← België

Arrest 142587 - - 24/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.587 Rolnummer: A. 115908/IX-3188 Zaak: Arrest 142587 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 09:22 Fiche Arrest nr 142.587 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.587 van 24 maart 2005 in de zaak A. 115.908/IX-

  1. In zake : Monica HERMANS, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monica HERMANS op 18 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 waarbij haar vergunning voor het installeren en het exploiteren van een opslagplaats voor feestvuurwerk wordt ingetrokken; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 9 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3188-1/26 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. LOIX, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Verzoekster Monica HERMANS drijft handel te Turnhout, Paterstraat 25 in een winkel Popcorn genoemd waar zij voornamelijk kranten en tijdschriften verkoopt. 1.
  5. Op 25 januari 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van Turnhout aan verzoekster een vergunning om “feestvuurwerk te bewaren tot een gewicht van maximum 2 kg erin vervat pyrotechnische sas (hetzij 12 kg brutogewicht)”. In het besluit worden een aantal voorwaarden en voorschrif- ten bepaald, waaronder de verplichting om het vuurwerk op te bergen in een kast die zich bevindt in de winkel en in een kast op de eerste verdieping van dat pand. IX-3188-2/26 Op 11 augustus 1994 verleent de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen aan verzoekster een vergunning tot het uitbreiden in haar eigendom te Turnhout, Paterstraat 25, van een depot voor springstoffen bestemd voor het opslaan van feestvuurwerk met een inhoud van in totaal 50 kg pyro- technische sas. Ook die vergunning wordt uitdrukkelijk aan een aantal voorwaarden en verplichtingen onderworpen zoals het bewaren achter slot van het feestvuurwerk in een depot achteraan het perceel en in de winkel in een glazen kast. 1.
  6. Op 25 mei 2000 stelt de politie van Turnhout vast dat vuurwerk opgeslagen wordt op andere plaatsen dan bepaald in de vergunning. Het vuurwerk wordt in beslag genomen en overgebracht naar de dienst der Springstoffen van het ministerie van Economische Zaken. Uit de inventaris van het inbeslaggenomen vuurwerk, zoals die op 14 november 2000 door de dienst der Springstoffen aan de politie van Turnhout medegedeeld is, blijkt onder meer dat de hoeveelheid pyro- technische sas 541,104 kg bedroeg en dat ook ander vuurwerk dan feestvuurwerk bestemd voor particulieren aangetroffen werd. 1.
  7. Op 6 juli 2000 dient verzoekster bij het provinciebestuur van Antwerpen een aanvraag in voor het verkrijgen van een uitbreiding van haar vergunning voor het opslaan van feestvuurwerk van 50 kg naar 300 kg pyrotechnische sas. Die uitbreiding wordt door de bestendige deputatie op 7 december 2000 geweigerd. 1.
  8. Met een brief van 31 juli 2000 verzoekt de burgemeester van de stad Turnhout de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen om de vergunning van 11 augustus 1994 voor het opslaan van 50 kg pyrotechnische sas, te schorsen gedurende het lopende gerechtelijk onderzoek. Het verzoek verwijst naar de vaststellingen die de politie heeft gedaan en naar de bedreiging van de openbare veiligheid die van de betrokken inrichting uitgaat : “Gelet op de vaststellingen van de politie van Turnhout waarbij een zeer grote hoeveelheid vuurwerk (gissing 150 kg pyrotechnische sas) werd IX-3188-3/26 aangetroffen in het pand, Paterstraat 25 te 2300 Turnhout, vervat in het Proces- verbaal TU.36.32.104.509/00 d.d. 25/05/00; Gelet op het lopend gerechtelijk onderzoek hierin door de Onderzoeksrechter van Turnhout waarbij wordt nagegaan of de vergunningsvoorwaarden werden nageleefd door HERMANS Monica; Gelet op het verzoek van de politie tot mijn dringende tussenkomst op 25/5/00 overeenkomstig artikels 133-135 van de Nieuwe Gemeentewet tot het vrijwaren van de openbare veiligheid, waarbij werd aangehaald dat het vuurwerk niet alleen werd opgeslagen in de vergunde, goedgekeurde bunker, maar doorheen het hele pand en dit op een amateuristische, onverantwoorde, maar vooral onveilige wijze ervan. Dat hierdoor het vuurwerk een reële bedreiging vormde voor de openbare veiligheid. Op mijn bevel werd het handelspand onmiddellijk tijdelijk gesloten voor het publiek tot de ontmijnings- dienst DOVO het vuurwerk had opgehaald op 26/05/00; Gelet op de inplanting van het handelspand: gelegen in een drukke ontsluitingsweg voor het centrum, in de nabijheid van 2 scholen en pal in een woongebied; Gelet op het onveiligheidsgevoel van de buurtbewoners, geuit in diverse verontruste telefoonoproepen en brieven; Gelet op de dramatische gebeurtenis in Enschede, Nederland, dat ook ons land niet onberoerd heeft gelaten; Gelet op het feit dat de winkel Popcorn zich voornamelijk richt naar een jeugdig publiek en meestal wordt bezocht door minderjarigen;” Op 10 augustus 2000 beslist de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen om de vergunningen die aan verzoekster werden verleend te schorsen. In dat besluit wordt het volgende overwogen : “Gelet op het algemeen reglement voor de springstoffen, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 23 september 1958, zoals gewijzigd en/of aangevuld bij latere besluiten; Gelet op het besluit dd. 25 januari 1993 waarbij door het schepencollege van Turnhout de vergunning werd verleend aan Monica HERMANS (winkel Popcorn), Paterstraat 25 te 2300 Turnhout tot het opslaan van vuurwerk tot een gewicht van maximum 2 kg erin vervatte pyrotechnische sas; Gelet op het besluit dd. 11 augustus 1994 waarbij door de Bestendige Deputatie de vergunning werd verleend aan Monica HERMANS (winkel Popcorn), Paterstraat 25 te 2300 Turnhout tot het uitbreiden van de opslag van vuurwerk tot een gewicht van maximum 50 kg erin vervatte pyrotechnische sas; Gelet op het verzoek van de Burgemeester van Turnhout dd. 31 juli 2000 tot schorsing van voormelde vergunning; Gelet op volgende motivering van dit verzoek : - uit vaststelling van de politie van Turnhout (PV van 25 mei 2000) blijkt dat de vergunde hoeveelheid werd overschreden; IX-3188-4/26 - gezien het verzoek van de politie om dringende tussenkomst van de burgemeester tot het vrijwaren van de openbare veiligheid. In dit verzoek werd aangehaald dat het vuurwerk niet enkel werd opgeslagen in de vergunde, goedgekeurde bunker, maar doorheen het hele pand en dit op een amateuristische, onverantwoorde, maar vooral onveilige wijze; dat hierdoor het vuurwerk een reële bedreiging vormde voor de openbare veiligheid; - op bevel van de burgemeester werd het pand onmiddellijk tijdelijk gesloten voor het publiek tot de ontmijningsdienst DOVO het vuurwerk heeft opgehaald op 26 mei
  9. - het pand is gelegen in een drukke ontsluitingsweg voor het centrum, in de nabijheid van 2 scholen en pal in een woongebied; - het onveiligheidsgevoel van de buurtbewoners, geuit in diverse veront- ruste telefoonoproepen en brieven - de dramatische gebeurtenis in Enschede - het feit dat de winkel zich voornamelijk richt naar een jeugdig publiek en meestal wordt bezocht door minderjarigen; Overwegende dat de bestendige deputatie bevoegd is de vergunning te schorsen of in te trekken gelet op artikel 29 van het algemeen reglement van de springstoffen, indien de exploitant de algemene verordenende voorschriften of de voorwaarden opgelegd in de vergunning niet naleeft; dat uit het verzoek- schrift blijkt dat er dringende redenen zijn om onmiddellijk over te gaan tot schorsing; dat vooraleer de definitieve beslissing te nemen m.b.t. het al of niet intrekken van de vergunning een advies dient gevraagd aan de bevoegde overheid, i.e. de dienst der Springstoffen van het Ministerie van Economische Zaken”; 1.
