← België

Arrest 142408 - - 21/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.408 Rolnummer: A. 153934/VII-33386 Zaak: Arrest 142408 - - 21/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 09:09 Fiche Arrest nr 142.408 van 21 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.408 van 21 maart 2005 in de zaak A. 153.934/VII-33.386 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. DEBOUVER, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof Bevrijdingslaan 4, bus 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bulgaarse nationaliteit, op 19 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 juni 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 mei 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.386-1/6 Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat V. DEBOUVER, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 6 april 2004 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 4 mei 2004 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 21 juni 2004 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 14/05/2004 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : VII-33.386-2/6 “Eerste middel.
  6. Schending van artikel 63/4 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de Vreemdelingenwet).
  7. Artikel 63/4 van de Vreemdelingenwet bepaalt: “De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten wordt ter kennis gebracht van de Minister of van diens gemachtigde, die bij een ter post aangetekende brief of per bode tegen ontvangstbewijs of per faxpost een afschrift ervan ontvangt. Zij wordt eveneens ter kennis gebracht van de belanghebbende die bij een ter post aangetekende brief of per bode tegen ontvangstbewijs een afschrift ervan ontvangt. Wanneer hij woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman, kan de kennisgeving ook geldig worden verstuurd per faxpost.” Verzoekende partij mocht echter de beslissing van de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen d.d. 22/06/2004 waarbij verblijf met bevel het grondgebied te verlaten werd bevestigd, niet ontvangen.
  8. Op 06/04/2004 vroeg verzoekende partij asiel aan waar verzoekende partij en zijn gezin op diezelfde dag werden toegewezen aan het Lokaal Opvanginitiatief van het OCMW TIELT. Op 07/04/2004 heeft verzoekende partij zich samen met zijn gezin aangemeld bij het Lokaal Opvanginitiatief van het OCMW TIELT waarbij zij onmiddellijk na aankomst werden ondergebracht in de woning gelegen te 8700 TIELT. Op 13/04/2004 werd vanuit het OCMW TIELT een wijziging van gekozen verblijfplaats (code 212) aangetekend overgemaakt zowel aan de Dienst Vreemdelingenzaken als aan het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen. Deze wijziging werd geregistreerd in het rijksregister, met ingang van datum verzending 13/04/
  9. Verzoekende partij en zijn gezin deden het nodige om zich te laten inschrijven op het adres te 8700 TIELT zodat verzoekende partij en zijn gezin op het desbetreffend adres sinds 22/04/2004 zijn gedomicilieerd. Op 07/05/2004 stelde verzoekende partij dringend beroep in bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen tegen de negatieve beslissing genomen door Dienst Vreemdelingenzaken d.d. 04/05/
  10. Tot haar verwondering moest het OCMW TIELT bij raadpleging van het wachtregister vaststellen dat de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 22/06/2004 een bevestigende negatieve beslissing nam, waarvan kennisgeving op 24/06/2004, terwijl verzoekende partij en zijn gezin geen weet hadden van een oproeping voor gehoor bij het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Na telefonisch onderhoud met het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bleek dat zowel de oproeping gehoor als de beslissing d.d. 22/06/2004 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen waarbij de weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten werd bevestigd werden verstuurd naar het adres te 8700 TIELT terwijl verzoekende partij en zijn gezin van bij aanvang wonen te 8700 TIELT. Gelet de materiële vergissing die was gebeurd verzocht de raadsman van verzoekende partij bij wege van fax d.d. 05/07/2004 en bij wege van fax d.d. 06/07/2004 dat het dossier van verzoekende partij zou worden heropend. Immers uit de stukken die aan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werden overgemaakt staat afdoende vast dat verzoekende partij en zijn gezin reeds vanaf 07/04/2004 wonen te 8700 TIELT en nog steeds wonen en dat er dan ook nimmer enige wijziging van adres werd doorgegeven. Niettegenstaande vaststaat dat verzoekende partij en zijn gezin wonen te 8700 TIELT en de beslissing d.d. 22/06/2004 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd verstuurd naar het adres te 8700 TIELT liet het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij wege van brief d.d. 08/07/2004 weten dat niet kon worden overgegaan tot de heropening van het dossier van verzoekende partij en zijn gezin. Gezien verzoekende partij geen woonstkeuze had gedaan bij zijn raadsman verzocht de raadsman van verzoekende partij bij wege van fax d.d. 09/07/2004 het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen alsnog de negatieve VII-33.386-3/6 beslissing d.d. 22/06/2004 te bezorgen. De raadsman van verzoekende partij mocht vooralsnog deze negatieve beslissing d.d. 22/06/2004 niet ontvangen. De beslissing d.d. 22/06/2004 van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen waarbij de weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten werd bevestigd kan dan ook niet worden voorgelegd als stuk.
  11. Verzoekende partij heeft op afdoende wijze de schending van artikel 63/4 van de Vreemdelingenwet aangetoond.”; 2.1.
  12. Overwegende dat, wat de betekening van de bestreden beslissing betreft, een eventueel gebrek in de betekening geen invloed heeft op het rechtmatig karakter van de genomen beslissing zelf; dat de bestreden beslissing ook niet met enige nietigheid is behept doordat zij aan een “verkeerd adres” zou zijn verzonden; dat verzoekers kritiek op de wijze van betekening derhalve niet tot de nietigheid van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat in verband met de betekening van de oproepingsbrief dient te worden aangestipt dat verzoekers bewering als zou hij steeds zijn woonplaatskeuze hebben behouden op het adres te Tielt niet strookt met de gegevens van het administratief dossier; dat uit de stukken van het administratief dossier immers blijkt dat verzoeker per aangetekend schrijven van 7 mei 2004 woonplaatskeuze heeft gedaan te Tielt; dat de Commissaris-generaal dan ook op rechtsgeldige wijze de oproepingsbrief heeft betekend aan deze laatst gekozen woonplaats; dat, nu uit de niet-betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker binnen een maand na de verzending van de oproepingsbrief hieraan zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven, op goede gronden toepassing kon worden gemaakt van artikel 52, § 2, 4/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en op goede gronden werd besloten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “Tweede middel
