id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.426 Rolnummer: A. 128425/XIV-12269 Zaak: Arrest 142426 - - 22/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 09:14 Fiche Arrest nr 142.426 van 22 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.426 van 22 maart 2005 in de zaak A. 128.425/XIV-12.
- In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en als vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon T., die woonplaats kiezen bij Advocaat M. VAN VOLCEM, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Koningin Elisabethlaan 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 april 1957, staatloos, en XXX, geboren op 10 mei 1959, van XXX nationaliteit, handelend in eigen naam en als vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon T., geboren op 2 augustus 1988 en van XXX nationaliteit, op 4 oktober 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 mei 2002 tot uitsluiting van XXX van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, de drie beslissingen aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 4 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en; Gezien de nota van de verwerende partij; XIV-12.269-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 januari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN VOLCEM, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX dient op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de artikelen 2,1/, 2,2,/ en 2,4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). De aanvraag van XXX heeft tevens betrekking op zijn echtgenote XXX en zijn kinderen I. (geboren op 28 december 1981) en T. (geboren op 2 augustus 1988). Op 27 januari 2000 dient XXX eveneens een regularisatieaanvraag in, op basis van de artikelen 2, 1/, en 2, 4/, van de Regularisatiewet. Deze aanvraag gold tevens voor haar echtgenoot XXX en hun twee kinderen. Op dezelfde datum dient I. ook een regularisatieaanvraag in, op basis van de artikelen 2, 1/, en 2, 4/, van de Regularisatiewet, in eigen naam. 1.
- Op 27 november 2000 verleent het secretariaat van de Commissie voor regularisatie een gunstig advies inzake de regularisatieaanvraag van XXX. XIV-12.269-2/10 1.
- Op 22 mei 2002 beslist de Minister van Binnenlandse Zaken om dit gunstig advies te volgen. Op 3 juni 2002 wordt deze beslissing ingetrokken. 1.
- Op 27 mei 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot uitsluiting van verzoeker van de toepassing van de Regularisatiewet. Dit is de eerste bestreden beslissing. “(...) Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op het artikel 8 van het Europe(s)e(s) Verdrag ter Vrijwaring van de Rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 27 januari 2000 door XXX, geboren op 27.04.1957 te T., vaderlandloos, R. van geboorte; Overwegende dat voor deze aanvraag de criteria
(1),
(2)en
(4)werden aangevoerd; Overwegende dat betrokkene zich vluchteling verklaarde op 31.10.1989, hoedanigheid die hem in een bevestigende beslissing op 07.11.1994 werd geweigerd door de Vaste Beroepscom- missie; Overwegende dat hem op 29.12.1994 een bevel werd betekend om het grondgebied te verlaten, uiterlijk op 08.01.1995; Overwegende dat hij op 07.07.1994 een verzoek tot naturalisatie heeft ingediend wat hem op 20.02.1997 werd geweigerd; Overwegende dat hij op 18.07.19996
(1996)een machtiging tot verblijf indiende op basis van artikel 9,3/ van de wet van 15.12.1988
(1980)welke op 02.10.1996 werd verworpen, beslissing hem betekend op 19.11.1996: Overwegende dat hij op 29.04.1997 opnieuw een machtiging tot verblijf indiende op basis van artikel 9,3/ welke hem werd geweigerd op 7.06.1996
(1999), beslissing hem op 15.06.1999 betekend; Overwegende dat hij uit hoofde van diefstal, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, diefstal, het dragen van verboden wapens, valsheid in geschriften en gebruikmaking van deze valsheid
(2)(werd hij) door de Correctionele Rechtbank te Brugge op 27 juni 1991 (werd) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat de zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van betrokkene voortvloeit zodanig is dat zijn familiale en persoonlijke belangen en die van de zijnen in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLIST: XXX, geboren op 27.04.1957 te T., die vaderlandloos zou zijn, maar R. van geboorte, is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en zal kunnen verwijderd worden uit het Rijk. (...).”. 1.
