← België

Arrest 142581 - - 24/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.581 Rolnummer: Zaak: Arrest 142581 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 09:20 Fiche Arrest nr 142.581 van 24 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.581 van 24 maart 2005 in de zaken A. 82.752/XII-1881 A. 84.698/XII-

  1. In zake : Michaël ARENTS, die woonplaats kiest bij advocaat D. Gheys, kantoor houdende te Aalst, Leo de Bethunelaan 18 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michaël Arents op 3 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 december 1998 waarbij de directeur van het koninklijk technisch atheneum Handelsschool te Aalst afwijzend beschikt over zijn aanvraag voor een verlof om tijdelijk een andere opdracht te vervullen (zaak A.82.752/XII-1881, hierna ook : eerste zaak); Gezien het verzoekschrift dat Michaël Arents op 11 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 maart 1999 van de centrale raad van de Argo waarbij de in de eerste zaak bestreden beslissing wordt gehandhaafd (zaak A.84.698/XII-2089, hierna ook : tweede zaak); Gezien het arrest nr. 119.576 van 20 mei 2003 waarbij in de eerste zaak de debatten worden heropend; Gezien het arrest nr. 119.577 van 20 mei 2003 waarbij in de tweede zaak de debatten worden heropend; Gezien het aanvullend verslag in de beide zaken opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-1881-1\9 Gelet op de beschikkingen van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 22 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De procedure. Overwegende dat verzoeker in de tweede zaak de “handhaving” bestrijdt, door de centrale raad van de Argo, van de in de eerste zaak door hem bestreden beslissing van de directeur van KTA-Handelsschool Aalst; dat de beide zaken dermate verknocht zijn, dat het in het belang van de goede rechtsbedeling passend is ze samen te voegen om er in een arrest uitspraak over te doen; De gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de beide zaken kunnen worden samengevat als volgt : Op 14 december 1998 dient verzoeker, vast benoemd leraar SO, een aanvraag in voor een verlof om tijdelijk een ander ambt/opdracht te kunnen XII-1881-2\9 uitoefenen (verlof TAO)- in casu praktijklector aan de Hogeschool Gent, departement Bedrijfskunde te Aalst. De lokale raad adviseert op 14 december 1998 gunstig over verzoekers aanvraag, met notulering van een negatief minderheidsstandpunt. Nog steeds op 14 december 1998 geeft de directeur als instellingshoofd een ongunstig advies, met als motivatie “zie notulen : minderheidsstandpunt”. Op 16 december 1998 deelt de directeur van de school aan verzoeker mee dat de aanvraag, met gunstig advies van de lokale raad, “naar de bevoegde diensten van Argo” wordt opgestuurd en dat “[d]eze materie behoort tot het beslissings- en bevoegdheidsdomein van Argo”. Bij schrijven van 22 december 1998 wordt namens de voorzitter van de Argo aan de directeur geantwoord dat de centrale raad “ondertussen delegatie gegeven [heeft] aan de instellingshoofden om een verlof TAO lokaal te beslissen”, dat dit enkel geldt voor de wervingsambten en dat deze “beslissing betreffende de delegatie [...] u later in een omzendbrief meegedeeld [zal] worden”. De aanvraag van verzoeker wordt hierbij teruggestuurd. Met een 29 december 1998 gedateerd schrijven deelt de directeur van de school aan verzoeker mee : “Geachte Heer Arents De Centrale Raad Argo heeft ondertussen delegatie gegeven aan de instellingshoofden om een verlof TAO te beslissen. Dit geldt enkel voor wervingsambten. Zoals u reeds eerder medegedeeld adviseert de directie uw aanvraag ongunstig. U dient zich derhalve maandag 4 januari 1999 te begeven naar uw opdracht aan de KTa Handelsschool Aalst. Vriendelijke groeten”. Op 7 januari 1999 richt de Argo een bericht aan de instellingshoofden en de afgevaardigd-bestuurders om hen te melden dat de centrale raad beslist heeft het toekennen van het verlof TAO te delegeren