id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.406 Rolnummer: A. 145988/VII-33384 Zaak: Arrest 142406 - - 21/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 09:09 Fiche Arrest nr 142.406 van 21 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.406 van 21 maart 2005 in de zaak A. 145.988/VII-33.384 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Vosstraat 9 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 30 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 november 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 november 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.384-1/8 Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VERMEIRE, die, loco Advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 12 september 2003 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 21 oktober 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 november 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U zou over de Pakistaanse nationaliteit beschikken en afkomstig zijn uit Fatapur. U zou een aanhanger van het Ahmadiegeloof zijn. In de zomer van 1997 zou uw neef problemen gekregen hebben met een maulvi in Shezadpur. Hierop zou u tussenbeide gekomen zijn. Hierop zou de maulvi ook u geslagen hebben. Hierop zou u problemen hebben gekregen met nog een aantal maulvi's van Sippah-e-Sahaba. U zou gevlucht zijn naar een neef. Na drie dagen zou u terug naar het centrum van Shezadpur gegaan zijn, waar een aantal maulvi's u gezien zouden hebben. U zou terug naar uw neef gegaan zijn en u zou later van uw broer gehoord hebben dat de politie u zocht. Er zou namelijk een klacht tegen uw neef en een aantal onbekenden ingediend zijn en u zou een van deze onbekenden zijn. De komende jaren zou u steeds van de ene naar de andere plek verhuisd zijn, zodat de maulvi's u niet konden vinden. Ondertussen zou uw familie geld bij elkaar hebben gezocht om u het land te laten verlaten. Op 7 september 2003 zou u van Karachi naar Abu Dabi gevlogen zijn en dan naar London. Na enkele dagen in London verbleven te hebben zou u naar België gekomen zijn op 12 september
- Ter ondersteuning van uw asielrelaas legt u de volgende documenten voor: een fax van uw identiteitsbewijs, een vertaling van een krantenartikel en de vertaling van een “FIR” (First Information Report.). B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u niet voldoende elementen heeft aangehaald waaruit zou moeten blijken dat u Pakistan heeft moeten verlaten wegens VII-33.384-2/8 een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève. U spreekt slechts over een éénmalig feit dat plaatsvond in
- Er zou een aanklacht tegen uw neef ingediend zijn en tegen onbekenden, en u zou een van deze onbekenden zijn. Daar volgens uw eigen verklaring uw naam nergens voorkomt in de “FIR”, komt het dan ook als bevreemdend over dat u de Pakistaanse autoriteiten zou moeten vrezen. U heeft in het verleden nooit enig probleem gehad met de Pakistaanse overheden en het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat u persoonlijk zou worden geviseerd wegens een klacht tegen onbekenden. Het feit dat het hier slechts om een klacht tegen onbekenden ging, is dan ook een verklaring waarom u nadien zes jaren probleemloos in Pakistan kon verblijven. Bovendien verklaarde u dat u geregeld naar buiten ging om bv. de moskee te bezoeken; gedrag dat niet verenigbaar is voor iemand die vreesde door de overheden te worden gezocht. Als conclusie dient dan ook gesteld te worden dat u onvoldoende heeft aangetoond dat u door de Pakistaanse autoriteiten wordt vervolgd. Wat betreft uw vrees voor de maulvi's dient wederom gewezen te worden op het feit dat u zes jaren lang probleemloos leefde in Pakistan en dat u nog altijd deelnam aan het dagelijkse openbare leven. In die zes jaren zou u de maulvi's nooit meer tegengekomen zijn, wat er op wijst dat uw ingeroepen problemen met maulvi's eerder van lokale aard zijn. Bijgevolg is er geen enkele reden waarom het interne vluchtalternatief binnen Pakistan niet op u van toepassing zou zijn. Verder dient te worden opgemerkt dat er tussen uw opeenvolgende verklaringen verschillende tegenstrijdigheden bestaan, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag in zijn geheel ernstig ondermijnd wordt. Zo verklaarde u tijdens uw interview op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat verschillende maulvi's u geslagen zouden hebben terwijl u op het Commissariaat-generaal (CGVS) verklaarde dat alleen de eerste maulvi u geslagen zou hebben (gehoorverslag CGVS p. 5). Verder verklaarde u op de DVZ dat u eerst van uw broer vernam dat de politie u zocht en dat u toen terugging naar Shezadpur terwijl u op het CGVS verklaarde dat u eerst naar Shezadpur terugging en dat uw broer u daarna vertelde dat de politie u zocht (gehoorverslag CGVS p. 6). Uw verklaring dat u nerveus was gedurende uw eerste interview is niet afdoende om bovenstaande tegenstrijdigheden, die het geheel van uw asielrelaas in een uiterst verdacht daglicht stellen, te verklaren. Ook dient te worden opgemerkt dat u slechts de vertalingen van uw documenten kan voorleggen, en dat uit deze documenten niets kan afgeleid worden omtrent het eventuele bestaan van enige originele documenten. De vertaling van de “Fir” die u heeft voorgelegd, spreekt inderdaad van een Anis Ahmad (waarvan u beweerde dat het om uw neef ging) en twee onbekenden, maar u kan op geen enkele manier aannemelijk maken dat u een van deze onbekenden zou zijn. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie in een positieve zin zouden doen ombuigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : VII-33.384-3/8 “Verzoeker werpt een eerste middel op dat bestaat uit de schending van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaat-generaal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het voorhanden zijn van de opgeworpen, beweerdelijke contradicties. De Commissaris-generaal meende enkele beweerdelijke contradicties te moeten onderkennen, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoeker waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid die verzoeken dient weg te filteren, die “manifestement abusives ou non fondée” zijn (exposé et motif de la loi de 14 juillet 1987, document parlementaire, cession 1986 et 1987,689/1, p. 7). Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoeker heeft in casu een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat hij voldoet aan deze voorwaarden van de Conventie van Genève. “Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot “een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur volledig op de hoogte te zijn van de feiten” die de besluitvorming kunnen beïnvloeden.” (A. VAN MENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.212, nr.250.) De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten tot het voorhanden zijn van enkele beweerdelijke tegenstrijdigheden, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde, dat erin bestaan zou hebben “de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden” op hun merites te hebben onderzocht. De feiten die verzoeker heeft aangebracht, zijn van een zodanige aard dat ze niet zonder meer; niet zonder een onderzoek ten gronde konden worden afgedaan als “bedrieglijk” . Door desalniettemin er enige zij het vlugge en oppervlakkige aandacht aan te hebben besteed, heeft de Commissaris-generaal zelf laten verstaan dat de door verzoeker ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn - hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen: een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. De Commissaris-generaal stelt dat er tegenstrijdigheden zijn in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker waardoor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas in zijn geheel ernstig ondermijnd wordt. In de bestreden beslissing wordt zelf de verklaring gegeven van de tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen van verzoeker. Verzoeker was namelijk zeer nerveus op het moment van zijn interview op Dienst Vreemdelingenzaken waardoor er 2 onnauwkeurigheden geslopen zijn in zijn asielrelaas. Deze onnauwkeurigheden zijn echter dermate minimaal dat ze geen afbreuk doen aan zijn asielrelaas en aan de geloofwaardigheid ervan.”; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal binnen het kader van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de asielaanvraag in casu onontvankelijk wordt verklaard op basis van de vaststelling dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is en bovendien bedrieglijk; Overwegende dat in de motivering van de bestreden beslissing enerzijds gewezen wordt op de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag; dat een VII-33.384-4/8 asielaanvraag kennelijk ongegrond kan zijn omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat door de Commissaris-generaal hiertoe in casu wordt besloten omwille van de vaststelling dat verzoeker slechts over een éénmalig feit spreekt dat plaatsvond in 1997, waarna een aanklacht tegen verzoekers neef zou zijn ingediend en tegen onbekenden, waar verzoeker er een van zou zijn, dat het zeer onwaarschijnlijk lijkt dat verzoeker persoonlijk zou worden geviseerd wegens een klacht tegen onbekenden, en dat daarnaast ook verzoekers gedrag in die periode niet verenigbaar was met dat van iemand die vreesde door de overheden te worden gezocht, wat dan ook de aangevoerde vervolging door de Pakistaanse autoriteiten niet aannemelijk maakt; dat bovendien nog werd vastgesteld dat de door verzoeker ingeroepen problemen met maulvi’s eerder van lokale aard zijn en er bijgevolg sprake was van een intern vluchtalternatief binnen Pakistan; dat op basis van deze vaststellingen redelijkerwijs kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; Overwegende dat in de motivering anderzijds wordt ingegaan op de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend, of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat door de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid wordt besloten omdat er in verzoekers opeenvolgende verklaringen verschillende tegenstrijdigheden werden vastgesteld, waardoor de geloofwaardigheid van zijn asielaanvraag in zijn geheel ernstig wordt ondermijnd; dat dit alles uitvoerig en op gedetailleerde wijze in de motivering van de bestreden beslissing wordt uiteengezet; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden alle steun vinden in het administratief dossier; dat verzoeker deze vaststellingen geenszins in concreto poogt te weerleggen; dat in de bestreden beslissing reeds wordt gesteld dat de zenuwachtigheid van verzoeker tijdens het eerste interview de tegenstrijdigheden, die het geheel van zijn asielrelaas in een uiterst verdacht daglicht stellen, niet vermag te verklaren; dat verzoeker zich verder in het verzoekschrift beperkt tot het minimaliseren van deze vastgestelde incongruenties, doch er geenszins in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; Overwegende dat verzoeker er daarenboven ten onrechte van uit gaat dat om tot de bestreden beslissing te komen een onderzoek naar de gegrondheid nodig zou zijn geweest; dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag de Commissaris-generaal immers, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen van verzoeker zorgvuldig te onderzoeken VII-33.384-5/8 en onderling te vergelijken; dat in casu een eenvoudige vergelijking van verzoekers opeenvolgende verklaringen duidelijke tegenstrijdigheden naar voren bracht; dat dit niet als een onderzoek naar de gegrondheid kan worden beschouwd; dat, zoals reeds werd aangehaald, artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond en bovendien bedrieglijk blijkt te zijn; dat de bewering van verzoeker dat enkel tijdens de procedure ten gronde de waarachtigheid van zijn verklaringen kan worden nagegaan bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat verzoekers aangevoerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel dan ook niet kunnen worden aangenomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “Verzoeker puurt een tweede middel uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn om een verzoek tot verblijfuitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: “de persoon die (..,) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, ...” Verzoeker voldoet volledig aan de drie aangegeven gronden (de vrees voor vervolging omwille van zijn “anders-zijn”), en heeft derhalve zijn relaas weergegeven. “In het algemeen kan worden gesteld dat de overheid haar beslissingen moet baseren op feiten die een determinerende invloed op de uiteindelijke beslissing hebben. Welke nu ‘precies’ die feiten zijn, dient te worden opgemaakt uit het doel en de strekking van de “wettelijke en reglementaire bepalingen die de materie beheersen.” (A. VAN MENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het Privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.213, nr.253.) Het doel en de strekking van de Conventie van Genève bestaat erin personen bescherming te verlenen; die in hun land vervolgd worden door de autoriteiten vanwege hun “anders-zijn”. Verzoeker is zo één van die personen, en de feiten die hij heeft aangebracht om zijn relaas te staven, dienen dan ook in de zin van de Conventie van Genève gelezen te worden.
- De vrees: Verzoeker vreest dat hij bij een terugkeer naar zijn land van herkomst zal gearresteerd worden voor de feiten waarmee hij samen met zijn neef in aanraking is gekomen. Dit is niet onwaarschijnlijk gelet op het feit dat er tegen zijn neef, Anis Ahmad, een First Information Report (FIR) is afgekondigd.
- Voor vervolging: Verzoeker vreest om vervolgd te worden en mishandeld te worden door de politie. Gelet op de situatie van de aanhangers van het Ahmadigeloof in Pakistan, is dit niet onwaarschijnlijk.
- Omwille van zijn anders-zijn: Verzoeker wordt vervolgd omwille van het feit dat hij een aanhanger is van het Ahmadigeloof, een minderheid in Pakistan die vervolgd wordt omwille van het feit dat zij niet beschouwd worden als echte Moslims. Dit is duidelijk een vervolging omwille van het behoren tot een bepaalde godsdienstige strekking. VII-33.384-6/8 Enkel die feiten die verzoeker heeft aangebracht in de zin van de Conventie van Genève, dienen dan ook onderzocht en gewaardeerd te worden: de andere feiten en gegevens diende de Commissaris-generaal buiten beschouwing te laten. Alleszins heeft de Commissaris-generaal nergens zij het formeel, zij het materieel aangeduid, op basis van welke feiten hij heeft uitgemaakt dat verzoeker niet beantwoordt aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, doordat de aanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond zou zijn. De dienende feiten kunnen niet voor enige contradictie zorgen met de feiten die los staan van het doel en de strekking van de ter zake geldende bepaling: de Conventie van Genève.”; 2.2.
- Overwegende dat tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren, niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene immers onmogelijk zou maken uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dit ook betekent dat, wanneer uit de bewoordingen van het verzoekschrift kan worden afgeleid dat in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing kent, het middel voorzover het is gesteund op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de recht zoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens immers in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich de discretionaire bevoegdheid van die overheid aan te matigen, doch dat hij enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat verzoeker in wezen de feiten die hem ertoe hebben aangezet zijn land te ontvluchten, herhaalt en vraagt deze opnieuw te beoordelen, maar niet aantoont dat het oordeel van de Commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat de Commissaris-generaal in deze in laatste aanleg uitspraak doet over de feitelijke elementen van de zaak; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissing de verklaringen die verzoeker in de loop van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen, met name dat verzoeker enerzijds onvoldoende heeft aangetoond dat hij door de Pakistaanse autoriteiten wordt vervolgd en anderzijds tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd; dat de Commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de door verzoeker bestreden beslissing uitgebreid de motieven bevat op grond waarvan wordt geoordeeld dat de aanvraag kennelijk ongegrond en bovendien bedrieglijk is; dat de motieven worden gestaafd door een aantal precieze voorbeelden, waarvan de juistheid en pertinentie niet VII-33.384-7/8 worden weerlegd door verzoeker; dat een schending van de motiveringsplicht aldus niet wordt aangetoond; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.384-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div