id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.405 Rolnummer: A. 145845/VII-33383 Zaak: Arrest 142405 - - 21/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 09:08 Fiche Arrest nr 142.405 van 21 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.405 van 21 maart 2005 in de zaak A. 145.845/VII-33.383 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN KELST, kantoor houdende te 2600 BERCHEM, Kardinaal Mercierlei 44 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 24 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 november 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 september 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 november 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-33.383-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. VANHERPE, die, loco Advocaat J. VAN KELST, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 3 september 2003 en verklaarde zich vluchteling op 4 september
- 1.
- Op 17 september 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 november 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U verklaart Syrisch staatsburger te zijn. U bent christen. U bent via Turkije naar België gereisd waar u op 4 september 2003 asiel hebt gevraagd aan de Belgische autoriteiten. U hebt in Syrië problemen gekend ten gevolge van problemen met Abu Ali, bijgenaamd de schorpioen. Abu Ali wilde uw familie uit hebzucht bestelen. Deze heeft vanaf 1996 velden en teelten van uw familie vernield, uw verloofde ontvoerd en u zelf aangereden. Uw vader heeft klachten ingediend bij de Syrische autoriteiten maar deze hebben niet meteen gevolgen gehad gezien uw belager afkomstig was uit dezelfde streek als de toenmalig minister van Defensie. Uw vader heeft zich ook gericht tot het ministerie van Justitie maar de lokale rechtbank heeft deze procedure gedwarsboomd. U bent verschillende keren rechtstreeks een confrontatie met Abu Ali aangegaan, In 2001 bent u gedurende 16 dagen gevangen gehouden nadat uw identiteitsdocument teruggevonden was op een plaats waar wapens werden gestolen. U werd er onterecht van beschuldigd deze wapens gestolen te hebben. Na 16 dagen bent u uit de gevangenis kunnen ontsnappen met de hulp van een commissaris die uw vader had omgekocht. U bent naar Libanon gevlucht. De schorpioen heeft er vervolgens mee gedreigd u te raken indien de twee klachten waarvoor rechtszaken tegen hem hangende waren niet werden ingetrokken. Hij heeft u er vervolgens van beschuldigd een verwante te hebben verkracht. Uw jongere broer heeft onder dwang verklaart dat u in Libanon verbleef waar u begin juli 2003 werd aangehouden. U hebt opnieuw de gevangenis kunnen ontvluchten met de hulp van een omgekochte commissaris ditmaal na 20 dagen detentie. Tijdens uw gevangenschap bent u mishandeld. U vreest opnieuw gevangen genomen te worden of represailles vanwege de familie van het meisje die u zou verkracht hebben. B. Motivering De oorzaak van uw problemen ligt bij de hebzucht van een zekere Abu Ali (CGVS, gehoorverslag, p. 7). U hebt geen problemen gekend omwille van uw politieke of VII-33.383-2/7 religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep. Bijgevolg vallen de feiten die u aanhaalt ter staving van uw asielaanvraag buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. U verklaart christen te zijn maar u voert dit nergens in uw verklaringen aan als oorzaak van uw problemen zelfs wanneer tijdens het gehoor in dringend beroep herhaaldelijk naar de oorzaak van uw problemen wordt gevraagd (ibid, pp. 7, 9,10,14, 17,18.) Bovendien maakt u hierbij niet aannemelijk niet op de bescherming van de Syrische autoriteiten te kunnen rekenen omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève. Uit uw verklaringen blijkt bovendien dat er toch gevolgen werden gegeven aan de klachten neergelegd door u of uw vader (ibid, p. 7). Aanvankelijk verklaart u dat er geen gevolg werd gegeven aan de klachten en dat het ministerie van Justitie niet optrad gezien de connecties van de persoon tegen wie uw klachten gericht waren (Ibid, p.7-8). Niettemin blijkt dat er wel rechtszaken zijn tegen uw belager tengevolge van de klachten van uw familie gezien u verklaart dat hij tegen u, en uw familie, bedreigingen uitte, indien jullie de klachten die geleid hebben tot de twee rechtszaken tegen hem niet zouden intrekken. U verklaart zelf dat Abu Ali geen toegang heeft tot rechtbanken op een hoger niveau (ibid, pp. 14-15). Bijgevolg kan hieruit worden afgeleid dat er wel degelijk een gevolg werd gegeven aan de klachten van uw familie door de Syrische autoriteiten. U haalt ook geen enkel element aan waarom u in de toekomst geen gebruik zou kunnen maken van verdere juridische procedures tegen uw belager noch waarom u in een gerechtelijke procedure tegen u uw onschuld niet zou kunnen aantonen. Wat betreft uw actuele vrees dient te worden opgemerkt dat de klachten tegen u voortvloeien uit uw gemeenrechtelijke problemen met Abu Ali (ibid, pp. 10,