- Op 4 september 2002 werd aan elk van de verzoekende partijen een bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Zowel ten opzichte van XXX als ten opzichte van XXX, steunen deze bevelen op de volgende overwegingen: XIV-12.269-3/10 “(...) Reden van de beslissing: - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: - Betrokkene werd uitgesloten door een Ministeriële beslissing van 27.05.2002 van de wet van 22/12/99 in toepassing van de artikelen 5 en
- (...).”.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt: “(...) - schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van de bestuurshandelingen; - manifeste beoordelingsfout; - schending van het artikel 1A.2 van het verdrag van Genève van 28 juli 1951; - schending van het algemeen beg(i)nsel van behoorlijk bestuur en het proportionaliteitsbe- ginsel; - schending van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in het bijzonder artikel 8; Doordat verweerster, na vermelding van de toepasselijke wet (en verdrag), de feitelijkheden en de antecedenten van de zaak, haar beslissing van 27 mei 2002 baseert op de volgende motivering (eerste aangevochten beslissing): "Overwegende dat hij (verzoeker) uit hoofde van diefstal, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, diefstal, het dragen van verboden wapens, valsheid in geschriften en gebruikmaking van deze valsheid
(2)(werd hij) door de Correctionele Rechtbank te Brugge op 27 juni 1991 (werd) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat de zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van betrtokkene voortvloeit zodanig is dat zijn familiale en persoonlijke belangen en die van de zijnen in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent;"; Dat dus kan vastgesteld worden dat verweerder in zeer algemene bewoordingen stelt dat verzoeker een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid zou betekenen en verder niet verwijst naar de andere elementen van het dossier dat verzoeker en zijn familie hebben samengesteld en voorgelegd ter beoordeling; Dat zoals Uw Raad het herhaaldelijk heeft gesteld in haar (zijn) arresten, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken bij de beoordeling van een regulatisatie-dossier en het nemen van zijn beslissing, de verplichting rekening te houden met alle ingeroepen elementen van de zaak (arrest nr. 91.662 van 18 december 2000, RDE, 2001, nr. 113, p.214 e.v. ; arrest nr. 96.244 van 8 juni 2001, RDE, 2001, n/214, p. 362 e.v.); Een eenvoudige verwijzing naar de veroordeling, die bovendien reeds dateert van 1991, volstaat op zich dan ook niet om geldig zijn beslissing te rechtvaardigen; Noch uit de motivering van de beslissing van verweerder, noch uit het administratief dossier blijkt dat verweerder het gevaar waarvan hij gewag maakt heeft ingeschat en dit heeft afgewogen met de ernst van de aantasting van het familiaal leven die zou volgen uit zijn verwijdering van het grondgebied (arrest nr. 91.662 van 18 december 2000, RDE, 2001, nr. 113, p.214 e.v.); Dat verweerder bij het nemen van zijn beslissing inderdaad geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoeker reeds meer dan tien jaar in België verblijft, samen met zijn echtgenote en hun twee kinderen, waarvan de oudste reeds jaren een echte relatie heeft met een persoon die de Belgische nationaliteit draagt; Dat zijn echtgenote hier werkzaam is en zij beiden de Nederlandse taal machtig zijn; Dat de dochter van verzoeker hier in België bevallen is van een dochter dat (die) erkend werd door haar vaste vriend met wie zij een duurzame relatie heeft en op het punt staan (staat) te huwen; Dat de zoon van verzoeker in België naar school gaat en perfect Nederlandstalig is en zelfs de oorspronkelijke taal van zijn vader niet machtig is; In dezelfde context heeft M. geschreven: XIV-12.269-4/10 "le Ministre ne peut se contenter d'une étude abstraite du passé judiciaire des candidats à la régularisation sans avoir égard aux éléments favorables avancés dans le dossier de demande, il est trop léger d'actionner la clause d'exclusion de l'article 5 au seul motif que le demandeur de régularisation aurait un passé chargé en termes de délinquance (l'arrêt annoté) ou participerait à des trafics de stupéfiants. Le Ministre, à tout le moins lorsque la demande est fondée sur le critère des attaches sociales durables et circonstances humanitaires, doit tenir compte de l'ensemble des éléments présentés par le candidat dans son dossier de demande de régularisation afin d'apprécier non pas une dangerosité abstraite pour l'ordre public mais la ‘dangerosité actuelle’ de la personne concernée »; De Minister verwijst geenszins naar het feit dat verzoeker reeds sinds 1989 in België verblijft samen met zijn echtgenote en zijn twee kinderen waarvan één naar school gaat in België en de (het) tweede sinds enkele jaren samenwoont met een persoon die de Belgische nationaliteit draagt en met wie zij een kind heeft; De beslissing heeft het met geen woord over de integratie, zowel op het vlak (van
