Obsah (5)
§1§3§4§5§6id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:
bevat de eigenlijke bescher- mingsmaatregelen.
- In uitvoering van de Habitatrichtlijn werd Fort III te Borsbeek/Mortsel in zijn totaliteit door de Vlaamse regering reeds bij besluit van 24 mei 2002 vastgesteld als speciale beschermingszone, meer bepaald als onderdeel van de “Historische fortengordels van Antwerpen als vleermuizenhabitats” (code BE2100045). (...) Bij beschikking van de Europese commissie dd. 7 december 2004 is dit bevestigd (...). Daarbij staat vast dat de bescherming van Fort III als speciale beschermings- zone definitief is, alleen al gelet op artikel 36 bis §12 Natuurbehoudsdecreet dat uitdrukkelijk vermeldt: VII-33.679-7/16 ‘De gebieden bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4 lid 1 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones worden geacht definitief te zijn vastgesteld, in de zin van § 6.’ (...) Dit wordt blijkbaar ook niet betwist door het Vlaams Gewest, nu de terzake bevoegde minister in zijn brief van 28 februari 2005 (stuk 111.19) zelf aangeeft: ‘Wij noteren dat de door de Rechtbank opgelegde maatregelen onderworpen zijn aan de nodige vergunningen in het kader van het bosdecreet en in het kader van het natuurdecreet. Afdeling Natuur verwijst dus naar artikel 36ter van het decreet betreffende het natuurbehoud waarin staat dat ... (...). Deze afweging is vereist. Gelet op de inhoud van het vonnis heb ik aan de administratie bevoegd voor de regionale luchthavens opdracht gegeven zo ‘n passende beoordeling op te maken.’ Het Vlaams Gewest kan dus niet ontkennen dat Fort III te beschouwen is als definitief vastgestelde speciale beschermingszone in de zin van de Habitatricht- lijn en afdeling 3 bis Natuurbehoudsdecreet.
- Op grond van
§1
Natuurbehoudsdecreet is nochtans elke administratieve overheid voortaan verplicht de nodige instandhoudingsmaatre- gelen te nemen alsook alle nodige beschermingsmaatregelen om elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats alsook elke betekenisvolle verstoring van een ‘soort’ in de speciale bescher- mingszone te vermijden. Het staat vast dat het Vlaamse Gewest te beschouwen is als ‘administratieve overheid’, te meer gelet op de definitie van dit begrip in artikel 2, 22/ Natuurbehoudsdecreet: ‘het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest. ‘ Het is derhalve duidelijk dat de bestreden beslissing, die aanzienlijke kappingen mogelijk maakt in de speciale zone, volledig in strijd is met voornoemde verplichting in hoofde van het Vlaams Gewest, aangezien de kapmachtiging precies van die aard is om een verslechtering en/of verstoring te veroorzaken. 5. Daarnaast gelden ingevolge de definitieve vaststelling als speciale beschermingszone diverse ‘beschermingsmechanismen’, onder meer in toepassing van het Natuurbehoudsdecreet. Artikel 36 bis § 15 Natuurbehoudsdecreet bepaalt immers: ‘Zodra een gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12 wordt het voor toepassing van de artikelen 13 § 4, 34, 36, 36ter §§ 3 tot 6, 47 en 48 van dit decreet beschouwd als speciale beschermingszone.’ 6. Bovendien geldt voor zulke beschermingszones op basis van
§3
Natuurbehoudsdecreet de zogenaamde verplichte natuurtoets: ‘een vergunningsplichtige activiteit, een plan of een programma dat een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een VII-33.679-8/16 passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone.’ 6.1. Er kan geen twijfel over bestaan dat de aanvraag van VLM een‘vergunningsplichtige activiteit’ betreft. Dit begrip wordt in artikel 2, 46/ Natuurbehoudsdecreet immers als volgt gedefinieerd: ‘Een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is’. Minstens staat vast dat de bewuste activiteit een machtiging vereist, nu VLM deze zelf heeft aangevraagd en ook het Vlaams Gewest hierop is ingegaan in toepassing van artikel 50 Bosdecreet. 6.2. Er kan evenmin twijfel over bestaan dat de gevraagde machtiging ‘een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze speciale beschermingszone kan veroorzaken. Dit begrip wordt in artikel 2, 30/ Natuurbehoudsdecreet immers als volgt gedefinieerd: ‘een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermings- zone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone.’ In casu heeft VLM, zoals blijkt uit de brief van haar raadslieden van 9 maart 2005 een machtiging aangevraagd ‘tot uitvoering van de kap- en snoeiwerken zoals omschreven in deze beschikking’. Met ‘deze beschikking’ wordt bedoeld hoger geciteerde beschikking van de kortgedingrechter Aan de hand van plaatsbeschrijvingen door de landmeter van het Vlaams Gewest is gebleken dat de ‘snoei- en kapwerken’ zoals bevolen door de kortgedingrechter de facto een kaalslag betekenen van Fort III, aangezien op zeer vele plaatsen de bomen dienen te worden gekapt tot 1 meter boven de grondoppervlakte. Het spreekt voor zich dat dergelijke kapwerken meetbare en aantoonbare gevolgen hebben voor de vleermuizenhabitat van de betreffende speciale beschermingszone. 6.3. Het kan dus niet worden betwist dat het voorwerp van de aanvraag van VLM beantwoordt aan hoger genoemde definitie uit artikel 36ter §3 Natuurbehouds- decreet en dus moet worden onderworpen aan een ‘passende beoordeling’. Om deze reden schrijft de bevoegde administratie reeds op 9 februari 2005 (...) aan de milieuambtenaar van verzoekster: ‘Was de rechter op de hoogte dat het fort als Habitatrichtlijngebied voor vleermuizen is weerhouden, en dat er in dat geval een passende beoordeling vereist is ?’ Ook de bevoegde minister geeft in zijn brief van 28 februari 2005 (...) toe dat de door de kortgedingrechter bevolen maatregelen onderworpen zijn aan vergunningen en een passende beoordeling in het kader van het bosdecreet respectievelijk van het natuurbehoudsdecreet en dat bijgevolg ook een passende beoordeling vereist is. Een en ander impliceert dat het Vlaams Gewest toegeeft dat het voorwerp van de aanvraag valt onder het toepassingsgebied van artikel 36ter §3 Natuurbehoudsdecreet en derhalve een passende beoordeling noodzakelijk is. 7. VII-33.679-9/16 De passende beoordeling moet bovendien, aldus woordelijk
§3
derde lid Natuurbehoudsdecreet, worden opgemaakt door de initiatiefnemer: ‘De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling’ Gelet op het feit dat het gaat om een aanvraag van VLM dient deze laatste de passende beoordeling op te stellen en bij te voegen bij haar aanvraag. Uit de aanvraag blijkt dat enkel de beschikking van de kortgedingrechter is bijgevoegd en geenszins een passende beoordeling. Ook uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat dergelijke passende beoorde- ling niet bestond bij het nemen van de beslissing. 8. Indien deze passende beoordeling zou voorliggen, dient bovendien de Afdeling Natuur hierover een advies op te stellen: Hierover zegt ook het Natuurbehoudsdecreet, met name
§3
, voorlaatste alinea: ‘Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieu-effect rapportage overeenk- omst de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, vraag de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. ‘ Dit advies van de Afdeling Natuur(behoud) werd blijkens de bestreden beslissing niet afgewacht. 9. In casu werd het Vlaams Gewest, met name de afdeling Bos en Groen, uitdrukkelijk door VLM gevraagd om activiteiten goed te keuren die een ‘betekenisvolle aantasting’ konden inhouden. Nochtans kan de overheid in principe geen ‘betekenisvolle aantasting’ goedkeuren, behoudens onder bepaalde stringente voorwaarden: Zo bepaalt
§4
Natuurbehoudsdecreet: ‘De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.’
§5
vervolgt: ‘In afwijking op de bepalingen van §4 kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat (...) een betekenis volle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goed gekeurd worden
- a)nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en
- b)omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang...’ 10.
§5
vervolgt: ‘De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1/ de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en zones bewaard blijft; VII-33.679-10/16 2/ de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld.’ De bestreden beslissing vermeldt weliswaar: ‘Waar de bosbedekking onvolledig blijft dient men te herbebossen in het op de kap eerstvolgend plantseizoen, met inheemse struiken, en in een plantverband dat niet wijder is dan 2 m x 2 m. Het herbebossingsplan (soorten en spreiding over het terrein) moet voorgelegd worden aan en goedgekeurd worden door het Bosbeheer vooraleer de beplanting aan te vatten.’ Op geen enkele wijze kan deze vermelding in de bestreden beslissing worden beschouwd als de noodzakelijke compenserende maatregelen uit artikel 36ter §5 Natuurbehoudsdecreet : deze dienen niet alleen voorafgaande- lijk aan de bestreden beslissing genomen te zijn, ze moeten ook van die aard zijn dat een evenwaardige habitat wordt ontwikkeld. 11.