  10. Bij aangetekende brief van 18 september 2000 wordt namens verzoekster bij de minister van Economie beroep ingesteld tegen het schorsings- besluit. De dienst der Springstoffen adviseert aan het provinciebestuur van Antwerpen om de vergunningen van verzoekster volledig in te trekken. Gemeld wordt dat na opmaak van de inventarissen van het in beslag genomen vuurwerk, volgende ernstige inbreuken werden geconstateerd : “- de totale hoeveelheid pyrotechnische sas overtreft meer dan tien maal de toegestane hoeveelheid; - Zowel in de winkelruimte als in de vergunde opslagplaats werden de maximale hoeveelheden ruim overschreden (± 145 kg pyrotechnische sas in plaats van 50 kg); - Verspreid in meerdere niet-vergunde lokalen in hetzelfde pand, dat zich in volle stadscentrum aan een drukke verkeersader bevindt, bevond zich nog een bijkomende grote hoeveelheid vuurwerk (± 125 kg pyrotechnische sas); IX-3188-5/26 - Een ander groot deel (± 250 kg pyrotechnische sas) lag in twee garageboxen vlakbij een school een kindercrèche; - Een aanzienlijke hoeveelheid betrof spektakelvuurwerk terwijl de vergun- ning enkel feestvuurwerk toelaat. Spektakelvuurwerk is vuurwerk dat vanwege zijn kaliber en gevaar voorbehouden is voor professioneel gebruik. - Gezien de ernst van deze inbreuken en, daar de wijze waarop de veiligheid werd veronachtzaamd duidt op een volledig gebrek aan verantwoordelijk- heidszin, ben ik van oordeel dat de vergunning volledig moet worden ingetrokken.” 1.
  11. Op 7 december 2000 beslist de bestendige deputatie de vergunningen in te trekken die aan verzoekster verleend werden voor de opslag van vuurwerk. In dat intrekkingsbesluit wordt het volgende overwogen : “Gelet op het algemeen reglement op de springstoffen, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 23 september 1958, zoals gewijzigd en/of aangevuld bij latere besluiten; Gelet op het besluit dd. 25 januari 1993 waarbij door het schepencollege van Turnhout de vergunning werd verleend aan Monica HERMANS (winkel Popcorn), Paterstraat 25 te 2300 Turnhout tot het opslaan van vuurwerk tot een gewicht van maximum 2 kg erin vervatte pyrotechnische sas; Gelet op het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 11 augustus 1994 waarbij aan Monica HERMANS vergunning werd verleend tot het uitbreiden van een opslagplaats van feestvuurwerk tot een hoeveelheid ten belope van 50 (kg) pyrotechnische sas; Gelet op het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 10 augustus 2000 waarbij de vergunningen verleend aan Monica HERMANS tot het exploiteren van een opslagplaats van feestvuurwerk te 2300 Turnhout, Paterstraat 25 werden geschorst; Gelet op volgend advies dd. 14 november 2000 van de dienst der Spring- stoffen van het bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken : ‘In schrijven van 12 september 2000 bracht de Bestendige Deputatie ons op de hoogte van de schorsing van de opslagvergunning voor feestvuurwerk (50 kg pyrotechnische sas) verleend op datum van 11 augustus 1994, ref. 2/56.851 f2/DR/CVDV aan mevrouw Monica HERMANS en vroeg ons advies omtrent een mogelijke volledige intrekking; Tegen de schorsing werd door betrokkene op 18 september 2000 beroep aangetekend; Op 23 oktober 2000 hebt u, in het kader van de geldende procedure, het volledige dossier betreffende deze schorsing aan onze dienst overgemaakt; Deze schorsing was het gevolg van een controle door de politie bij de aanvraagster. Deze controle gaf aanleiding tot een inbeslagname van een grote partij vuurwerk (ongeveer 500 kg pyrotechnische sas); IX-3188-6/26 Ondertussen hebben mijn medewerkers een inventaris van deze inbeslag- name opgemaakt; De door hen geconstateerde inbreuken zijn zeer ernstig te noemen : - De totale hoeveelheid pyrotechnische sas overtreft meer dan tien maal de toegestane hoeveelheid; - Zowel in de winkelruimte als in de vergunde opslagplaats werden de maximale hoeveelheden ruim overschreden (± 145 kg pyrotechnische sas in plaats van 50 kg); - Verspreid in meerdere niet vergunde lokalen in hetzelfde pand, dat zich in volle stadscentrum aan een drukke verkeersader bevindt, bevond zich nog een bijkomende grote hoeveelheid vuurwerk (± 125 kg pyrotech- nische sas); - Een ander groot deel (± 250 kg pyrotechnische sas) lag in twee garage- boxen vlakbij een school en een kindercrèche; - Een aanzienlijke hoeveelheid betrof spektakelvuurwerk terwijl de vergunning enkel feestvuurwerk toelaat. Spektakelvuurwerk is vuurwerk dat vanwege zijn kaliber en gevaar voorbehouden is voor professioneel gebruik; Gezien de ernst van deze inbreuken en, daar de wijze waarop de veiligheid werd veronachtzaamd duidt op een volledig gebrek aan verantwoordelijkheids- zin, ben ik van oordeel dat de vergunning volledig moet worden ingetrokken’; Overwegende dat, gezien het advies van de dienst der Springstoffen, de verdere uitbating van deze inrichting de openbare veiligheid in het gedrang brengt;” 1.