- 17-18) en er, zoals hierboven werd gesteld, geen redenen zijn waarom u zich niet zou kunnen beroepen op de bescherming van de autoriteiten, en dit omwille van een van de criteria van de Conventie van Genève. Bovendien legt u geen begin van bewijs voor van de klachten die tegen u zijn neergelegd noch van de concrete problemen die geleid hebben tot uw beslissing uw land te verlaten. namelijk de valselijke beschuldiging van verkrachting en de gevolgen daarvan. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten wijzigen bovenstaande vaststellingen niet. Uw lagere school-diploma toont enkel aan dat u uw lagere school hebt afgewerkt. Het bewijs dat u werd opgenomen in het ziekenhuis in 1998 toont niet aan in welke omstandigheden u verwond werd en de aanklacht, met de vraag tot ondervraging van een persoon die het veld van uw familie vernield heeft, toont enkel aan dat de politie gevolg wou geven aan dit incident. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten Koninklijk Besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2,).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : VII-33.383-3/7 “Schending van artikel 57/6 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging, en de verwijdering van vreemdelingen, artikelen 2 en 3 van de wet 29 Juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat de Commissaris-generaal voor vluchtelingen en staatlozen overweegt in zijn beslissing dat de oorzaak van de problemen van verzoeker ligt bij de hebzucht van Abu Ali. Verzoeker zou geen problemen gekend hebben omwille van zijn politieke of religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep; De problemen van verzoeker zijn volgens de Commissaris-generaal van gemeenrechtelijke aard en bovendien zou verzoeker niet aannemelijk maken dat hij niet op de bescherming van de Syrische autoriteiten zou kunnen rekenen; In de bestreden beslissing wordt de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk verklaard omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; Terwijl alle administratieve beslissingen met redenen dienen te worden omkleed (artikel 62 van de Wet van 15 december 1980); Dat de motiveringsplicht verzoeker moet toelaten de redenen te begrijpen die aan de grondslag liggen van de genomen beslissing; Dat de motiveringsplicht ook geldt ten aanzien van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 57/6 van de Wet van 15 december 1980; Dat de beslissing nopens het dringend beroep van verzoeker gemotiveerd moet zijn en dit zowel in rechte als in feite en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden weergegeven en die weergegeven motieven concreet moeten zijn en van die aard om de gewezen beslissing te kunnen dragen;
- Aangezien vooreerst dient te worden vastgesteld dat de vervolgingen wel degelijk uitgaan van de Syrische overheid en verzoeker geen beroep kon doen op bescherming van Syrische autoriteiten; Verzoeker werd immers tot twee maal toe aangehouden naar aanleiding van valse beschuldigingen van de heer Abu Ali; Dat verzoeker in beide gevallen de gevangenis kon ontvluchten na omkoping van een commissaris en dat hij tijdens zijn gevangenschap werd mishandeld; De heer Abu Ali werd na diverse klachten ongemoeid gelaten en niet aangehouden; Dat eerst na het jarenlang indienen van klachten 2 gerechtelijke procedures werden gevoerd lastends de heer Abu Ali doch dat de heer Abu Ali niet werd aangehouden; Dat de heer Abu Ali een machtig en invloedrijk persoon is die sterke banden heeft met politieke en economische machthebbers; Dat dit ertoe leidt dat verzoeker geen beroep kan doen op de bescherming van de Syrische autoriteiten, meer nog, wordt vervolgd door deze autoriteiten; Wat dit betreft is de bestreden beslissing tegenstrijdig; Aangezien immers niet wordt betwist dat verzoeker naar buurland Libanon is gevlucht en daar werd aangehouden begin juli 2003; Dat verzoeker aldaar werd aangehouden omdat zijn jongere broer zijn verblijfplaats onder druk heeft prijsgegeven. Dat aldus niet wordt betwist dat de jongere broer van verzoeker ‘onder druk’ werd geplaatst en verzoeker in een buurland werd aangehouden nadat valse beschuldigingen werden geuit aan het adres van verzoeker door Abu Ali; Met andere woorden gaat de overheid na een klacht en wetende dat reeds jarenlang animositeit bestaat tussen verzoeker en Abu Ali, de jongere broer onder druk zetten en gaat deze overheid verzoeker arresteren in een buurland (!!!); In dezelfde beslissing wordt voorgehouden dat de problemen van verzoeker van gemeenrechtelijke aard zijn en hij beroep