§6
verplicht de overheid tot een zorgvuldige afweging en uitdrukkelijke motivering ‘De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedge- keurde milieu-effectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten.(...) Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningsverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld. ‘ De motivering en het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing bevatten geen enkel element waaruit blijkt de betreffende overwegingen ingevolge §4, 5 en 6 van artikel 36ter Natuurbehoudsdecreet werden gemaakt. Blijkens de bestreden beslissing is de enige motivering: ‘Reden van de kapping : snoei- en kapwerken in het kader van een veiligheidsrisico met betrekking tot de uitbating van de luchthaven, voorgaande ingevolge de beschikking in kort geding van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 1 februari 2005' Het Natuurbehoudsdecreet voorziet uiteraard nergens een uitzondering voor ‘kappingen’ die zouden voortvloeien uit een rechterlijke beslissing (waartegen dan nog hoger beroep hangt), te meer daar deze rechterlijke beslissing op geen enkele manier de natuurtoets zoals verplicht door het Natuurbehoudsdecreet maakt. 12. Conclusie in verband met de Habitatreglementering en het Natuurbehouds- decreet moet dan ook zijn dat deze bepalingen manifest geschonden zijn door de bestreden beslissing. Het is duidelijk dat de bestreden beslissing volledig in strijd is met de positieve verplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest tot het nemen van instandhoudings- en beschermingsmaatregelen in de betreffende beschermings- zone op grond van artikel 36bis Natuurbehoudsdecreet. Er is evenmin betwisting mogelijk dat de machtigingsaanvraag onder het toepassingsgebied van
Natuurbehoudsdecreet valt. Volgens dit artikel dienen de bestuursinstanties die dergelijke machtigingen verlenen de opdracht ‘verder te kijken dan hun eigen wetgeving en ook rekening te houden met de natuurbelangen’ (G. VAN HOORICK, “Natuurbe- VII-33.679-11/16 schermingsrecht. Recente wetgeving en rechtspraak ingevolge de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn”, N.J.W., 2003,
(1318), 1322- stuk V.5) Of zoals dezelfde auteur nog schrijft (“De implementatie van ‘Natura 2000’ in het Vlaamse Gewest”, T.M.R. 2003,
(204), 211 - stuk V.5): ‘Al bij al kan men hier dus spreken van een vrij omvattende natuurtoets die verplicht is bij heel wat activiteiten, plannen en programma’s die hun oorsprong vinden en (voor het overige) beheerst worden door andere wetgevingen. Dit is echter juist één van de innoverende instrumenten in het milieurecht, zoals er wellicht nog zullen volgen en nodig zijn. Sectorale beoordelingskaders voor overheidsbeslissingen moeten immers kunnen doorbroken worden, derwijze dat de milieubescherming daadwerkelijk wordt geïntegreerd in het denken en handelen van ieder bestuur, op basis van welke wetgeving ook. ‘ Het is duidelijk dat de woudmeester dit in casu manifest niet gedaan heeft: er was geen passende beoordeling en er was geen advies van de Administratie Natuur.”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota onder de hoofding “Over de uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN)’ zelf stelt wat volgt: “In haar brief aan de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening van 16 februari 2005 beschrijft de verzoekende partij dat het Natuurbehouddecreet in speciale beschermingsgebieden, waaronder het EU-Habitatrichtlijn-gebied, een natuurvergunningsplicht instelt voor wijziging van de vegetatie en van kleine landschapselementen. Fort II ligt als Vleermuizenhabitat volgens art. I, 38e van het B. Vl. Reg. van 14 mei 2002 binnen de perimeter van een zgn. Habitatrichtlijngebied. Artikel 36ter § 3 e.v. Natuurbehouddecreet moet bijgevolg worden toegepast, wat betekent dat naast de natuurvergunning wegens wijziging van de vegetatie -waarvan de uitvoering van de in kort geding bevolen maatregel afhankelijk lijkt te zijn- ook een zgn. passende beoordeling moet worden gemaakt, om na te gaan of de handelingen waarvoor een vergunning wordt gevraagd geen betekenisvolle negatieve en vermijdbare effecten voor de beschermingszone heeft. Alhoewel de zgn. passende beoordeling de zorg is van diegene die de natuurvergunning vraagt , heeft de APL er al voor gezorgd. Op 15 maart 2005 heeft het Instituut voor Natuurbehoud een advies gegeven (...). Maar tot op vandaag lijken de verzoekende partij noch de VLM een natuurvergunning te hebben aangevraagd. Dit betekent dat de door de voorzitter in kort geding bevolen maatregelen niet kunnen worden uitgevoerd, zelfs al zou de bestreden beslissing worden geschorst. In die zin is er geen geldig UDN”; 3.2.
