← België

Arrest 142407 - - 21/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.407 Rolnummer: A. 152591/VII-33385 Zaak: Arrest 142407 - - 21/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:09 Fiche Arrest nr 142.407 van 21 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.407 van 21 maart 2005 in de zaak A. 152.591/VII-33.385 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat O. GRAVY, kantoor houdende te 5000 NAMEN, Rue Pépin 14 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, op 14 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 april 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 maart 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 april 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.385-1/6 Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. C. COOREMAN, die, loco Advocaat O. GRAVY, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 3 maart 2004 en verklaarde zich vluchteling op 4 maart
  3. 1.
  4. Op 17 maart 2004 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 19 april 2004 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op 13 april 2004 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Albanese taal machtig is en in aanwezigheid van uw raadsvrouw, Mr. Brepoels loco Mr. Gravy. Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Presheve. Sinds 1997 zou uw vader regelmatig contact gehad hebben met een Albanese politieman, G. B., en diens vader. Hij zou hen regelmatig naar jullie woning hebben meegenomen en hij zou u gedwongen hebben om een relatie aan te gaan met G.. U zou dit niet gewild hebben, ook omdat G. voornamelijk Servische vrienden had. Tijdens het gewapend conflict in uw regio zou hij hebben samengewerkt met de Serviërs. Hierdoor zou de rest van uw familie het contact met uw vader hebben verbroken. In 1999, tijdens de Navo bombardementen op Kosovo zouden jullie in de woning van G., eveneens te Presheve, gelogeerd hebben. In augustus 2000 zou u gedwongen geweest zijn om u met G. te verloven. U zou niet met hem samengewoond hebben, maar hij zou u regelmatig komen halen zijn. Hij zou u sinds 1999 ook regelmatig mishandeld hebben. In 2001 zou u naar het politiebureau van Presheve geweest zijn, maar zijn collega zou alles aan hem verteld hebben. Daarop zou G. kwaad geworden zijn en hij zou u opnieuw geslagen hebben. Daarna zou u geen klacht meer hebben ingediend. G. zou u ook gedwongen hebben om alcohol te drinken en hij zou u regelmatig meegenomen hebben naar een hotel te Vranje. Op 24 januari 2004 zou hij u weer naar een hotel in Vranje hebben gebracht. Hij zou u daar achtergelaten hebben en omdat u geen woord VII-33.385-2/6 Servisch spreekt zou u verplicht geweest zijn om op hem te wachten in het hotel. 's Avonds zou één van zijn Servische vrienden, Z., uw kamer binnengekomen zijn en hij zou u met geweld verkracht hebben. U zou dit de volgende dag aan G. verteld hebben maar hij zou u gezegd hebben dat dit voor hem normaal was. Thuisgekomen zou u uw vader hebben ingelicht. Deze zou u echter niet geloofd hebben en hij zou u geslagen hebben. U zou dan gevlucht zijn naar uw oom, I. B. . Hij zou u verborgen hebben bij kennissen en hij zou uw reis naar het buitenland hebben geregeld. Uw vader en G. zouden u één keer bij uw oom komen zoeken zijn. U zou uw geboortestreek verlaten hebben op 28 februari 2004 en u hebt in België asiel aangevraagd op 29 februari
  6. U bent in het bezit van een identiteitskaart afgeleverd te Presheve op 5 augustus
  7. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u in uw opeenvolgende verklaringen geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou blijken dat u uw land van herkomst in februari 2004 verlaten zou hebben omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, of dat u alsnog, bij een eventuele terugkeer naar uw geboortestreek een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. Het door u ingeroepen motief, met name dat uw voormalige verloofde G. B. u zou mishandeld hebben en dat zijn vriend Z. u zou verkracht hebben, is immers een probleem van interpersoonlijke (tussen privé-personen) en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard en ressorteert als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Van het feit dat u door uw vader gedwongen werd om u met G. te verloven, een probleem van familiale aard, kan hetzelfde gezegd worden. Daarnaast hebt u geen feiten of elementen aangehaald waaruit zou blijken dat u met betrekking tot uw problemen met G. geen beroep had kunnen doen op de bescherming van uw autoriteiten omwille van redenen zoals voorzien in de Conventie van Genève. Uit de door u aangebrachte elementen blijkt duidelijk dat G. in casu duidelijk niet handelde in naam van de wet of de Servische autoriteiten, maar wel in eigen naam. U verklaarde één keer naar de politie te zijn geweest, in 2001, en dat de persoon tot wie u zich richtte G. zou hebben ingelicht (gehoorverslag CGVS, p. 14-15). In dit verband dient echter te worden opgemerkt dat in de periode van 2001 de politie van Presheve in volle overgangsfase was. Na het einde van het conflict in mei 2001 werd met de hulp van de internationale gemeenschap immers een multi-etnische, in Westerse technieken getrainde politiemacht opgericht, die tegen eind 2002 in heel Zuid-Servië actief was (zie informatie in bijlage in het administratief dossier). Uw nalaten na 2001 om een beroep te doen op deze politiemacht, met name omdat u schrik had voor de reactie van G., is niet ingegeven door één van de redenen van de Conventie. Daarnaast blijkt uit de informatie van het Commissariaat-generaal waarvan een kopie als bijlage in het administratief dossier werd gevoegd dat u eveneens een beroep had kunnen doen op de in uw regio aanwezige mensenrechtenorganisaties. Zo verschaft de CHR (Council for Human Rights) te Bujanovc effectieve rechtsbijstand aan etnische Albanezen wiens mensenrechten geschonden werden. Ook de gevallen van eventuele mensenrechtenschendingen door staatsinstellingen worden door het CHR geregistreerd en opgevolgd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”. Dit