  12. Bij aangetekende brief van 21 december 2000 wordt namens verzoekster bij de minister van Economie beroep ingesteld tegen het besluit van 7 december
  13. 1.
  14. Op 22 december 2000 neemt de politie van Turnhout opnieuw een grote hoeveelheid vuurwerk in beslag. 1.10.
  15. Bij brief van 27 februari 2001 wordt verzoekster uitgenodigd om te worden gehoord in het kader van haar beroepen tegen de schorsing en de intrekking van haar vergunningen. Van de hoorzitting van 15 maart 2001 wordt een verslag opgemaakt dat overgemaakt wordt aan verzoekster. Bij brief van 2 mei 2001 formuleert de raadsman van verzoekster nog een aantal opmerkingen. IX-3188-7/26 1.10.
  16. In een nota van 21 augustus 2001 brengt de adviseur-generaal van de afdeling veiligheid van het ministerie van Economische Zaken verslag uit aan de minister. Hij stelt voor om de beroepen van verzoekster tegen de schorsing en de intrekking van haar vergunningen te verwerpen. 1.
  17. Bij koninklijk besluit van 4 oktober 2001 wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 7 december 2000 houdende intrekking van de vergunning van verzoekster voor het installeren en exploiteren van een opslagplaats voor feestvuurwerk in haar eigendom te Turnhout bevestigd. Dat besluit vormt het voorwerp van het onderhavige beroep. Het is als volgt gemotiveerd : “Gelet op het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, inzonderheid op de artikelen 8, 23 en 29; Gelet op het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Turnhout van 25 januari 1993 waarbij aan Mevrouw Monica HERMANS vergunning wordt verleend voor het opslaan in haar magazijn POPCORN van feestvuurwerk ten belope van 2 kg pyrotechnische sas; Gelet op het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen van 11 augustus 1994 waarbij aan Mevrouw Monica HERMANS vergunning wordt verleend voor het opslaan in haar magazijn POPCORN van feestvuurwerk ten belope van 50 kg pyrotechnische sas; Gelet op het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen van 10 augustus 2000 houdende schorsing van de vergunning, in toepassing van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, verleend aan Mevrouw Monica HERMANS (POPCORN) voor het installeren en exploiteren van een opslagplaats voor feestvuurwerk in haar eigendom gelegen Paterstraat 25 te Turnhout; Gelet op het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen van 7 december 2000 houdende intrekking van de vergunning, in toepassing van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen, verleend aan Mevrouw Monica HERMANS (POPCORN) voor het installeren en exploiteren van een opslagplaats voor feestvuurwerk in haar eigendom gelegen Paterstraat 25 te Turnhout; IX-3188-8/26 Gelet op het beroep bij de Koning tegen voornoemde besluiten ingesteld door Mevrouw Monica HERMANS; Gelet op het onderzoeksrapport van 21 augustus 2001 van de heer adviseur- generaal-mijningenieur van de Afdeling Veiligheid van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid; Overwegende dat de aanplakking van voornoemde besluiten gebeurd is op 20 september 2000 wat betreft het schorsingsbesluit en op 23 december 2000 wat betreft het intrekkingsbesluit, maar dat deze aanplakkingen niet konden behouden worden wegens weigering vanwege de verzoekster; Overwegende dat het beroep tegen het schorsingsbesluit gedateerd is van 21 september 2000 en het beroep tegen het intrekkingsbesluit gedateerd is van 21 december 2000 en dat, bijgevolg, de termijn van tien dagen voorzien voor de indiening van een beroep nageleefd werd; Overwegende dat de verzoekster verhoord werd tijdens de vergadering te Turnhout, op 15 maart 2001, onder het voorzitterschap van de mijningenieur- directeur van het mijnarrondissement; Overwegende dat de verzoekster de onbevoegdheid oproept van de Bestendige deputatie om het besluit tot intrekking van de vergunning te nemen die, naar de woorden van de verzoekster, door de gemeente Turnhout zou verleend geweest zijn; volgens haar is dit een overtreding van de voorschriften van het artikel 29, tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 23 september 1958; Overwegende dat, in dit opzicht, een inrichting die een vergunning heeft gekregen om meer dan 25 kg pyrotechnische sas op te slaan een opslagplaats van de eerste klasse is, dat artikel 8 van voornoemd koninklijk besluit van 23 september 1958 bepaalt dat de Bestendige deputatie bevoegd is om een vergunning te verlenen voor het exploiteren van een opslagplaats van de eerste klasse en dat de bevoegde overheid aangewezen wordt met inachtneming van het complex; Overwegende dat het besluit door de provincie het besluit genomen door de gemeente vervangt; Overwegende dat krachtens artikel 29, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende de springstoffen, de overheid bevoegd om de vergunning te schorsen of in te trekken de overheid is die haar verleend heeft en dat de Bestendige deputatie bevoegd is om een besluit tot schorsing of intrekking van de eerder verleende vergunning te nemen; Overwegende dat het middel afgeleid uit de onbevoegdheid van de Bestendige Deputatie niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster het argument betwist op basis waarvan het bestreden besluit genomen werd, te weten het feit dat