- Overwegende dat , zoals de verwerende partij in haar nota zelf stelt, de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, zetelend in kort geding, geen vrijstelling inhoudt voor het vragen van de vergunningen die voor het uitvoeren van de bevolen werken noodzakelijk zijn; dat, in acht genomen het gegeven dat uit de neergelegde stukken blijkt dat oude hoogstammige bomen tot onder de kruin worden gekapt, de verwerende partij prima facie dan ook kan worden gevolgd in haar stellingname dat in casu een natuurver- VII-33.679-12/16 gunning wegens wijziging van de vegetatie noodzakelijk is en dat de in artikel 36ter, § 3, van het zogenaamde natuurbehoudsdecreet passende beoordeling dient te worden opgesteld; dat evenwel niet blijkt dat de n.v. VLM Airlines de passende beoordeling bij haar aanvraag tot kapmachtiging heeft gevoegd; dat bovendien die passende beoordeling, zoals de verzoekende partij prima facie terecht stelt, diende vergezeld te zijn van het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbe- houd; dat het advies van het Instituut voor Natuurbehoud verleend op 15 maart 2005, waarvan de verwerende partij gewag maakt, niet in aanmerking kan worden genomen, nu dat advies werd uitgebracht nadat de bestreden kapmachtiging werd verleend en die machtiging bovendien niet de “mittegerende en compenserende maatregelen” bevat, die in evengenoemd advies werden voorgesteld; dat het middel in de besproken mate ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoekende partij doet gelden wat volgt: “Verzoekster toont hierbij aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Immers, de bestreden beslissing verleent de N.V. VLM AIRLINES de machtiging om conform de beschikking van 1 februari 2005 ‘in de percelen hierboven vermeld (bedoeld worden: terrein binnen de coördinaten omschre- ven in de beschikking in kort geding van 1 februari 2005). een schaarhoutkap uit te voeren.’ Deze schaarhoutkap zal plaatsvinden over een bosbestand van 7 ha en 56 are. Dit betekent dat binnen het domein ‘Fort III’, eigendom van verzoekster, een ware kaalslag wordt georganiseerd. Immers, de markeringen die ter plaatse gebeurden door daartoe blijkbaar bevoegde ambtenaren zijn conform de coördinaten die geëist werden door de N.V. VLM AIRLINES en in uitvoering van de beschikking van 1 februari
- Zoals uit de diverse fotoreportages genoegzaam blijkt zullen talloze bomen nog slechts een stronk zijn. Het spreekt voor zich dat de kaalslag over die enorme oppervlakte een ernstig nadeel uitmaakt voor de eigenaar, in casu verzoekster, en dat dit nadeel moeilijk te herstellen valt. Gekapte bomen blijven gekapte bomen. Vijftig jaar oude bomen die tot stronk herleid zijn, zullen sterven. ‘Herbebossing’ door middel van struiken en laagstammige inheemse bomen betekent de facto een bestemmingswijziging en de totstandkoming van een ander — minderwaardig —bos. Zelfs een echte eventuele herbebossing doet geen afbreuk aan het moeilijk herstelbaar karakter van het nadeel dat verzoekster dreigt te lijden als gevolg van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Immers, het zal ongetwijfeld tientallen jaren duren vooraleer de situatie op het terrein van Fort III zich zal hersteld hebben tot de toestand vlak voor de gevreesde kaalslag. Fort III is stedenbouwkundig gelegen in een recreatiegebied (Gewestplan Antwerpen). Het is een openbaar bos, waarvan gretig gebruik wordt gemaakt door wandelaars, fietsers. Diverse verenigingen komen er samen. Het is de enige groene long van de gemeente en maakt derhalve een unieke waarde uit binnen de gemeente Borsbeek. VII-33.679-13/16 Evenwel treedt de gemeente Borsbeek hier op als eigenaar, en als eigenaar lijdt verzoekster dan ook een onherstelbaar nadeel wanneer ook de natuurwaar- de van haar eigendom aangetast wordt, aangezien dit een essentieel bestand- deel uitmaakt. De natuurwaarde van Fort III is officieel bevestigd en be- schermd door middel van de erkenning van het gebied als Habitatrichtijng- ebied. Het ontnemen van deze natuurwaarde door tot kapping over te gaan van het bosbe- stand leidt er onherroepelijk toe dat de vraag zal komen of het domein nog wel de