is de bestreden beslissing; VII-33.385-3/6 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Pris de la violation des articles 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 ainsi que des articles 1, 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs En ce que : la partie adverse en sa décision considère que: “La négligence de ma requérante après 2001 de faire appel à cette force de police (force de police multi-ethnique entraînée dans les techniques occidentales et créée fin 2002) notamment parce qu'elle avait peur de la réaction de G. n'est pas inspirée par un des motifs de la convention”; Alors que: ma requérante a exposé dans le cadre de sa demande d'asile qu'elle s'était rendue une fois à la police en 2001 et qu'à cette occasion, la personne à qui elle s'était adressée en aurait informé G. son ancien fiancé; Qu'en l'espèce, force est de constater que le Commissariat Général des Réfugiés et Apatrides n'a aucunement mis en doute les faits exposés par ma requérante mais a estimé qu'il lui appartenait de solliciter une aide auprès des autorités de son pays de telle sorte que sa demande devait être déclarée manifestement non fondée; Qu'i1 convient de rappeler qu'est manifeste au sens de l'article 52 de la loi du 15 décembre 1980 ce dont l'existence ou la nature s'impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires; Que certes la Convention Internationale relative au statut des réfugiés signée à Genève le 28 juillet 1951 approuvée par la loi du 26 juin 1953 laisse à chaque état contractant un large pouvoir d'appréciation quant à la recevabilité des demandes d'asile et que ce pouvoir a été mis en application par l'article 52 précité qui permet à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile de la production d'un commencement de preuve des persécutions évoquées, mais que, pour faire une application régulière de cette disposition légale, des éléments relevés par l'autorité compétente doivent être d'une importance telle qu'ils justifient la certitude que le demandeur d'asile n'a pas la qualité de réfugié; Qu'en l'espèce, la partie adverse n'a pas contesté l'exposé des faits réalisés par ma requérante; Que la partie adverse n'a pas cherché non plus à savoir les raisons justifiant que ma requérante n'ait plus désiré déposer plainte à l'encontre de Gezim postérieurement à 2001; Qu'en sa décision, la partie adverse ne conteste pas le fait que ma requérante s'est plainte une première fois à la police en 2001 mais que son fiancé en a été informé par les services de police; Que la partie adverse se contente de préciser en sa motivation que “durant la période de 2001, la police de Presheve était en pleine phase transitoire. Après la fin du conflit en mai 2001, une force de police multi-ethnique entraînée dans les techniques occidentales a été créée qui vers la fin 2002 était active dans toute la Serbie méridionale”; Que la négligence de ma requérante après 2001 à faire appel à cette force de police notamment parce qu'elle avait peur de la réaction de G. ne serait pas inspirée par un des motifs de la convention; Que cette motivation est pour le moins particulière puisqu'il n'est nullement contesté qu'en 2001 la police de Presheve aurait été en pleine phase transitoire mais que durant le courant de l'année 2002, la situation aurait été régularisée; Que ma requérante qui à une première reprise s'est plainte au service de police des persécutions qu'elle subissait de par G., n'allait pas une nouvelle fois se rendre auprès des services de police alors que lorsqu'elle a demandé leur aide une première fois, ceux-ci ont prévenu son ancien fiancé, lequel en outre est un policier albanais; Que la partie adverse ne conteste pas non plus le fait que lorsque G. avait appris la plainte qui avait été déposée à son encontre par ma requérante, celui-ci l'aurait à nouveau battue; Qu'elle a précisé également que c'est la raison pour laquelle elle n'a plus ensuite osé déposer plainte; Qu'eu égard aux éléments exposés ci-avant, la partie adverse ne pouvait sans méconnaître les principes et dispositions légales visés au moyen appliquer l'article 52 de la loi du 15 décembre 1980 sans avoir invité ma requérante à s'expliquer à tout le VII-33.385-4/6 moins davantage sur ses craintes de déposer plainte auprès des services de police de Presheve.”; 2.
  9. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat zij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat de Commissaris-generaal, op grond van zijn in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen vervatte appreciatiebevoegdheid, tot de onontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag besloot, omdat de aanvraag geen verband houdt met de criteria van da Conventie van Genève noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster zich in het middel enkel richt tegen een secundair motief; dat het determinerend motief van de beslissing immers gelegen is in de vaststelling dat de door verzoekster aangevoerde feiten, met name de mishandelingen door haar ex-verloofde en de verkrachting door de vriend van haar ex-verloofde, problemen betreffen van louter interpersoonlijke en gemeenrechtelijke aard en als dusdanig niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève; dat verzoekster geen enkele poging onderneemt om deze vaststelling te weerleggen; dat verzoekster evenmin concrete elementen aanhaalt waaruit zou kunnen blijken dat zij wel een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève zou koesteren; dat het middel zich aldus volledig richt tegen een motief dat slechts van subsidiaire aard is, met name de vaststelling dat verzoekster geen elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat zij geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de autoriteiten van haar land van herkomst omwille van redenen zoals voorzien in de Conventie van Genève; dat het enige middel bijgevolg niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. VII-33.385-5/6 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.385-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.