de openbare veiligheid in gevaar wordt gebracht door haar exploitatie voor zover de hoeveelheden feestvuurwerk die de verzoekster mocht opslaan (50 kg pyrotechnische sas) duidelijk en herhaaldelijk overschreden werden; Overwegende dat de verzoekster beweert dat de vergunde hoeveelheden slechts tijdelijk werden (wegens de feesten in het kader van de overgang naar het jaar 2000 en de tijd nodig voor het vervoer en het ophalen van de voorraad feestvuurwerk) en dat de nodige maatregelen werden getroffen voor het ophalen IX-3188-9/26 van het teveel aan pyrotechnische sas, dat ze hieraan toevoegt dat bepaalde soorten feestvuurwerken niet mochten verkocht worden wegens de slechte staat van het materieel; Overwegende dat de verzoekster wijst op het gebrek aan evenredigheid van de maatregel genomen bij het besluit van de Bestendige Deputatie en van de feitelijke situatie waarin zij zich bevindt omdat de verzoekster verklaart haar situatie in orde te hebben gebracht op het moment dat de Bestendige Deputatie op 10 augustus 2000 een besluit tot schorsing van haar vergunning had genomen; Overwegende dat de verzoekster eveneens beweert dat de exploitatie van haar voorraad slechts een mogelijk gevaar voor de openbare veiligheid inhield en dat, indien de openbare veiligheid werkelijk in het gedrang zou gekomen zijn, een besluit tot schorsing of intrekking van de vergunning veel vroeger moest genomen geweest zijn, gelet op de hoogdringendheid; Overwegende evenwel dat de dienst der Springstoffen, wat het betreft, een advies heeft uitgebracht omtrent de beslissing tot intrekking van de vergunning omdat hij, na inventaris van het in beslag genomen materieel, vastgesteld heeft dat er een aantal inbreuken op het voornoemde koninklijk besluit van 23 september

(1958)waren geweest, namelijk : - de opslag van een duidelijk te grote hoeveelheid pyrotechnische sas (bij een eerste inbeslagname op 14 november 2000 heeft de dienst der Springstoffen vastgesteld dat de verzoekster in feite 541 kg pyrotech- nische sas had opgeslagen en bij een tweede inbeslagname, bleek uit de inventaris dat er 247 kg pyrotechnische sas in de lokalen van de exploitatie van de verzoekster opgeslagen waren); - de opslag van vuurwerk op plaatsen niet bepaald bij het vergunnings- besluit (binnenplaats van gebouw, voertuigen, kamers, verkoopruimten, zolder, garage, ...); - het niet bijhouden van een register waarin de gekochte en verkochte hoeveelheden ingeschreven worden, overeenkomstig artikel 263 van voornoemd koninklijk besluit; - de opslag van spektakelvuurwerk niet bestemd voor particulieren, zonder dat het vergunningsbesluit hierin voorziet; Overwegende dat, in dergelijke omstandigheden, de exploitatie van de verzoekster de openbare veiligheid sterk in het gedrang brengt en dat een koninklijk besluit tot bevestiging van het besluit van de Bestendige deputatie van de Provincieraad van Antwerpen niet alleen evenredig lijkt maar zo vlug mogelijk moet genomen worden, gelet op het schorsend karakter van het beroep (artikel 29, vierde lid, van voornoemd koninklijk besluit); Overwegende dat het tijdelijk karakter van het teveel aan feestvuurwerk, het feit dat sommige soorten buiten gebruik zijn en de stappen die door de verzoekster bij de brandweer en de dienst leefmilieu ondernomen werden voor het ophalen van het teveel aan feestvuurwerk niets ontnemen aan het gevaar voor de openbare veiligheid, des te meer daar de exploitatie zich in een dichtbevolkt gebied bevindt; Overwegende dat dit middel ongegrond is;” IX-3188-10/26 2.
  1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de hoorplicht, van het fair-playbeginsel, van de rechten van verdediging en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen (hierna : het ARS), doordat het bestreden besluit “gebruik maakt van stukken die niet bekend zijn aan verzoekster”, terwijl zij in kennis gesteld had moeten worden van die cruciale stukken en zij de kans had moeten krijgen om haar standpunt daarover ter kennis van het bestuur te brengen; dat zij het middel op de volgende wijze toelicht: zij heeft geen kennis gekregen van het verzoek van de burgemeester van 31 juli 2000 om haar vergunning te schorsen, noch van de uitslag van de inbeslagname waarop dat verzoek gesteund is, ook niet van het advies van de dienst Springstoffen of van de vaststellingen waarop dat advies steunt -inzonderheid een inbeslagname van 14 november 2000 en een zogenaamde ‘tweede inbeslagname’ is haar onbekend- en evenmin van het onderzoeksrapport van 21 augustus 2001 van de adviseur-generaal van de afdeling Veiligheid van het ministerie van Economische Zaken en daarmee heeft de verwerende partij de wet van 29 juli 1991 geschonden; er heeft een hoorzitting plaatsgevonden op 15 maart 2001, maar zij is nooit in kennis gesteld van het feit dat, toen reeds, het bestuur de intrekking van haar vergunning op het oog had en bovendien heeft zij zich niet kunnen verweren tegen het -haar niet ter kennis gebrachte- advies van de dienst Springstoffen en het advies van 21 augustus 2001 van de adviseur-generaal, hetgeen een schending van de hoorplicht uitmaakt evenals een miskenning van het fair-playbeginsel in de mate dat de overheid decisieve stukken aan de kennisneming van verzoekster onthouden heeft; 2.