  14. Schending van het principe ‘Audi et alteram partem’. Schending van de zorgvuldigheidsplicht.
  15. Schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals verankerd in artikel 10 en 11 van de Grondwet. Verzoekende partij werd niet gehoord door het Commissariaat-generaal. Er werd verzoekende partij geen vragenlijst toegestuurd waarin hij zijn dringend beroep op enigerlei wijze kon toelichten. Verzoekende partij maakte dus een dringend beroep aanhangig. Volgens het algemeen Rechtsbeginsel ‘Audi et alteram partem’ diende verzoekende partij in de mogelijkheid gesteld te worden om op een nuttige wijze zijn standpunt naar voor te brengen - quod non - (OPDEBEEK, I., ‘Het recht van verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen’, in Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer, 1993,

(51)59-60.). Zoals reeds in onderhavig verzoekschrift werd uiteengezet, werd niet enkel de beslissing d.d. 22/06/2004 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen waarbij de weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten bevestigd werd, verstuurd naar het verkeerde adres eveneens werd de oproeping gehoor in het kader van het dringend beroep naar het verkeerde adres verstuurd. VII-33.386-4/6 Verzoekende partij mocht evenmin de oproeping gehoor in het kader van het dringend beroep ontvangen. Dit werd eveneens gesignaleerd aan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij wege van fax d.d. 05/07/2004 en bij wege van fax d.d. 06/07/2004 van de raadsman van verzoekende partij maar het Commissariaat-generaal besliste niet over te gaan tot heropening van het dossier van verzoekende partij.
  1. Het is immers klaar dat de Commissaris-generaal ter zake geen gebonden bevoegdheid heeft, doch veeleer een discretionaire bevoegdheid. Dientengevolge diende verzoekende partij op één of andere manier in staat te zijn zijn standpunt uiteen te zetten en de feitelijke omstandigheden toe te lichten. Het is immers klaar dat de beslissing die door de Commissaris-generaal werd genomen een ernstige maatregel is die verzoekende partij zwaar treft in zijn belangen. Verzoekende partij moest dus zondermeer gehoord worden. Het is immers klaar dat het al dan niet toekennen van het statuut voor vluchteling voor verzoekende partij een kwestie van leven of dood kan zijn. Waar precies de lotgevallen van verzoekende partij van determinerend belang zijn om te beslissen - a fortiori waar de eindbeslissing geacht wordt een declaratieve beslissing te zijn - kan er niet beslist worden zonder dat deze gebeurtenissen door verzoekende partij zelf zo goed mogelijk zijn uiteengezet t.a.v. de DIENST die beslist.
  2. De Commissaris-generaal heeft dan ook volledig ten onrechte beslist om het dossier van verzoekende partij niet te heropenen en verzoekende partij niet te horen. Het is immers klaar dat het asielrecht ten aanzien van elk individu apart dient onderzocht te worden. Een eventuele algemeen beschikbare informatie kan uiteraard niet volstaan. Ter zake kan verwezen worden naar de zaak M. N. In deze zaak werd onder meer gewezen: “overwegende dat appellant niet moet bewijzen “dat zijn toestand afwijkt van zijn landgenoten die eveneens te lijden hebben onder de gevolgen van de burgeroorlog” zoals vermeld in de bestreden beslissing, dat de burgeroorlogsituatie op zich de toepassing van de Conventie van Genève niet uitsluit, maar dat in elk individueel geval de vrees voor vervolging om een van de in het Verdrag vermelde gronden moet onderzocht worden.” ( R.v.St., nr. 43.082, 26 mei 1993, Revue du droit des étrangers, 1993, 336.). Er kan impliciet dus niet worden uitgegaan van enige stelling als zou ‘een aanvrager uit Bulgarije van zigeuner-afkomst toch onwaarheid verkopen zodat hij niet moet worden gehoord’. Dergelijke stelling zou het zorgvuldigheidsbeginsel schenden maar ook het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 en 11 Grondwet). Nu er noch wettelijk noch verdragsrechtelijk is voorzien in een “veilige landen clausule”, noch in een “Bulgarije-exceptie”, schenkt de weigering de hoorplicht te respecteren bij de behandeling van aan aanvraag van een Bulgaar artikel 10 en 11 Grondwet. De Commissaris-generaal moest dus in casu nagaan of het dringend beroep gegrond was en moest het dossier van verzoekende partij heropend hebben en verzoekende partij horen zodat hij zich omtrent alle feitelijke gegevens een beeld kon vormen.
  3. De Commissaris-generaal wordt uitdrukkelijk gesommeerd de interne nota's met richtlijnen welk dossier er al dan niet wordt heropend en wie er al dan niet wordt gehoord toe te voegen aan het administratief dossier.”; 2.2.
  4. Overwegende dat reeds uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden toepassing kon maken van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet en bijgevolg op goede gronden kon besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat, in zoverre verzoeker zijn middel richt tegen de mededeling van de Commissaris-generaal dat niet kan worden overgegaan tot de heropening van het dossier, dient te worden aangestipt dat deze mededeling geen voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is zoals bedoeld bij artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; dat het tweede middel voor zover het enkel tegen deze mededeling is gericht, niet ontvankelijk is; VII-33.386-5/6
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.386-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.