id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.424 Rolnummer: A. 132305/XIV-13627 Zaak: Arrest 142424 - - 22/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 09:14 Fiche Arrest nr 142.424 van 22 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.424 van 22 maart 2005 in de zaak A. 132.305/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. DAENENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 326 bus 6 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 februari 1965 en van Iraanse nationaliteit, op 24 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.267-1/8 Gelet op de beschikking van 26 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. DAENENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 1 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 4 september
- 1.
- Op 22 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Karaj, verklaart op het Commissariaat-generaal Iran te hebben verlaten omwille van onderstaande redenen. In het jaar 1376 (Perzische kalender; komt overeen met 1997/1998 Gregoriaanse kalender) werd u gearresteerd door de politie omdat er een immorele video in uw winkel werd gevonden. XIV-13.267-2/8 De volgende dag werd u vrijgelaten na het ondertekenen van een engagement u hier niet meer mee in te laten. Op 20/05/1379 (10 augustus 2000) vertrokken uw vrouw, XXX en uw zoon, in de loop van de namiddag, naar uw schoonouders in Teheran. U organiseerde diezelfde avond een feestje bij u thuis. Tijdens het feestje werd er alcohol geconsumeerd en werd er kritiek geuit op en gespot met het Iraanse regime en zijn opperste leiders. De uitspraken werden door één van de aanwezigen op camera vastgelegd. In de loop van de avond verliet u uw woning om nog wat fruit te kopen. Bij uw terugkeer merkte u dat er een patrouillewagen van de Niru-yé Entezami (reguliere politie) voor uw deur stond. U verborg zich en zag dat uw vrienden door de politie werden meegenomen. Eén agent bleef echter ter plaatse achter waardoor u besliste naar uw tante XXX te gaan. U bracht uw tante op de hoogte van wat die avond gebeurd was. U liet uw vrouw eveneens weten dat zij voorlopig bij haar ouders in Teheran moest blijven. Op 21/05/1379 (11 augustus 2000) nam u contact op met uw vader en vroeg hem informatie in te winnen bij uw buren. Via uw huisbaas vernam uw vader dat de politie die nacht nog een tweede keer bij u was langs geweest en dat er, onder andere, een camera en flessen alcohol in beslag waren genomen. Vervolgens begaf uw vader zich naar het politiekantoor waar hij vernam dat uw vrienden diezelfde ochtend en de volgende dag voor de rechtbank moesten verschijnen. Uw vrienden werden naar de gevangenis van Karaj gebracht en sindsdien heeft u niets meer over hen vernomen. Via een derde die werkzaam was op de rechtbank van Karaj, vernam uw vader dat u beschuldigd werd van het beledigen en bekritiseren van het Iraanse regime en haar leiders. Op 30/05/1379 (20 augustus 2000) nam uw vader een sommatie voor u in ontvangst. Op 31/05/1379 (21 augustus 2000) vervoegden uw vrouw en zoon u bij uw tante in Karaj. U bracht haar die dag op de hoogte van hetgeen er zich had voorgedaan en van het feit dat jullie het land dienden te verlaten. Op 03/06/1379 (24 augustus 2000) verliet u uw land in het gezelschap van uw vrouw en uw zoon. Op 1 september 2000 bent u in België aangekomen waar u op 4 september 2000 asiel hebt aangevraagd. Ter staving van uw verklaringen door de Iraanse autoriteiten te worden gezocht omwille van het organiseren van een feestje waarop er beledigingen werden geuit ten aanzien van de Islam en het Iraanse regime, legt u enkele documenten voor. Het gaat in casu om een sommatie, een aankondiging en een vonnis. Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat deze documenten niet voldoen aan de formele vereisten en bijgevolg vals zijn. Hierdoor wordt de geloofwaardig- heid van uw beweerde vrees voor uw leven of vrijheid op fundamentele wijze aangetast. Bovendien dient te worden opgemerkt dat, zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, quod non, de door u ingeroepen problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U vreest vervolging omwille van het feit dat u en uw vrienden tijdens uw feestje het Islamitisch regime hebben beledigd en bekritiseerd. In dit verband dient te worden vastgesteld dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat belediging van de Islam en haar leiders in de praktijk gestraft wordt met een geldboete of zweepslagen, ook al zijn deze feiten volgens artikel 514 