  2. Overwegende dat de verwerende partij daar eerst tegenover stelt dat, wanneer een verzoeker in staat is om inhoudelijk kritiek te uiten op de motieven van een besluit, hij zich niet deugdelijk op de schending van de formele motiveringsverplichting kan beroepen; dat zij dan, ten gronde, betoogt dat de inhoud van de verschillende “stukken of elementen” die in het bestreden besluit worden IX-3188-11/26 vermeld, ofwel vooraf ter kennis van verzoekster gebracht waren ofwel in het bestreden besluit zelf “op afdoende wijze worden weergegeven”, hetgeen zij als volgt toelicht: het bestreden besluit vermeldt de precieze hoeveelheid pyrotechni- sche sas dat op 25 mei 2000 in beslag genomen is en het maakt ook melding van de opslag van niet-vergund spektakelvuurwerk en van de opslag van vuurwerk buiten de vergunde lokaties; die gegevens waren “reeds lang aan verzoekster bekend”, aangezien er melding van was gemaakt in de beslissingen van de bestendige deputatie tot schorsing en intrekking van de vergunning, en verzoekster heeft die vaststellingen in haar beroepschrift waarover het bestreden besluit uitspraak doet, niet betwist; hetzelfde geldt voor het verzoek van de burgemeester om de vergunning van verzoekster te schorsen en voor het advies van de dienst Springstof- fen; de verwijzing naar de zogenaamde inbeslagname van 14 november 2000 houdt verband met de inbeslagname van 25 mei 2000, de verwijzing naar een “tweede inbeslagname” houdt verband met de -door verzoekster wel bekende- vaststellingen die de politie op 22 december 2000 in haar instelling gedaan heeft en het onderzoeksrapport van 21 augustus 2001 van de adviseur-generaal berust op vaststaande feiten en wordt in het bestreden besluit bijna in extenso overgenomen; er is bijgevolg dan ook geen sprake van de miskenning van de formele motiverings- wet; dat zij voorts van oordeel is dat verzoekster meermaals de gelegenheid gehad heeft om tijdens het besluitvormingsproces haar standpunt naar voren te brengen: zij tekende beroep aan tegen de schorsings- en intrekkingsbeslissing van de bestendige deputatie, zij werd op 15 maart 2001 gehoord, daarbij is de chronologie van het dossier in herinnering gebracht en heeft zij schriftelijk kunnen reageren op het proces-verbaal van het verhoor en in het bestreden besluit is het beroepschrift van verzoekster weerlegd; dat zij daar in het algemeen aan toevoegt dat de rechten van de verdediging slechts gelden in tuchtaangelegenheden en dat de hoorplicht - inclusief de mededeling van de aard van de voorgenomen maatregel- slechts geldt wanneer een ernstige maatregel wordt overwogen die steunt op het persoonlijk gedrag van de betrokkene, maar dat zulks te dezen niet het geval is, aangezien het gaat om een maatregel die de openbare veiligheid aanbelangt, die steunt op feiten die voor eenvoudige vaststelling vatbaar zijn, die de handelsactiviteit van verzoekster slechts in beperkte mate beïnvloedt en die bij hoogdringendheid IX-3188-12/26 genomen moest worden; dat zij ook nog betoogt dat verzoekster van bij de eerste inbeslagname van 25 mei 2000 goed wist dat zij een schorsing of een intrekking van haar vergunning riskeerde -daarom vroeg zij onmiddellijk een uitbreiding van haar vergunning aan- en dat overigens de betrokken reglementering op een bijzondere wijze de rechten van de titularis van een vergunning regelt aangezien de beslissing in eerste aanleg over de schorsing of de intrekking van de vergunning, geschorst wordt door het beroep dat de betrokkene ertegen instelt en hij aldus de bijzondere garantie heeft dat hij, in het kader van dat beroep, zijn standpunt aan het bestuur kan doen kennen; dat zij besluit dat verzoekster niet aantoont op welke wijze het bestreden besluit artikel 23 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 zou miskennen; 2.
  3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord onderstreept dat zij in het middel wezenlijk de schending aanvoert van de formele motiveringswet, doordat het bestreden besluit “verwijst naar stukken die haar niet bekend (gemaakt) zijn”, die niet afdoende gemotiveerd zijn of die niet expliciet bijgevallen worden zoals het advies van de dienst Springstoffen, het onderzoeksrapport van de adviseur-generaal en de politierapporten met de hoeveelheden van de in beslag genomen goederen; dat zij daar, wat de schending van de hoorplicht betreft, nog aan toevoegt dat zij nooit kennis gekregen heeft van het advies van de dienst Springstoffen of van het onderzoeksrapport van 21 augustus 2001 en zich dienaangaande derhalve niet heeft kunnen verdedigen; dat zij daarbij toelicht dat zij wel beroep aangetekend heeft tegen de beslissingen van de bestendige deputatie, maar dat zij dat heeft moeten doen zonder over “de meest cruciale informatie” te beschikken, te weten het advies van de dienst Springstoffen van 14 november 2000; 2.
  4. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog herhaalt dat het advies van de dienst Springstoffen van 14 november 2000 haar niet ter kennis gebracht is, dat het niet in het administratief dossier opgenomen is en dat het bestreden besluit het ook niet inhoudelijk weergeeft; dat zij ook nog aanstipt dat het bestreden besluit haar belangen wel ernstig schaadt, aangezien de verkoop van IX-3188-13/26 vuurwerk een grote opbrengst genereerde en zij belangrijke schade lijdt door het wegvallen van die verkoop; 2.5.
  5. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de overheid verplicht in de akte zelf, en zulks op afdoende wijze, de feitelijke en de juridische gegevens te vermelden die aan het besluit ten grondslag liggen; dat krachtens de materiële motiveringsverplichting -een beginsel van behoorlijk bestuur- elke administratieve beslissing moet stoelen op motieven die blijkens de gegevens van het dossier, een voldoende feitelijke grondslag hebben en die in rechte aanvaardbaar zijn; Overwegende dat de materiële motiveringsverplichting niet inhoudt dat het bestuur zijn beslissingen slechts mag steunen op feiten of docu- menten die vooraf aan de betrokkene ter kennis gebracht zijn; dat ook de formele motiveringsverplichting niet insluit dat een beslissing geen melding zou mogen maken van stukken die niet vooraf aan de betrokkene bekend waren; 2.5.2.
  6. Overwegende dat in het bestreden besluit uiteengezet wordt waarom de middelen die verzoekster in haar beroepschrift had uiteengezet, niet bijgevallen worden; dat het bestreden besluit daarmee, vanuit formeel oogpunt, terdege gemotiveerd is; 2.5.2.
