstelling zodanig diende te sturen dat hij alle relevante gegevens naar voren kon brengen, niet kan worden gevolgd; dat een kandidaat- vluchteling immers binnen het kader van de asielprocedure ook een verantwoordelijkheid draagt, in die zin dat van hem wordt verwacht dat hij van bij de aanvang alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op een correcte wijze aanbrengt; dat hij met name van bij het begin van de asielprocedure, en in alle fasen ervan, actief dient mee te werken aan de procedure, de elementen aan te halen die de kern van zijn asielrelaas vormen en dat hij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken spontaan zijn gehele asielrelaas uiteenzet; dat verzoeker daartoe de mogelijkheid had bij het beantwoorden van vraag 42; dat de beslissing van verzoeker om zijn land van herkomst te verlaten daarenboven dermate fundamenteel en ingrijpend is, dat hij geacht wordt bij machte te zijn om desbetreffend een volledig en coherent verhaal te vertellen; dat het feit dat verzoeker belangrijke elementen niet heeft vermeld en bovendien tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, niet kan worden VII-33.382-8/12 verweten aan de asielinstanties; dat trouwens uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk bevestigde dat hij niets meer toe te voegen had aan zijn relaas (zie verhoorverslag DVZ, p. 13); Overwegende dat aangaande de mentale toestand van verzoeker dient te worden opgemerkt dat hier wel degelijk rekening mee gehouden werd tijdens het interview op het Commissariaat-generaal; dat het verhoorverslag immers uitdrukkelijk vermeldt dat het interview goed verlopen is, dat de kandidaat-vluchteling op alle vragen heeft kunnen antwoorden en dat, indien er een probleem zou zijn van psychologische aard, dit toch zeker niet het goede verloop van het interview heeft belemmerd (zie verhoorverslag CGVS, p. 8); dat verder in de bestreden beslissing wordt vermeld dat de medische attesten van de Belgische artsen enkel bevestigen dat verzoeker letsels heeft opgelopen en dat de medicatie in het land van herkomst zal worden voortgezet; dat uit de gegevens van het administratief dossier aldus niet kan worden afgeleid dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan; Overwegende dat, niettegenstaande de uitgebreide theoretische uiteenzetting, verzoeker niet aantoont dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris- generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat de bestreden beslissing tevens uitgebreid de motieven bevat waarop ze is gesteund; dat deze motieven draagkrachtig en afdoende zijn; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “Schending van de redelijkheidsplicht en de algemene zorgvuldigheidsverplichting als beginselen van behoorlijk bestuur gecombineerd aan een schending van de materiële motiveringsplicht ingevolge miskenning van de objectieve realiteit zoals vermeld in een aangebracht stuk. Tevens verwijst verzoeker naar zijn gemoedstoestand als verklaring voor het soms verwarde en onsamenhangende relaas. Reeds in het verhoor voor het Commissariaat-Generaal werd uitdrukkelijk gewezen op de psychologische gemoedstoestand van verzoeker. die psychiatrisch patiënt is en in België reeds door verschillende artsen werd onderzocht en behandeld. Deze gemoedstoestand zorgt ervoor dat hij bijzonder onevenwichtig voorkomt en vaak opmerkingen maakt die nergens op slaan en een volkomen verkeerd beeld kunnen geven van zijn relaas en persoonlijkheid. De behandelend juriste heeft ter zake gevraagd aan de raadsman van verzoeker of deze de nodige attesten kon nasturen inzake de mentale toestand van verzoeker, teneinde deze mee te kunnen evalueren bij de beoordeling van het feitenrelaas; Waar dit ook gebeurde (zie de stukken 4 bij dit verzoekschrift) werd evenwel noch tijdens het verhoor, noch in de beslissing rekening gehouden met de concrete gemoedstoestand, die ervoor zorgde dat verzoeker ook tijdens het verhoor uiterst labiel en onevenwichtig overkwam. In de beslissing wordt enkel melding gemaakt van het feit dat verzoeker letsels opgelopen heeft ingevolge een ongeval en dat hij ook in zijn thuisland verder verzorgd kan worden. Dit blijkt evenwel niet uit de voorgelegde stukken, die nergens vermelden dat een behandeling thuis verder mogelijk is. en enkel een overzicht geven van de VII-33.382-9/12 labiele, psychotische toestand van verzoeker. Er wordt evenwel nergens akte genomen van het feit dat de medische toestand van verzoeker als psychiatrisch patiënt kennelijk heeft geïnterfereerd, en ervoor kan hebben gezorgd dat bepaalde misverstanden bestonden en bepaalde vermeende tegenstrijdigheden niet opgelost raakten. Nochtans had de Commissaris-generaal ingevolge de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht naar aanleiding van het verhoor een deskundige moeten aanstellen teneinde dit na te gaan teneinde zeker te zijn dat de aangehaalde tegenstrijdigheden en opmerkingen die hem tot zijn oordeel (bedrieglijk - kennelijk ongegrond) hebben gedreven niet te wijten zijn aan de medische toestand van verzoeker, die volgens de attesten resulteren in het volgende gedragspatroon: -bizar gedrag, van de hak op de tak springen, sociaal isolement, paranoïde gedachtegang, geheugenstoornissen, ... Door geen deskundige aan te stellen, en zelfs in de beslissing niet uit te wijden over de medische toestand van verzoeker als mogelijks interfererende factor, die duidelijk aangehaald werd terloops het interview, heeft hij kennelijk de materiële motiveringsplicht en de redelijkheids- en zorgvuldigheidsplicht geschonden. Ter vergelijking: Indien de asielzoeker verward is en er psychologische problemen lijken te zijn, kan de Vaste Beroepscommissie zelfs een deskundige aanstellen (cf. VBV 1ste kamer, nr. U673, 9 september 1997, RiV. 1997, alf. 6, 29) ; VBV 1ste kamer, nr. D27, 14 oktober 1997, RiV. 1997,afl. 6, 31). Huidig middel is dan ook ernstig.”; 2.2.