van het Strafwetboek strafbaar met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar. Bovendien blijkt dat alleen in uitzonderlijke gevallen een vervolging (wordt) ingesteld daar zulke zaken geen prioriteit vormen voor de autoriteiten; en dan nog is het hoogst uitzonderlijk dat de hoogste straffen worden uitgesproken. Blijkt dat in hoofdzaak enkel journalisten zijn gekend in verband met een veroordeling betreffende het beledigen van de Islam. Informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt voegt eraan toe dat in Iran door haast iedereen over politiek wordt gesproken, en dat daarbij vaak openlijk kritiek wordt gegeven op leiders en regime. Indien dit steeds strafbaar zou moeten zijn, zouden bijna alle Iraniërs opgepakt en veroordeeld moeten worden. Bovendien dient opgemerkt dat er geen sprake is van een systematische, daadwerkelijke vervolging uwentwege. U verklaart expliciet geen lid te zijn van een politieke partij en evenmin politieke activiteiten tegen het regime te hebben gehad (zie gehoor CGVS p. 6). Niets wijst op problemen met uw overheid waardoor uw leven of vrijheid in gevaar zouden zijn. Omtrent uw enige confrontatie met de autoriteiten -één dag detentie in het jaar 1376 (1997/1998)- verklaart u expliciet dat dit niet de reden voor uw vertrek uit Iran was (zie gehoor CGVS p. 7), zodat ook hieruit geen aanwijzing van een daadwerkelijke, systematische vervolging vanwege uw autoriteiten blijkt. Wat betreft uw vrees voor vervolging omwille van de aanwezigheid van alcohol in uw huis, dient te worden vastgesteld dat dit een feit van gemeenrechtelijke aard is. Dit argument bevat immers geen enkele politieke, religieuze, raciale, sociale of staatsburgerlijke connotatie en ressorteert bijgevolg niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (identiteitsdocument van u en van uw zoon, rijbewijs, militaire dienstkaart, formulier betreffende uw keuzevakken XIV-13.267-3/8 aan de universiteit, sommatie, aankondiging, vonnis, Iraans spotgedicht, identiteitsboekje van uw vader en twee documenten betreffende zijn overlijden, uittreksel uit de Iraanse strafwet en zijn vertaling) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Deze documenten leveren enkel het bewijs van uw identiteit en deze van uw zoon, uw genoten onderwijs, uw legerdienst en het overlijden van uw vader, zaken die hier niet ter discussie staan. De sommatie, de aankondiging en het vonnis worden omwille van bovenstaande argumentatie waarin op de bedrieglijkheid van uw asielrelaas wordt gewezen, niet meer in overweging genomen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. (...).”.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van “artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, (A), 2, van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951.”; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het eerste middel de motieven weergeeft waarop de bestreden beslissing steunt; dat dit onderdeel geen middel inhoudt en bijgevolg onontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijk- heid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens in een tweede onderdeel de tekst van artikel 52 van de Vreemdelingenwet aanhaalt en de tekst van artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat in de toelichting bij het eerste middel de verzoekende partij ingaat op de bedrieglijkheid van de asielaanvraag, die de bestreden beslissing weerhoudt; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris- XIV-13.267-4/8 generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij heeft besloten omdat uit de gegevens waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de documenten die de verzoekende partij voorlegt, met name een sommatie, een aankondi- ging en een vonnis, niet aan de formele vereisten voldoen en bijgevolg vals zijn; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat de door de verzoekende partij ingeroepen problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat het eerste motief, waarop de bestreden beslissing steunt, gebaseerd is op de verklaring van de verzoekende partij waaruit zou blijken dat de Iraanse autoriteiten de verzoekende partij zoeken omdat zij een feestje organiseerde tijdens hetwelk beledigingen zijn geuit ten overstaan van de Islam en van het Iraanse regime; dat om dit te staven de verzoekende partij een sommatie neerlegt gedateerd op 21 augustus 2000, een aankondiging gedateerd op 27 augustus 2000 en een vonnis van 21 september 2000; dat de bestreden beslissing overweegt dat: “uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat deze documenten niet voldoen aan de formele vereisten en bijgevolg vals zijn”; dat de bestreden beslissing daaruit afleidt dat “hierdoor de geloofwaardigheid van uw beweerde vrees voor uw leven of vrijheid op fundamentele wijze wordt aangetast.”; Overwegende dat het in casu niet toekomt aan de Raad van State, in het kader van het wettigheidsonderzoek, om de echtheid van voornoemde stukken en documenten te onderzoeken; dat de Raad enkel vaststelt dat de argumentatie van het Commissariaat-generaal in dit verband steun vindt in de informatie die het Commissariaat- generaal heeft verzameld en die aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat een eigenlijk onderzoek naar de echtheid van voornoemde stukken overbodig is, omdat de bestreden beslissing op goede gronden overweegt dat de problemen van de verzoekende partij “onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.”; dat dit onderdeel in de bestreden beslissing omstandig wordt uitgewerkt en gemotiveerd; Overwegende dat de ontwikkelingen die de verzoekende partij besteedt aan het ontbreken van bewijskracht van buitenlandse stukken bijgevolg niet kunnen leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het eerste onderdeel van het eerste middel in zijn geheel genomen, ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van “artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève”; XIV-13.267-5/8 Overwegende dat dit onderdeel in essentie algemene beschouwingen inhoudt over het Iraanse regime; dat deze beschouwingen de concrete motivering opgenomen in de bestreden beslissing betreffende het onvoldoende zwaarwichtig karakter van de asielmotieven van de verzoekende partij niet weerleggen; dat hiertoe wordt verwezen naar punt 1.
- van huidig arrest, waar deze motieven worden weergegeven; dat de verzoekende partij vervolgens ingaat op het strafrechtelijk systeem van Iran, waarin de leer van de Islam centraal staat; dat dit systeem blijkbaar gedragen wordt door de meerderheid van de bevolking, zodat dit systeem toepasselijk is op de Iraanse bevolking en de verzoekende partij niet aantoont dat de vervolging waarvan zij eventueel het voorwerp zou kunnen uitmaken bij een verplichte gedwongen terugkeer naar haar land van herkomst, een risico voor haar leven of vrijheid zou meebrengen; dat het niet opgaat om de straffen die werden bepaald door artikelen van het Iraans strafwetboek te vergelijken met de straffen die in het Westen gangbaar zijn; dat de verwijzing door de verzoekende partij naar bepaalde Iraanse persartikelen niet terzake dienend zijn om de ernst van haar asielrelaas te onderbouwen; dat de feiten van het asielrelaas soeverein worden beoordeeld door het Commissariaat-generaal en enkel uitzonderlijk het voorwerp kunnen uitmaken van een annulatieverzoek, wat in casu niet het geval is; Overwegende dat voor het overige wordt verwezen naar de beoordeling opgenomen in de bestreden beslissing, die erop neerkomt dat de problemen die de verzoekende partij inroept “onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.”; dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het tweede middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsplicht; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat de formele motiveringsplicht niet werd geschonden vermits zij de bestreden beslissing in het eerste middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat uit de analyse van het eerste middel en uit de inhoud van de bestreden beslissing blijkt dat zij steunt op pertinente, deugdelijke en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de verzoekende partij in het eerste XIV-13.267-6/8 onderdeel van het tweede middel vooreerst de bestreden beslissing weergeeft, en vervolgens de wetsartikelen opsomt die de motiveringsplicht betreffen, zonder deze artikelen concreet te betrekken op de bestreden beslissing; dat het eerste onderdeel van het tweede middel faalt naar recht; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel van het tweede middel aanvoert dat “de rechten van de verdediging die unaniem erkend zijn, vereisen dat elke overheid met beslissingsmacht haar beslissingen op duidelijke en geschikte wijze motiveert”; Overwegende dat dit onderdeel van het middel niet verder wordt uitgewerkt, zodat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden,
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. XIV-13.267-7/8 De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.267-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.