bescherming verdient die het nu heeft. Zowel de ecologische als de recreatieve functies die dit gebied thans vervult, zullen door de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing zeer duidelijk verloren gaan. Voor zoveel als nodig, wijst verzoekster erop dat ook de ernst van de door haar aangevoerde middelen mee in rekening moet worden gebracht bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekster verwijst daarvoor uitdrukkelijk naar het arrest van Uw Raad nr. 85.427 d.d. 21 februari 2000, waarin terecht werd gesteld: ‘dat, immers, eensdeels hoe ernstiger de door de verzoekende partij aangevoerde middelen, hoe groter de kans op een uiteindelijke vernietiging van de bestreden beslissing, en hoe moeilijker te verantwoorden de verzoekende partij het door haar beschreven nadeel — mits het minimaal aan de vereisten van ernst en moeilijke herstelbaarheid voldoet — te laten ondergaan in afwachting van de uitspraak over de grond van de zaak; dat anderdeels hoe zwaarwichtiger de onrechtmatigheid die in het ernstig bevonden middel wordt aangeklaagd, hoe harder die geacht kan worden aan te komen voor de verzoekende partij’. Hierboven toonde verzoekster reeds genoegzaam aan dat de thans bestreden beslissing prima facie, zelfs na summier onderzoek, onwettig blijkt. Verder wijst verzoekster erop dat de vernietiging van de bestreden beslissing alleen, zonder voorafgaande schorsing, niet volstaan om haar een genoegzaam herstel van het door de bestreden beslissing teweeggebrachte nadeel te waarborgen. Immers, vernietiging kan maar verwacht worden over een termijn van ongeveer acht à tien jaar. Verzoekster wijst erop dat een dergelijke procedure dan enkel aanleiding zou kunnen geven tot een herstel bij equivalent, daar waar verzoekster precies het herstel in natura voorstaat, namelijk het behoud van het bos op haar terreinen bij Fort III. Het door verzoekster te ondergane nadeel is dus wel degelijk zeer ernstig, evenals moeilijk te herstellen. 3.3.
- Overwegende dat dit betoog, gesteund door de overgelegde fotoreportages, overtuigt;
- Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit kan worden bevolen; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota vraagt om de tenuitvoerlegging van de bestreden machtiging niet te schorsen, gelet op het belang VII-33.679-14/16 van de veiligheid van de luchtvaart dat dient te primeren op “het belang van een specifieke vorm van begroeiing, bos en natuur in het naderingsvlak van een internationale luchthaven”; 5.
- Overwegende, vooreerst, dat wordt vastgesteld dat de n.v. VLM Airlines, begunstigde van de bestreden kapmachtiging, het niet nodig heeft geacht om in het administratief kort geding tussen te komen ter vrijwaring van haar belangen; dat het betrokken bomenbestand reeds sedert jaren een feit is; dat de verwerende partij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat het veiligheidspro- bleem op zeer korte tijd dermate acuut is geworden, dat wettelijk voorgeschreven procedures niet moeten worden gevolgd; dat, integendeel, zij zelf toegeeft dat in casu de n.v. VLM Airlines een natuurvergunning had moeten aanvragen en dat zij een passende beoordeling had moeten voegen bij haar machtigingsaanvraag; dat in alle redelijkheid moet worden aangenomen dat de vereiste procedures binnen een zeer korte tijdspanne kunnen worden gevoerd en afgehandeld; dat, die overwegingen in acht genomen, alsmede het moeilijk herstelbare karakter van het nadeel, niet wordt ingegaan op de vraag om op grond van belangenafweging de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissing niet te schorsen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de op 11 maart 2005 door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Bos en Groen verleende ‘Kapmachtiging Openbaar Bos’, toegekend aan de n.v. V.L.M. AIRLINES voor een schaarhoutkap op het terrein van Fort III over een oppervlakte van 7ha en 36are. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-33.679-15/16 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-33.679-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.418 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div