kan doen op bescherming van de autoriteiten; De overwegingen van de beslissing zijn volkomen tegenstrijdig; De oorsprong van de problemen kan misschien van gemeenrechtelijke aard zijn doch door de sterke machtspositie van Abu Ali, wordt verzoeker ontegensprekelijk vervolgd door de autoriteiten van het land van herkomst en kan hij geen beroep doen op hun bescherming. Dat de invloedrijkheid van Abu Ali in de bestreden beslissing niet wordt betwist; Dat dient te worden opgemerkt dat een vluchtalternatief voor verzoeker in het land van herkomst of in een buurland niet voorhanden is aangezien verzoeker werd gearresteerd in een buurland; Dat verzoeker genoodzaakt was in een verder afgelegen VII-33.383-4/7 land asiel te zoeken omwille van ,de vervolgingen in de zin van de Conventie van Genève waaraan hij werd blootgesteld;
- Indien zou worden aanvaard dat de problemen van verzoeker louter problemen met een privé-persoon zijn, dient het hiernavolgende te worden opgemerkt; Aangezien zelfs indien de geweldplegingen en de bedreigingen uitgaan van een particulier, verzoeker zich nog steeds op de status van vluchteling kan beroepen; Dat immers vervolgingen in de zin van de Conventie van Genève niet noodzakelijk uitgaan van staatsorganen (UNHCR, An overview on Protection Issues in Western Europe: Legislatieve Trends and Positions taken by UNHCR, European Series, vol. 1, nr 3, september 1995, 28 ev.) noch van de nationale overheid; Dat aldus de motivering van de bestreden beslissing nalaat te vermelden waarom de problemen van verzoeker in het land van herkomst zijn asielaanvraag niet zouden staven en met andere woorden niet kon volstaan met te stellen dat de problemen van verzoeker problemen met privé-personen zijn; Dat immers problemen met privé-personen in het land van herkomst wel degelijk vervolgingen in de zin van de Conventie van Genève zijn; Wat dit betreft zijn de weergegeven motieven in de bestreden beslissing om te besluiten dat verzoeker niet voldoet aan de criteria van de Conventie van Genève niet concreet genoeg; Dat hiermede de schending komt vast te staan van de in dit middel weergegeven wetsartikelen en beginselen.”; 2.
- Overwegende dat met betrekking tot het ingeroepen artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, erop gewezen dient te worden dat dit artikel niet van toepassing is op een asielaanvraag die zich nog in het ontvankelijkheidsstadium bevindt, zoals in casu het geval is, zodat de schending ervan niet dienstig kan worden ingeroepen; dat het voorts niet mogelijk is tegelijk de schending van de formele en materiële motiveringsplicht aan te voeren; dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat in zoverre verzoeker, door zijn asielmotieven te herhalen, wil aantonen dat de Commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd zou hebben beoordeeld, erop dient te worden gewezen dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich de discretionaire bevoegdheid van die overheid aan te matigen; Overwegende dat de Commissaris-generaal in casu oordeelde dat verzoeker geen feiten of elementen heeft aangebracht waaruit blijkt dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève of dat hij bij een eventuele terugkeer een dergelijke vrees dient te koesteren, daar de door verzoeker aangevoerde problemen van gemeenrechtelijke aard zijn en geenszins onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève vallen; dat verzoeker tijdens het interview op het Commissariaat-generaal meermaals bevestigde dat zijn problemen hun oorsprong vinden in zijn gemeenrechtelijke problemen met een privé- persoon, Abu Ali, die uit pure hebzucht handelde (zie verhoorverslag CGVS, p. 7, 9-10, 14, 17-18); dat vervolgingen door privé-personen enkel onder de toepassing van de Conventie van Genève kunnen vallen indien ze zijn ingegeven door één van de in artikel 1, (A), 2, van VII-33.383-5/7 de Conventie van Genève opgenomen gronden van vervolging en de overheid niet bij machte is een afdoende bescherming ertegen te bieden; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat noch de ene noch de andere voorwaarde in casu voorhanden was; dat de problemen van verzoeker immers van gemeenrechtelijke aard waren en werden ingegeven door hebzucht van verzoekers vervolger, en dat daarnaast uit het verhoorverslag blijkt dat de Syrische autoriteiten de klachten van verzoekers familie wel degelijk behandeld hebben (zie verhoorverslag CGVS, p. 14-15); dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn, noch dat de bestreden beslissing in rechte of in feite niet afdoende gemotiveerd zou zijn; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-33.383-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.383-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div