  7. Overwegende dat uit het dossier van de zaak blijkt wat volgt: op 25 mei 2000 heeft de politie van Turnhout proces-verbaal opgesteld aangaande de aanwezigheid en de inbeslagname van grote hoeveelheden vuurwerk en de onverantwoorde wijze van opslag; de burgemeester heeft onmiddellijk voorlopige maatregelen genomen om de openbare veiligheid te verzekeren en op 31 juli 2000 heeft hij de bestendige deputatie op gemotiveerde wijze gevraagd de vergunning van verzoekster te schorsen; onder formele verwijzing naar de motieven die de burgemeester in zijn verzoek had opgegeven, heeft de bestendige deputatie de vergunning op 10 augustus 2000 om dringende redenen geschorst, met de expliciete vermelding dat voor een definitieve beslissing over het al dan niet intrekken van de IX-3188-14/26 vergunning, het advies van de dienst Springstoffen van het ministerie van Economische Zaken ingewonnen moest worden; dat besluit is in extenso aan verzoekster medegedeeld en zij heeft daartegen op 18 september 2000 het door artikel 23 ARS ingestelde beroep ingediend; om reden dat bij de zoeking van 20 mei 2000 zeer ernstige inbreuken zijn vastgesteld, adviseert de dienst Springstoffen op 14 november 2000 aan de bestendige deputatie de vergunning van verzoekster in te trekken; op 7 december 2000 trekt de bestendige deputatie de vergunning effectief in, steunend op het voormeld advies dat in het besluit volledig wordt overgeschreven; het intrekkingsbesluit wordt in extenso aan verzoekster mede- gedeeld en ook daartegen stelt zij het door artikel 23 ARS ingestelde beroep in; op 22 december 2000 worden bij verzoekster nieuwe overtredingen van de ARS- wetgeving vastgesteld; op 15 maart 2001 wordt verzoekster gehoord in het kader van haar beroepen en krijgt zij de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal dat van de hoorzitting opgemaakt is; in een nota van 21 augustus 2001 geeft de adviseur-generaal van de dienst Veiligheid van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid ten behoeve van de minister een uiteenzetting van de argumentatie die verzoekster in haar beroepschrift naar voren heeft gebracht, duidt hij aan waarom naar zijn oordeel het beroep verworpen moet worden en legt hij een ontwerpbesluit voor waarin die argumentatie wordt overgenomen; Overwegende uit het hiervoor vermelde relaas blijkt dat verzoekster in de loop van de procedure kennis heeft gekregen van de inhoud van alle documenten die de verwerende partij in haar onderzoek betrokken heeft en dat zij ook kennis had van de precieze redenen op grond waarvan de verwerende partij de vergunning zou intrekken; dat de omstandigheid dat het bestreden besluit ook verwijst naar het “onderzoeksrapport” van 21 augustus 2001 van de adviseur- generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid, terwijl dat stuk haar als zodanig niet ter kennis gebracht is, het besluit niet onwettig maakt, aangezien het een verslag betreft waarin de administratie ten behoeve van de minister, ter afsluiting van het onderzoek, een voorstel van beslissing formuleert waarvan de wezenlijke gegevens overgenomen zijn in het bestreden koninklijk besluit; IX-3188-15/26 Overwegende aldus dat, inhoudelijk, het bestreden besluit steunt op de vaststellingen die in de inrichting van verzoekster gebeurd zijn en waarover processen-verbaal opgesteld zijn die bewijswaarde hebben tot het tegendeel aangetoond is; dat op grond van die vaststellingen het bestuur heeft besloten dat de voorwaarden van de verleende vergunning niet nageleefd waren en dat zodoende de openbare veiligheid bedreigd werd; dat die gegevens de intrekking van de vergunning kunnen verantwoorden; dat de verwerende partij daarmee voldaan heeft aan de materiële motiveringsverplichting; 2.5.
  8. Overwegende dat verzoekster zich ten onrechte beroept op de schending van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging, dat als zodanig enkel in strafzaken en, bij uitbreiding, in tuchtaangelegenheden toepassing vindt; 2.5.
  9. Overwegende dat verzoekster ook verwijst naar de schending van de hoorplicht; dat dit beginsel van behoorlijk bestuur de overheid ertoe verplicht om, telkens zij zich voorneemt een maatregel te treffen die de bestuurde ernstig in zijn belangen schaadt, aan de betrokkene de gelegenheid te geven zijn standpunt naar voren te brengen, hetgeen hij slechts nuttig zal kunnen doen wanneer hij kennis heeft van de wezenlijke gegevens waarop het bestuur zijn voornemen steunt; Overwegende dat het pasvermelde beginsel van behoorlijk bestuur geen toepassing vindt wanneer de betrokken regelgeving de rechten van de bestuurde expliciet regelt; dat te dezen artikel 29 van het ARS aldus voorziet in de mogelijkheid voor de betrokkene om een beroep met schorsende werking in te stellen tegen een intrekkingsbesluit van de bestendige deputatie; dat ter gelegenheid van dat beroep, de bestuurde zijn middelen van verdediging ter kennis kan brengen van de overheid die de eindbeslissing neemt en dat zulks voor deze overheid de verplichting oproept om dat verweer in haar besluitvorming te betrekken; Overwegende dat uit de feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster, op het ogenblik dat zij beroep instelde tegen het besluit van de IX-3188-16/26 bestendige deputatie, een voldoende kennis had van de gegevens die de verwerende partij in haar besluitvorming betrokken heeft; dat immers, als hoger gesteld, het besluit van de bestendige deputatie om de vergunning te schorsen uitdrukkelijk melding maakt van het verzoek van de burgemeester om de vergunning op te schorten en dat het de motivering van dat verzoek overneemt; dat het advies van de dienst Springstoffen van 14 november 2000 woordelijk overgenomen is in het besluit van 7 december 2000 van de bestendige deputatie tot intrekking van de vergunning en dat in dat advies verwezen wordt naar de inbreuken op het ARS welke de dienst heeft vastgesteld; Overwegende dat verzoekster, na het instellen van het beroep, door de verwerende partij gehoord is; dat zij op dat ogenblik beschikte over de gemotiveerde beslissingen van de bestendige deputatie waarbij haar vergunning in eerste aanleg geschorst en ingetrokken was; dat zij, als rechtstreeks betrokkene, ook niet onwetende was van het onderzoek dat op 25 mei 2000 en 22 december 2000 in haar instelling is gebeurd en waarbij verschillende inbreuken op de ARS- reglementering aan de oppervlakte gekomen zijn; dat tenslotte de nota van 21 augustus 2001 van de adviseur-generaal, naar dewelke het bestreden besluit ook verwijst, niets anders is dan een voorstel van beslissing dat rekening houdt met alle elementen van het samengestelde dossier -ook met het verhoor van verzoekster- en dat niet meer aan de tegenspraak van verzoekster onderworpen moest worden; dat met die gegevens voor ogen, verzoekster niet deugdelijk kan voorhouden dat zij zich niet naar behoren heeft kunnen verweren tegen het voornemen van het bestuur om haar vergunning in te trekken; dat derhalve ook niet aangetoond is dat de verweren- de partij het beginsel van de fair-play geschonden zou hebben; 2.5.
  10. Overwegende tenslotte dat verzoekster niet aantoont op welke wijze het bestreden besluit een schending zou inhouden van artikel 23 ARS, waarbij het beroep tegen een beslissing van de bestendige deputatie ingesteld wordt en waarbij de nadere regels van dat beroep geregeld worden; 2.
