id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.453 Rolnummer: A. 137003/VII-29905 Zaak: Arrest 142453 - - 23/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-05 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:15 Fiche Arrest nr 142.453 van 23 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 142.453 van 23 maart 2005 in de zaak A. 137.003/VII-29.905 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. PEETERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 21 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-29.905-1/6 Gelet op de beschikking van 31 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 16 maart 2003 en verklaarde zich op 17 maart 2003 vluchteling. 1.
- Op 24 maart 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 16 april 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U verklaarde de Pakistaanse nationaliteit te bezitten en door geboorte een ahmadi-moslim te zijn afkomstig uit Bathanwala, district Naruwal in de provincie Punjab. U werd tijdens uw middelbare schoolstudies aangevallen door een groep jongens van dezelfde school, dit omdat u ahmadi-moslim bent. Hun vaders behoorden tot de extremistische religieuze soennitische organisatie "Lashkar-e-Toiba" (LeT). U raakte gewond door messteken. Omdat u de enige zoon was en uw vader voor uw leven vreesde mocht u nadien niet meer naar school gaan. U hielp nadien uw vader die landbouwer was. In december 2001 werd in uw dorp een betoging van VII-29.905-2/6 "Lashkar-e-Toiba" georganiseerd. U zat voor uw huis en zag een groepje onbekende mannen die scheldwoorden riepen tegen het ahmadi-geloof. U werd kwaad en vroeg hen waarom ze dit deden. De mannen kwamen zo te weten dat u ahmadi-moslim bent. Een van hen probeerde u met een hockeystick op het hoofd te slaan. U kon zich nog net met uw arm beschermen. Uw vader was tussenbeide gekomen en bracht u met een gebroken arm naar de dokter in een ander dorp. Daarna keerde u niet meer naar uw dorp terug maar ging u bij uw oom in Bhandal (district Sialkot). Uw vader diende klacht in tegen uw aanvallers. De Rayya-politie noteerde de klacht maar ondernam geen actie tegen de mannen die nog af en toe in uw dorp te zien waren. Uw vader besloot dat het beter was dat u het land verliet. In december 2002 overleed uw moeder. U nam op 8 maart 2003 vanuit Karachi het vliegtuig naar Istanbul en reisde diezelfde dag nog door naar België. U diende hier op 17 maart 2003 een asielaanvraag in. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS) blijkt dat u uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie uw land van herkomst diende te ontvluchten. De problemen die u in uw verklaringen aanhaalde zijn van lokale aard en met privé-personen. U hebt nooit problemen gekend met uw autoriteiten, u bent nooit gearresteerd en moest nooit voor een rechtbank of magistraat verschijnen (CGVS, p. 11). De eerste problemen die u omwille van uw geloof kende waren met jongens van dezelfde schoof (CGVS, p. 11-12) en dateren van ongeveer twintig jaar geleden (CGVS, p. 12). U beweerde dat toen niemand naar de politie gestapt is omdat dit toch geen zin zou hebben (CGVS, p. 13). Het is dan ook bevreemdend dat bij de tweede aanval in 2001 uw vader wel naar de politie stapte om klacht in te dienen (CGVS, p. 13). Bovendien noteerde de politie toen wel degelijk uw vaders klacht (CGVS, p. 15). Dat ook de jongens van uw school van "LeT" waren hebt u niet in uw gehoor op DVZ vermeld, wat bevreemdend is (CGVS, p. 12). U had trouwens nadien geen problemen meer met deze jongens (CGVS, p. 13). U hebt evenmin aannemelijk gemaakt dat de mannen die u in 2001 aanvielen bij "LeT" behoorden. U noemde immers nog de naam van een andere extremistische religieuze soennitische organisatie (Islami Jamiat) (CGVS, p. 15), maar kon niet verduidelijken hoe u wist dat de mannen die u aanvielen van "LeT" waren en niet van een andere organisatie (CGVS, p. 16). Dat de politie niks ondernam tegen uw aanvallers hebt u slechts van derden, namelijk van uw vader, vernomen (CGVS, p. 15). De politie aanvaardde immers wel uw vaders klacht tegen de aanvallers (CGVS, p. 15). U kan trouwens geen kopie voorleggen van deze klacht (CGVS, p. 15). Bovendien wijst niets in uw verklaringen erop dat u elders in Pakistan met dezelfde personen opnieuw problemen zou kennen. U hebt niet aannemelijk gemaakt waarom u tot maart 2003 wachtte om uw land te verlaten. Dat uw vader geen reisagent vond is hiervoor geen afdoende verklaring (CGVS, p. 16). Uw laattijdige vertrek uit uw land van herkomst doet tevens twijfelen aan de geloofwaardigheid van uw gegronde vrees voor vervolging in Pakistan. U hebt evenmin aannemelijk gemaakt waarom u uw toevlucht niet kon zoeken tot andere delen van Pakistan. U woonde immers sinds december 2001 in Sialkot-district en verklaarde zelf dat u er geen problemen had omdat niemand er u kende (CGVS, p. 16). Dat uw familie niet altijd voor u kan blijven zorgen is geen afdoende reden voor het niet toepassen van dit vluchtalternatief (CGVS, p. 17). U bent niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit kunnen worden gecontroleerd. U beweerde op het CGVS nooit een identiteitskaart te hebben gehad (CGVS, p. 10), terwijl u op DVZ verklaarde die thuis te hebben achtergelaten (DVZ, p. 3). Toen u hierop gewezen werd beweerde u dit niet te hebben verklaard op DVZ (CGVS, p. 10). Nochtans ondertekende u het gehoorverslag voor akkoord zodat aan uw verklaring voor deze discrepantie weinig geloof kan worden gehecht. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. VII-29.905-3/6 Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en zoals ondermeer ook opgelegd door artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij uiteenzet dat geoordeeld wordt dat zij in haar land van herkomst niet te vrezen heeft voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, terwijl zij heeft verklaard dat zij haar land is ontvlucht omdat zij meermaals het slachtoffer is geworden van geweldplegingen en omdat zij geen bescherming kreeg van de plaatselijke autoriteiten; dat zij verder verwijst naar de algemene situatie in haar land van herkomst; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op VII-29.905-4/6 aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris- generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het voor de kandidaat-vluchteling niet volstaat om te verwijzen naar de algemene politieke situatie in zijn land van herkomst; dat hij met concrete elementen moet aantonen dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging kan koesteren in de zin van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève); dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij eveneens stelt dat er sprake zou zijn van machtsafwending; dat de verzoekende partij beweert dat de gevolgen van de beslissing voor haar dermate nadelig zijn dat zij niet meer in evenredigheid staan tot de door de beslissing te dienen doeleinden; Overwegende dat wie machtsafwending aanvoert, daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens moet aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd; dat daarenboven, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing moet zijn geweest; dat dit te dezen niet wordt aangetoond; dat evenmin concreet wordt uiteengezet waarin de aangeklaagde beweerde onevenredigheid te dezen zou bestaan; dat de weigering van verblijf het wettelijk voorziene gevolg is van de vaststelling dat de betrokken asielzoeker niet voldoet aan de criteria die worden opgelegd door de Conventie van Genève; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-29.905-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-29.905-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div