aan het hoofd van de instelling waar het personeelslid effectief is geaffecteerd, wat de wervingsambten betreft. XII-1881-3\9 Omdat verzoeker vanaf 4 januari 1999 afwezig blijft in de school, wordt hij uitgenodigd voor een gesprek op 13 januari 1999 in aanwezigheid van een adjunct van de directeur sector bijzondere maatregelen van de Argo. Van laatstgenoemde verneemt verzoeker dat er geen “formele beroepsmogelijkheid” is, maar krijgt hij de raad “zowel de bezwaarprocedure bij de Centrale Raad als een annulatieprocedure bij de Raad van State op te starten”. Verzoeker tekent een “gemotiveerd bezwaar” aan tegen de beslissing van zijn directeur bij de centrale raad van de Argo op 25 januari
  2. Hij argumenteert daarin onder meer dat de lokale raad gunstig geadviseerd heeft over zijn aanvraag en “op dat ogenblik niemand, noch het instellingshoofd, noch de leden van de lokale raad, noch de pedagogisch adviseur, op de hoogte [was] van een zogenaamde delegatie van de beslissing naar het instellingshoofd” en dat de Argo “de school pas op 7 januari 1999 op de hoogte gebracht [heeft] van deze hoogst onwaarschijnlijke wijziging van reglementering”. Op 25 maart 1999 beslist de centrale raad van de Argo : “Overwegende dat de beslissing van de directie het verlof TAO te weigeren is ingegeven uit de bekommernis voor het algemene belang van de instelling en de leerlingen van verschillende afdelingen terwijl het bezwaar van de heer Arents gebaseerd is op het feit dat zijn persoonlijk belang wordt geschaad en op een verkeerde inschatting van enkele gegevens in deze zaak wordt beslist : De beslissing van 29 december 1998 van mevrouw N. Feytens, directeur van het Koninklijk Technisch Atheneum handelsschool Aalst om een aanvraag tot verlof om tijdelijk een ander ambt uit te oefenen vanwege de heer Michael Arents, vastbenoemd leraar secundair onderwijs aan het Koninklijk Technisch Atheneum handelsschool Aalst te weigeren wordt principieel gehandhaafd. De administratie krijgt evenwel de opdracht om na te gaan of de delegatie- beslissing dd. 15 oktober 1998 die de bevoegdheid om verlof TAO toe te kennen aan een personeelslid bij het instellingshoofd legt, tegenstelbaar is; aan het Vast Bureau wordt delegatie verleend om in functie hiervan een eindbeslissing te treffen”; De ontvankelijkheid van het beroep in de eerste zaak. Overwegende dat de debatten in de eerste zaak werden heropend voor een nader onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep naar de tijd; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing aan verzoeker is ter kennis gebracht bij 29 december 1998 gedateerd schrijven; dat dit schrijven op 30 december 1998 ter post werd afgegeven, zoals blijkt uit zowel het afschrift van XII-1881-4\9 het afgiftebewijs van aangetekende zending dat door verwerende partij is neergelegd als uit de poststempel op de omslag van die zending, die door verzoeker is gevoegd bij zijn inleidend verzoekschrift; dat die zending, blijkens het op de briefomslag aangebracht kleefstrookje, op 31 december 1998 aan de woning van verzoeker werd aangeboden; dat verzoeker blijkbaar afwezig was en het schrijven eerst op 4 januari 1999 ter post heeft afgehaald; Overwegende dat uit deze gegevens blijkt dat de kennisgeving van de bestreden beslissing is geschied op 31 december 1998; dat het verzoekschrift bijgevolg ingediend is meer dan zestig dagen na de kennisgeving van de beslissing waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd; Overwegende dat de rechtsvraag of het verzoekschrift tijdig werd ingediend de openbare orde raakt; dat er in principe dan ook van uit moet worden gegaan dat het beroep dat is ingediend buiten de verjaringstermijn van zestig dagen laattijdig is; dat de verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State evenwel luidens artikel 19, tweede lid, van diezelfde gecoördineerde wetten alleen een aanvang nemen “op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt”; dat deze bepaling tot doel