  11. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; IX-3188-17/26 3.
  12. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheids- beginsel en van artikel 23 ARS, doordat het bestreden besluit steunt op een aantal niet bewezen inbreuken, terwijl een beslissing gedragen moet worden door een correcte motivering, zij het bewijs moet bevatten van de feitelijke vaststellingen waarop zij steunt en zij ook moet verwijzen naar de normen die geschonden zijn; dat zij het middel op de volgende wijze toelicht: zij heeft een vergunning gekregen voor 50 kg pyrotechnische sas -dit zijn de scheikundige producten die aan het vuurwerk zijn gewenste effecten kunnen geven- en daarmee is aangetoond dat het bestuur geen reëel gevaar zag voor de openbare veiligheid; met het bestreden besluit wordt de openbare veiligheid nu wel bedreigd geacht, maar om die stelling te onderbou- wen verwijst het besluit enkel naar een advies van de dienst Springstoffen dat haar niet ter kennis gebracht is en dat slechts zeer vaag verwijst naar een aantal inbreuken op het ARS die overigens niet terdege bewezen zijn -een te grote hoeveelheid opgeslagen pyrotechnische sas; opslag op niet vergunde plaatsen; afwezigheid van register; opslag van spektakelvuurwerk-; bovendien verwijst het bestreden besluit naar de hoogdringendheid waarmee moest opgetreden worden, maar die hoog- dringendheid wordt tegengesproken door het feit dat het bestreden besluit slechts op 21 november 2001 te haren kennis gebracht is; 3.
  13. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: in de vergunningen die aan verzoekster zijn toegekend wordt nauwkeurig omschreven onder welke voorwaarden vuurwerk mag opgeslagen worden en mits naleving van die voorwaarden bestond er geen gevaar voor de openbare veiligheid; de feiten waarop het bestreden besluit steunt staan vast, aangezien zij vastgesteld zijn door politieagenten en ambtenaren van de dienst Springstoffen van het ministerie van Economische Zaken; van een groot tijdsverloop tussen de vast- stellingen en het treffen van het bestreden besluit is geen sprake aangezien het bestuur kort na de vaststellingen van 25 mei 2000 maatregelen getroffen heeft -de schorsing en de intrekking door de bestendige deputatie-, aangezien de afhandeling van de door verzoekster ingeleide beroepsprocedure heel wat tijd in beslag genomen IX-3188-18/26 heeft maar dat zij -naar blijkt uit de opeenvolging van de verschillende procedurestappen- daarbij geen tijd verloren heeft laten gaan; 3.
  14. Overwegende dat verzoekster noch in haar memorie van wederantwoord noch in haar laatste memorie wezenlijke gegevens aan haar uiteenzetting toevoegt; 3.4.
  15. Overwegende, wat de schending van de formele motiverings- verplichting betreft, dat verwezen wordt naar de bespreking van het eerste middel; 3.4.
  16. Overwegende dat krachtens artikel 2 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen, de ambtenaren van de dienst der Springstoffen bevoegd zijn om de overtredingen op te sporen en vast te stellen in processen-verbaal “die bewijskracht hebben tot het tegendeel bewezen is”; dat verzoekster niet betwist dat de politie van Turnhout proces-verbaal opgesteld heeft van de vaststellingen die zij op 25 mei 2000 en 22 december 2000 in de inrichting van verzoekster gedaan heeft; dat ook de dienst der Springstoffen dienaangaande verslagen heeft opgesteld waaruit gebleken is dat verzoekster een aantal inbreuken op het ARS heeft gepleegd; dat verzoekster ter zake geen tegenbewijs levert; dat de verwerende partij zich dan ook terecht op die vaststellingen heeft gesteund om de vergunning van verzoekster in te trekken; 3.4.
  17. Overwegende dat de verwerende partij terecht stelt dat uit de opeenvolging van de verschillende procedurestappen duidelijk blijkt dat het besluitvormingsproces niet onredelijk lang aangesleept heeft; dat verzoekster dan ook, met de verwijzing naar dat tijdsverloop, niet aantoont dat de verwerende partij de bedreiging van de openbare veiligheid zelf niet al te hoog inschatte; Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; IX-3188-19/26 4.
  18. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van het proportionaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel en van artikel 23 ARS, doordat het bestreden besluit stelt dat de uitbating een gevaar voor de openbare veiligheid betekent, dat de intrekking van de vergunning redelijk is, dat de desbetreffende beslissing dringend getroffen moet worden en dat de argumenten die zij in haar beroepschrift aanvoerde aan dat vastgestelde gevaar niets afdoen, terwijl dat gevaar voor de openbare veiligheid op geen enkele wijze bewezen wordt, terwijl het bestreden besluit slechts een jaar na de beslissing van de bestendige deputatie tot stand gekomen is en terwijl zij alles in het werk heeft gesteld om zich in regel te stellen met de voorwaarden van de vergunning; dat zij bij het middel de volgende toelichting geeft: door haar een vergunning te verlenen toonde het bestuur aan dat er geen gevaar was voor de openbare veiligheid; de ommezwaai van het bestuur -te weten dat de openbare veiligheid plots wel bedreigd werd- is er gekomen na een advies van de dienst der Springstoffen, maar toen de bestendige deputatie besloot tot de intrekking van haar vergunning waren de vastgestelde feiten reeds achterhaald en had het “teveel aan vuurwerk”, dat bij haar was vastgesteld, enerzijds betrekking op een tijdelijke situatie waarvoor zij met de brandweer en de gemeentelijke milieudienst een oplossing had gezocht en ging het anderzijds om een hoeveelheid vuurwerk dat beschadigd was en daarom onverkoopbaar was; 4.
  19. Overwegende dat de verwerende partij het middel als volgt beantwoordt: de intrekkingsbeslissing steunt op de vaststelling dat verzoekster de voorwaarden van de vergunningen die haar waren toegekend, niet naleefde en dat haar handelwijze de openbare veiligheid in gevaar bracht; daarmee heeft zij geen “plotse ommezwaai” bewerkstelligd; zij heeft rekening gehouden met de argumen- ten die verzoekster in de loop van het besluitvormingsproces heeft aangebracht, maar is tot de vaststelling gekomen dat die gegevens niets afdeden aan het gevaar voor de openbare veiligheid; overigens is, nadat de vergunning van verzoekster geschorst was, een tweede keer -op 22 december 2000- vastgesteld moeten worden dat zij de voorwaarden van haar vergunning niet naleefde; dat alles toont aan dat de opgelegde maatregel redelijk is en evenredig met het nagestreefde doel; IX-3188-20/26 4.