- de)school(vlak) als sociaal, zoals dit overvloedig uit het regularisatie-dossier van de familie van verzoekers blijkt; Dat er niet kan aan getwijfeld worden dat de verwijdering van verzoeker dramatische gevolgen zou hebben voor de familie van verzoeker; Dat de manifeste weigering van verweerder om ten aanzien van de familieleden van eerste verzoeker een beslissing te nemen (nemen) omtrent hun aanvraag tot regularisatie het sterkste bewijs is dat verweerder geen rekening houdt met alle elementen van het dossier van verzoekers; Dat hierbij niet mag vergeten worden dat verzoekers één enkele aanvraag voor het gehele gezin hebben ingediend en het dossier als dusdanig ook werd behandeld (één geheel); Dat (enkel) verweerder meent enkel een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van eerste verzoeker en manifest weigert positie in te nemen ten aanzien van de andere verzoekers; Dat verder dient vastgesteld te worden dat, hoewel het dossier voor regularisatie van verzoekers betrekking heeft op het hele gezin, (
- is)de beslissing van 27 mei 2002 van verweerder enkel gericht (
- is)tegen eerste verzoeker (cf. supra) en niet tegen tweede en derde verzoeker, noch (aan) tegen de dochter van eerste en tweede verzoeker Dat het bevel om het grondgebied te verlaten-model B, gericht (aan) (tegen) tweede en derde verzoeker (derde aangevochten beslissing) uitsluitend verwijst naar de beslissing van 27 mei 2002 als motivering van het bevel; Dat de beslissing van 27 mei 2002 geenszins gericht is (aan) (tegen) tweede en derde verzoeker en dus ook niet aan de basis kan liggen van een bevel om het grondgebdie (grondgebied) te verlaten-model B gericht (aan) (tegen) tweede en derde verzoeker; Dat de derde aangevochten beslissing dedrhalve (derhalve) niet op correcte wijze is gemotiveerd daar zij verwijst naar een beslissing die geen betrekking heeft op tweede en derde verzoeker die door de eerstgenoemde beslissing worden geviseerd; Dat er bovendien dient op gewezen te worden dat in de beslising van 27 mei 2002 (eerste aangevochten beslissing) enkel rekening gehouden wordt met die ene veroordeling van eerste verzoeker die dateert van 1991, waarmee tweede en derde verzoeker geen uitstaans hebben. Dat verweerder zijn beslissing, betekend aan tweede en derde verzoeker (derde aangevochten beslissing) bovendien niet kan laten steunen op een strafrechte(r)lijke (en dus persoonlijke) veroordeling van eerste verzoeker om de tweede en derde verzoeker uit te sluiten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 (en); Door zo te handelen (schendt) verweerder het beginsel van proportionaliteit (schendt), door de persoonlijke verantwoordelijkheid van eerste verzoeker te transponeren op de andere leden van de familie; Dat dit bovendien zou betekenen dat verweerder helemaal geen rekening heeft gehouden met de situatie van tweede en derde verzoeker bij het nemen van zijn beslissing van 27.5.2002; Dat dit zou betekenen dat derde verzoeker zou verwijderd worden van het grondgebied van het land waarin hij volledig is opgegroeid en zijn sociale en culturele bindingen heeft gevormd, zijn opleiding volgt en zijn toekomst ligt; Dat het onvaardbaar zou zijn deze laatste te verplichten naar een land te gaan waarmee hij geen enkele binding(