heeft diegenen die zich benadeeld achten door een administratieve beslissing met individuele strekking in kennis te stellen van het bestaan van de mogelijkheid om tegen deze beslissing beroep in te stellen; dat, zoals bij arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004 van de algemene vergadering van de afdeling administratie is gesteld, dit artikel 19, tweede lid, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat voor die bepaling geen uitzondering geldt; dat de rechtsonzekerheid waartoe deze bepaling kan leiden, te wijten is enerzijds aan het tekortschieten van de administratieve overheid en anderzijds aan de bedoeling van de wetgever om op de niet-naleving van die bepaling een radicale straf te stellen waarvan de werking niet beperkt is in de tijd; Overwegende dat de naleving van deze vormvereiste impliceert dat gewag moet worden gemaakt van het bestaan van de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen en van de verplichting om dit beroep in te stellen bij aangetekende brief binnen zestig dagen na de kennisgeving; dat voormelde brief van 29 december 1998 geen van de bij artikel 19, tweede lid, voorgeschreven XII-1881-5\9 vermeldingen bevat; dat hieruit besloten wordt dat het beroep tot nietigverklaring niet verworpen mag worden wegens laattijdigheid; De gegrondheid van het beroep in de eerste zaak. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de onbevoegdheid aanvoert “doordat de beslissing niet uitgaat van het daartoe bevoegde orgaan krachtens wettelijke en of reglementaire beschikkingen”; dat hij toelicht dat de Argo weliswaar beweert dat tot een delegatie zou zijn beslist aan de instellingshoofden, maar dat tot 22 december 1998 geen der verantwoordelijken in de Autonome Raad, noch de directie van het KTA-Handelsschool Aalst enig gewag maken van een wijziging van beslissingsforum ten gevolge van enige delegatie en integendeel de aanvraag adviseren volgens de vigerende reglementering die de beslissingsmacht legt bij de centrale raad van de Argo; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de centrale raad op 26 maart 1998 een delegatiebesluit goedkeurde waarin de bevoegdheid tot het verlenen van een verlof TAO voor wat de wervingsambten betreft, gedelegeerd werd aan het afdelingshoofd Beheer Basisgegevens Personeel Onderwijs van de centrale diensten van de Argo, dat dit delegatiebesluit in werking trad op 1 mei 1998 en bij omzendbrief ARGO/VAD/1998-034 van 4 mei 1998 in het Kaderblad kenbaar werd gemaakt, dat het verlof TAO “bijgevolg tot dan toe centraal [werd] toege- kend”, dat de centrale raad echter op 15 oktober 1998 besloot het toekennen van het verlof TAO voor wat de wervingsambten betreft, “te delegeren aan het hoofd van de instelling waar het personeelslid effectief is geaffecteerd”, dat “die wijziging nog eens duidelijk kenbaar [werd] gemaakt aan de personeelsleden” bij omzendbrief ARGO/VAD/1999-01 en dat het niet opgaat “te stellen dat ondanks de nieuwe delegatie ingevolge een beslissing van de centrale raad dd. 15/10/1998 nog niet werd ingevoegd in het delegatiebesluit op het ogenblik dat verzoeker zijn aanvraag tot het bekomen van het verlof TAO indiende, zijnde op 14/12/1998, het instellings- hoofd niet het bevoegde orgaan was”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie vóór heropening der debatten schrijft dat zij kan aanvaarden dat de eventueel ontijdige kennisgeving een “relatieve tekortkoming in de marge” is die “verzoeker op een verkeerd been zou kunnen hebben gezet”, maar zij werpt op dat verzoeker “na[laat] het belang te onderlijnen dat hij mogelijks door de beide beslissingen zou hebben, XII-1881-6\9 minstens in hoeverre een belang voor hem ontstaat door het door de verkeerdelijk daartoe bevoegd geachte instantie genomen beslissing” en dat verzoeker geen schade leed omwille van het feit dat hij niet op de hoogte zou zijn gebracht van de delegatiebevoegdheden; Overwegende dat verwerende partij op de terechtzitting van 1 