- Overwegende dat er reeds bij de bespreking van het eerste middel op werd gewezen dat wel degelijk rekening werd gehouden met de mentale toestand van verzoeker tijdens het interview op het Commissariaat-generaal; dat het verhoorverslag immers uitdrukkelijk vermeldt dat het interview goed verlopen is, dat de kandidaat- vluchteling op alle vragen heeft kunnen antwoorden en dat, indien er een probleem zou zijn van psychologische aard, dit toch zeker niet het goede verloop van het interview heeft belemmerd (zie verhoorverslag CGVS, p. 8); dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat de medische attesten van de Belgische artsen enkel bevestigen dat verzoeker letsels heeft opgelopen en dat de medicatie in het land van herkomst zal worden voortgezet; dat verder uit de bij het verzoekschrift gevoegde medische attesten blijkt dat het attest opgemaakt door Dr. Lamont uitwijst dat het neurologisch onderzoek van verzoeker normaal is; dat geen enkel van de bijgevoegde attesten vermeldt dat verzoekers gemoedstoestand verhindert dat hij vragen kan beantwoorden; dat zij evenmin melding maken van de “labiele, psychotische toestand” waarnaar verzoeker refereert; dat het attest van verzoekers huisarts vermeldt dat verzoeker aan een psychiatrische aandoening lijdt waarvoor hij medicatie inneemt en waarvoor opvolging noodzakelijk is; dat er nergens wordt vermeld dat deze behandeling niet kan worden voortgezet in het land van herkomst; dat men derhalve uit de bijgevoegde stukken niet kan opmaken dat de psychologische toestand van verzoeker een verklaring zou kunnen vormen voor de vastgestelde tegenstrijdigheden; dat er volledigheidshalve nog op dient te worden gewezen dat de stukken die verzoeker ter terechtzitting heeft neergelegd uit de debatten worden geweerd, dit gelet op de gelijke behandeling van de partijen; dat het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen immers niet in de mogelijkheid voorziet om dergelijk stukken ter terechtzitting neer te leggen; VII-33.382-10/12 Overwegende dat de bestreden beslissing bovendien op verscheidene motieven is gebaseerd; dat verzoekers mogelijke psychologische problemen niet wegnemen dat verzoeker geen elementen aanbrengt waaruit blijkt dat er sprake is van een actuele gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat hij evenmin aantoont dat de door hem aangehaalde problemen niet van eerder interpersoonlijke, gemeenrechtelijke en socio-economische aard zijn en als dusdanig niet onder de criteria van de Conventie van Genève ressorteren, zoals reeds aangehaald bij de bespreking van het eerste middel; Overwegende dat de Commissaris-generaal overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd opgeroepen voor een interview op het Commissariaat-generaal, dat verzoeker tijdens dit interview de gelegenheid kregen om zijn asielmotieven uiteen te zetten en zijn argumenten kracht bij te zetten, dat hij nieuwe en/of aanvullende stukken kon neerleggen en zich laten bijstaan door een advocaat of een persoon van zijn keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Servo-Kroatische taal machtig is; dat de Commissaris- generaal zich bij het nemen van de bestreden beslissing heeft gesteund op alle elementen en stukken vervat in het dossier, waaronder de medische attesten; dat verzoeker aldus uitgebreid de mogelijkheid heeft gekregen om zijn asielrelaas toe te lichten waarbij rekening werd gehouden met mogelijke problemen van psychologische aard; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, in casu geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat de Commissaris-generaal op grond van de door verzoeker gegeven inlichtingen tot een redelijke en zorgvuldige beoordeling van de asielaanvraag is gekomen; dat ook het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- VII-33.382-11/12 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.382-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div