- en)heeft en waarvan hij de taal niet spreekt; Dat dit verder zou betekenen dat vierde verzoeker van haar vaste vriend waarmee zij een kind heeft zou moeten gescheiden worden hetgeen indruist tegen het artikel 8 van het voornoemde verdrag van 4 november 1950, en tot gevolg zou hebben dat zij verder uitgesloten zou worden om een regularisatie van haar verblijf op grond van het artikel 9 al. 3 van de wet van 15 december 1980 en in het kader van de omzendbrief van 30 september 1997 betreffende het verlenen van een verblijfsmachtiging op basis van samenwoonst in het kader van een duurzame relatie; Dat tot besluit kan gesteld worden dat verweerder bij het nemen van de aangevochten beslissing niet naar een correct evenwicht heeft gezocht tussen de gevolgen van de maatregelen en de ernst van het nadeel voor verzoekers dat hieruit voortvloeit; Dat verweerder geen correcte motivering heeft gebruikt inzake de ernst van het misdrijf; XIV-12.269-5/10 Verweerder stelt in zijn beslising dat eerste verzoeker door zijn persoonlijk gedrag de openbare veiligheid of de nationale veiligheid schaadt; Dat het overeenkomstig een vaste rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens de ernst van de inbreuk een essentieel element is voor de beoordeling van de proportionaliteit van de maatregel van verwijdering (cf. o.a. EHRM, 13.02.2001, RDE, 2001, nr. 113, p. 273 e.v); Dat het hier geenszins de bedoeling is de door eerste verzoeker opgelopen veroordeling te minimaliseren; Dat bij arrest nr. 91.662 van 18 december 2000 Uw Raad geoordeeld heeft dat de verwijzing naar het genoemde ministerieel besluit tot uitwijzing en naar de feiten die daarvan de grondslag vormen, op zich alleen niet volstaat om geldig de aangevochten beslissing te rechtvaardigen (http://www.raadvst-consetat.be (20 september 2001); In voornoemde zaak betrof het een ministerieel besluit tot terugleiding ten aanzien van de betrokkene die veroordeeld was tot een straf van vijf jaar gevangenisstraf voor feiten in verband met internationale handel in drugs en één jaar gevangenisstraf voor diefstal met behulp van geweld of bedreiging (bedreiging) in groep; In de zaak die geleid heeft tot Uw arrest van 96.244 van 8 juni 2001, werd de aanvrager van regularisatie van zijn verblijf uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 nadat verwezen was naar een Koninklijk Besluit van 3 april 1997; Het Koninklijk Besluit was genomen naar aanleiding van diverse inbreuken waarvan 56 gekwalificeerde diefstallen; Uw raad heeft in deze zaak eveneens geoordeeld, en terecht, dat de enkele verwijzing naar het Koninklijk Besluit en de feiten die de enige basis zijn waarop de(
- d)beslissing gegrond is, op zich niet voldoende is om de beslissing tot uitsluiting geldig te rechtvaardigen (arrest nr. 96.244 van 8.6.2000, RDE, nr. 14, p.362 e.v.); Deze rechtspraak volgend kan dan ook terecht gesteld worden dat de enkele verwijzing naar de veroordeling van verzoeker die de enige motivering uitmaakt van de aangevochten beslissing niet correct is en strijdig is met de motiveringsplicht in hoofde van verweerder; Dat de aangevochten beslissing dermate is gemotiveerd dat verzoekers onmogelijk de ware reden van de uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 kunnen kennen, hetgeen ook betekent dat (dit) (hierdoor) de taak van Uw Raad, namelijk de eenzijdige bestuurshandelingen op hun wettigheid contr(r)oleren, niet kan uitoefenen (worden uitgeoefend); Dat de discre(di)tion(n)aire bevoegdheid van verweerder niet zo ver strekt dat hij de (beslissing tot) terugkeer van verzoekers naar hun land van oorsprong (dat hij zijn beslissing) kan nemen zonder deze op voldoende en correcte wijze te moeten motiveren op straffe van het discre(di)tion(n)aire niet meer te kunnen onderscheiden van het willekeurige; Dat verder dient gewezen te worden op het feit dat eerste verzoeker en tweede verzoeker niet dezelfde nationaliteit dragen, noch van éénzelfde land afkomstig zijn waardoor een uitwijzing er in feite op zou neerkomen dat zij gescheiden zouden worden, ongeacht of de aangevochten beslissing al dan niet ook betrekking heeft op tweede verzoeker, hetgeen in strijd is met het artikel 8 van het voornoemde verdrag van 4 november 1950; Dat verweerder ook met (dit) element geen rekening heeft gehouden in zijn beslissing, evenmin als met het feit dat verzoeker verzaakt heeft aan de R. nationaliteit en hij derhalve staatloos is; Dat onder een gepaste motivering dient te verstaan worden, deze motivering die "exactement proportionnée à son objet, qui aurait rendu compte de son objet de façon parfaite et exhaustive" (cf. Dictionnaire Robert et Académie Française, dictionnaire, 9ème édition, 1992, Imprimerie Nationale, geciteerd door SALMON J., Le Conseil d'Etat, Bruxelles, Bruylant, 1994) « ou par extension, aurait constitué une réponse adéquate à la question posée »; Dat besloten kan worden dat de aangevochten beslissing niet op correcte en voldoende wijze gemotiveerd werd en er geen enkel redelijk verband bestaat tussen de weerhouden motieven en de aangevochten beslissing; Dat verweerder bij het nemen van zijn beslissing derhalve zijn appreciatiebevoegdheid ver te buiten is gegaan; Overwegende dat de motivering van de aangevochten beslissingen een “formalité tellement importante que sa méconnaissance altère la substance même de l'acte” (cf. M. LEROY, Contentieux administratif, p. 265-266); Dat het hier bijgevolg gaat om een manifeste beoordelingsfout die geleid heeft tot een manifest onredelijk en verkeerde beslissng die buiten alle proporties staat ten aanzien van de feiten; (...).”