april 2003 een stuk neerlegt dat, naar zij zegt, een tijdig in het Kaderblad bekendge- maakt en daarom aan verzoeker tegenstelbaar delegatiebesluit is; Overwegende dat verwerende partij niet aanvoert over geen discretionaire bevoegdheid te beschikken bij het beoordelen van verzoekers aanvraag, waarover de lokale raad overigens oorspronkelijk een gunstig advies heeft gegeven; dat het middel voorts van openbare orde is; dat er dan grond bestaat om verzoekers belang aan te nemen bij het tweede middel; Overwegende dat niet wordt betwist dat de centrale raad van de Argo krachtens het toen geldende bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bevoegd was een beslissing als de thans bestredene te nemen; dat de centrale raad die bevoegdheid overeenkomstig het bijzonder decreet mag delegeren; dat evenwel, zoals de Raad reeds heeft geoordeeld in onder meer het arrest nr. 49.040, Driesen, van 13 september 1994, aangezien de oorspronkelijke bevoegdheidsverdeling is opgenomen in het Argo-decreet en dat decreet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, de delegatiebesluiten, die uiteraard een ander orgaan bevoegd maken dan het orgaan bevoegd volgens de oorspronkelijke bevoegdheidsverdeling, eveneens in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt moeten worden; dat wel, om zodanige besluiten tegenstelbaar te maken aan het personeel, interne bekendmaking volstaat; Overwegende dat de verwerende partij geen besluit kan voorleggen dat delegatie van bevoegdheid verleent aan de instellingshoofden om voor wervingsambten aanvragen voor verlof TAO in te willigen of af te wijzen en dat op het ogenblik van de bestreden beslissing in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt of ten minste intern bekendgemaakt blijkt te zijn; dat de Raad van State niet ziet hoe een delegatiebesluit van de centrale raad van 15 oktober 1998 waar verwerende partij op steunt in haar memories, intern bekendgemaakt kan zijn door het ter terechtzitting van 1 april 2003 neergelegde stuk, dat immers dateert van 3 augustus 1998; dat volgens de aan de Raad bekende stukken, de delegatie eerst bij XII-1881-7\9 schrijven van 7 januari 1999 meegedeeld blijkt te zijn, enkel nog aan de instellingshoofden en afgevaardigd-bestuurders; dat het middel gegrond is; De ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep in de tweede zaak. Overwegende dat verwerende partij opwerpt in de memorie van antwoord dat het tweede beroep onontvankelijk is, omdat de bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare handeling is, maar slechts een louter bevestigende beslissing; Overwegende dat het gegrond vinden van het tweede middel in de eerste zaak tot de nietigverklaring leidt van de beslissing van 29 december 1998 van de directeur, waarbij verzoekers aanvraag voor verlof TAO wordt afgewezen; dat de onwettigheid die aan de eerste beslissing kleeft, ook de beslissing van de centrale raad aantast, waarbij juist die initiële beslissing wordt gehandhaafd; dat de exceptie van verwerende partij daarbij niet relevant is; dat de beslissing van de centrale raad immers hoe dan ook hetzelfde lot van de eerste moet ondergaan, weze het enkel voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer, BESLUIT: Artikel
  3. De zaken nrs. A.82.752/XII-1881 en A.84.698/XII-2089 worden gevoegd. Artikel
  4. Vernietigd worden de beslissing van de directeur van het koninklijk technisch atheneum Handelsschool te Aalst om geen gunstig gevolg te geven aan de aanvraag van Michaël Arents voor verlof om tijdelijk een ander ambt of een andere opdracht uit te oefenen, zoals meegedeeld bij brief van 29 december 1998, en de beslissing van 25 maart 1999 van de centrale raad van de Argo waarbij de eerstgenoemde beslissing wordt gehandhaafd. XII-1881-8\9 Artikel
  5. De kosten van de beide beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1881-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.581 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.