. XIV-12.269-6/10 2.1. Betreffende de eerste bestreden beslissing, met name de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 mei 2002 tot uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet: Overwegende dat de verzoekende partijen onder meer aanvoeren dat noch uit de motivering van de eerste bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken het gevaar voor de openbare orde waarvan hij gewag maakt, heeft ingeschat; dat de verzoekende partijen tevens aanvoeren dat een eenvoudige verwijzing naar de veroordeling, die dateert van 1991, niet volstaat om geldig zijn beslissing te rechtvaardigen, en dat de Minister “geen correcte motivering heeft gebruikt inzake de ernst van het misdrijf”; dat de verzoekende partijen stellen dat de eerste bestreden beslissing niet op correcte en voldoende wijze werd gemotiveerd en dat er geen enkel redelijk verband bestaat tussen de in de beslissing vermelde motieven en de aangevochten beslissing, zodat de Minister bij het nemen van zijn beslissing zijn appreciatiebevoegdheid ver te buiten is gegaan; Overwegende dat artikel 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) bepaalt dat de in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de Minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, van de toepassing van deze wet worden uitgesloten; Overwegende dat uit de samenlezing van deze tekst met de voorbereiden- de werkzaamheden, blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt om te oordelen of het gevaar, dat de aanvrager voor de openbare orde vormt, rechtvaardigt dat hij wordt uitgesloten van de Regularisatiewet; dat de Raad van State bijgevolg enkel bij een kennelijk onredelijke beoordeling tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan overgaan; dat uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat niet om het even welk misdadig gedrag aanleiding kan geven tot de uitsluiting van de Regularisatie- wet; dat de Minister zich in dit verband kan baseren op het criminogeen verleden van de aanvrager en op het actueel gevaar dat hij vormt voor de openbare orde; dat het actueel gevaar dient te worden beoordeeld in preventief opzicht, zeker in het geval van recidi(e)ve; Overwegende dat uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat de eerste verzoekende partij een gevaar betekent voor de openbare orde en de nationale veiligheid omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van braak, inklimming of valse sleutels, diefstal, het dragen van verboden wapens, valsheid in geschrifte en gebruikmaking van deze valsheid, en hiervoor op 27 juni 1991 door de Correctionele rechtbank van Brugge werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar; XIV-12.269-7/10 Overwegende dat uit de stukken 73 en 79 van het administratief dossier blijkt dat de feiten waarvoor de eerste verzoekende partij op 27 juni 1991 werd veroordeeld, zich voordeden in 1989, 1990 en 1991; Overwegende dat de eerste verzoekende partij tot een zware straf werd veroordeeld; dat ongeacht de beoordeling van de zwaarwichtigheid van de feiten die aan de straf ten grondslag liggen, wordt vastgesteld dat deze feiten op het ogenblik van de bestreden beslissing dateren van tien jaar geleden en dat uit de eerste bestreden beslissing niet blijkt dat er sprake is van recidi(e)ve; dat het niet vanzelfsprekend is dat de eerste verzoekende partij thans nog een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de eerste verzoekende partij poogt zijn strafrechtelijk verleden achter zich te laten en de nodige inspanningen wil leveren om zich, samen met zijn familie, te integreren in de Belgische samenleving; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de eerste bestreden beslissing bijgevolg op afdoende wijze dient te motiveren waarom hij van oordeel is dat de eerste verzoekende partij nog steeds een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat dit des te meer geldt nu het secretariaat van de Commissie voor regularisatie op 27 november 2000 een gunstig advies verleende met betrekking tot de regularisatie van de verzoekende partijen; Overwegende dat uit de eerste bestreden beslissing niet op afdoende wijze blijkt waarom de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat de eerste verzoekende partij een actueel gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat, gelet op het voorgaande, de enkele verwijzing naar de strafrechtelijke veroordeling van 27 juni 1991 door de Correctionele Rechtbank van Brugge niet de eerste bestreden beslissing kan motiveren; Overwegende dat dit onderdeel van het enig middel gegrond is; 2.2. Betreffende de tweede bestreden beslissing, met name het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, ter kennis gebracht aan eerste verzoeker, XXX: Overwegende dat het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, steunt op de eerste bestreden beslissing; dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing gegrond is; dat bijgevolg ook het beroep tegen de tweede bestreden beslissing gegrond is; 2.3. Betreffende de derde bestreden beslissing, met name het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, ter kennis gebracht aan tweede verzoekster, XXX: XIV-12.269-8/10 Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de eerste bestreden beslissing, genomen ten aanzien van de eerste verzoekende partij, niet de grondslag kan vormen van de derde bestreden beslissing zijnde het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ten opzichte van de tweede verzoekende partij; dat zij uiteenzetten dat de eerste bestreden beslissing is gesteund op een strafrechtelijke veroordeling van de eerste verzoekende partij waarmee de tweede verzoekende partij en haar minderjarige zoon geen uitstaans hebben; dat de verzoekende partijen menen dat de derde bestreden beslissing niet correct is gemotiveerd; Overwegende dat artikel 5 van de Regularisatiewet bepaalt dat de in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de Minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, van de toepassing van deze wet worden uitgesloten; dat uit de parlementaire stukken blijkt dat de Regularisatiewet vereist dat de aanvragen individueel worden behandeld; dat dit impliceert dat in het geval van uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet, iedere aanvrager persoonlijk een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid moet betekenen; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing verwijst naar de veroordeling van de eerste verzoekende partij door de Correctionele rechtbank van Brugge op 24 juni 1991; dat in de eerste bestreden beslissing niet wordt overwogen dat de tweede verzoekende partij en haar minderjarige zoon een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat ook in het dictum van deze beslissing niet naar hen wordt verwezen; dat derhalve niet kan worden aangenomen dat de eerste bestreden beslissing van toepassing is op de tweede verzoekende partij en haar minderjarige zoon; dat de eerste bestreden beslissing die, gelet op het voorgaande, enkel betrekking heeft op de eerste verzoekende partij, bijgevolg niet als grondslag kan dienen voor de derde bestreden beslissing, waarin aan de tweede verzoekende partij en haar zoon bevel wordt gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat het administratief dossier geen enkele andere beslissing bevat die de tweede verzoekende partij zou uitsluiten van de toepassing van de Regularisatiewet; Overwegende dat uit de analyse van het onderdeel van het enig middel gericht tegen de eerste bestreden beslissing, blijkt dat deze beslissing dient te worden vernietigd; Overwegende dat het motief in feite van de derde bestreden beslissing, namelijk dat betrokkene werd uitgesloten van de toepassing van de Regularisatiewet door een ministeriële beslissing van 27 mei 2002, geen grondslag vindt in de stukken van het administratief dossier; dat dit motief niet afdoende is; dat dit onderdeel van het enig middel gegrond is; XIV-12.269-9/10 Overwegende dat het enig middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 mei 2002 tot uitsluiting van XXX van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, evenals de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 ten opzichte van XXX en ten opzichte van XXX, om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.269-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div