  20. Overwegende dat uit de uiteenzetting van verzoekster niet blijkt dat de verwerende partij kennelijk onredelijk heeft gehandeld wanneer zij op grond van een aantal vaststellingen door de terzake bevoegde personen, waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster op een aantal punten die evident rechtstreeks de openbare veiligheid aanbelangen, de voorwaarden van haar vergunning niet naleefde -opslag van niet-vergund vuurwerk; opslag op niet-vergunde plaatsen; opslag van een niet- vergunde hoeveelheid-, de conclusie haalt dat er reden is om de vergunning in te trekken; dat noch de omstandigheid dat zij zich in de loop van de procedure in regel zou gesteld hebben -wat overigens zeer betwistbaar is aangezien op 22 december 2000 nog ernstige inbreuken zijn vastgesteld-, noch de -evenmin bewezen- verwijzing naar het “tijdelijk” karakter van de overtreding of naar de onverkoop- baarheid van een zekere hoeveelheid vuurwerk, van aard zijn om de kennelijke onredelijkheid van het intrekkingsbesluit aan te tonen; dat het middel niet gegrond is; 5.
  21. Overwegende dat verzoekster in het vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 23 en 29, tweede lid, ARS, van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet en van het motiveringsbeginsel, doordat alleen het college van burgemeester en schepenen bevoegd was om de vergunning, die dat college haar op 25 januari 1993 had verleend, in te trekken; dat zij daarbij betoogt dat de intrekking van dat besluit van 25 januari 1993 strijdig is met de overweging in het bestreden besluit dat de vergunning verleend door de bestendige deputatie de vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen vervangen heeft; 5.
  22. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat uit de termen van het besluit van het college van burgemeester en schepenen enerzijds en van het besluit van de bestendige deputatie anderzijds, duidelijk blijkt dat het eerstvermelde besluit door het laatstgenoemde vervangen is, aangezien de voorwaarden van de beide vergunningen niet verenigbaar zijn; dat zij daaraan toevoegt dat de omstandigheid dat het bestreden besluit naar de twee “vergunningen” verwijst dat besluit niet onregelmatig maakt; IX-3188-21/26 5.
  23. Overwegende dat de vergunning van 11 augustus 1994 van de bestendige deputatie in de plaats gekomen is van de vergunning die het college van burgemeester en schepenen op 25 januari 1993 had verleend; dat zulks niet alleen afgeleid kan worden uit het feit dat, zoals de verwerende partij uiteenzet, de voorwaarden van de tweede vergunning niet samen kunnen gaan met de voor- waarden van de eerste vergunning, maar dat de bestendige deputatie in haar vergunningsbesluit van 11 augustus 1994 -artikel 12- formeel vastgesteld heeft dat “de vergunning, afgeleverd door het College van Burgemeester en Schepenen van Turnhout, d.d. 25 januari 1993, ingetrokken (wordt) nadat het in artikel 11 vermelde proces-verbaal van schouwing [dat de inwerkingstelling van de nieuw vergunde installaties mogelijk heeft gemaakt] werd afgeleverd”; dat de vergunning van het college van burgemeester en schepenen daarmee definitief buiten werking gesteld is, zodat het bestreden besluit enkel betrekking kon hebben op het besluit van de bestendige deputatie; dat het middel feitelijke grondslag mist; 6.
  24. Overwegende dat verzoekster in het vijfde middel de schending aanvoert van artikel 23 ARS, doordat het bestreden besluit gewag maakt van en steunt op een tweede inbeslagname van vuurwerk -van 22 december 2000-, terwijl die inbeslagname dagtekent van na het besluit van de bestendige deputatie waartegen zij beroep had ingesteld; dat volgens haar de verwerende partij geen rekening mocht houden met dat gegeven omdat het “geen deel uitmaakte van de beslissing waartegen beroep werd aangetekend”; 6.
  25. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het instellen van een georganiseerd administratief beroep betekent dat de beroeps- instantie de aanvraag zowel wat haar legaliteit als haar opportuniteit betreft moet onderzoeken, dat zij dienvolgens rekening mocht houden met feiten die dagtekenen van na het beroepen besluit en dat in ieder geval “de overige motieven” volstaan om de intrekking van de vergunning te rechtvaardigen; IX-3188-22/26 6.
  26. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord haar stelling adstrueert met een verwijzing naar het arrest nr. 44.587 van 19 oktober 1993 inzake bvba PENA REAL MADRID en cs.; 6.
  27. Overwegende dat de verwerende partij terecht stelt dat de verwerende partij, beslissend overeenkomstig artikel 23 van het ARS, als admini- stratieve overheid uitspraak doet over een bij haar ingesteld beroep, dat zij in dat kader de bevoegdheid heeft om de aangelegenheid opnieuw te bekijken met inachtneming van alle gegevens die haar worden voorgelegd en dat zij zich derhalve niet moet beperken tot het onderzoek van de argumenten die tegen het beroepen besluit worden ingeroepen; dat verzoekster in dat verband niet relevant verwijst naar het arrest nr. 44.587 van 19 oktober 1993, waarin alleen maar vastgesteld is dat een overheid geen rekening gehouden kan hebben met vaststellingen die gebeurd zijn nadat het bestreden besluit was getroffen; dat het middel niet gegrond is; 7.
  28. Overwegende dat verzoekster in het zesde middel de schending aanvoert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en van artikel 23 ARS doordat haar vergunning wordt ingetrokken, terwijl de vergunning van andere handelaars die zich in een gelijkaardige situatie bevinden niet ingetrokken wordt; dat zij verwijst naar de situatie in Baarle-Hertog waar vijf winkels in het dichtbevolkte centrum vuurwerk verkopen en naar een winkel in het centrum van Deurne die “recentelijk” nog een verlenging heeft gekregen van haar vergunning voor “een opslag van 2000 kg pyrotechnisch sas”, dit is veertig maal de opslagmogelijkheid van verzoekster; dat zij daar nog aan toevoegt dat zij, zonder huiszoekingsbevel, het voorwerp uitgemaakt heeft van een controle in haar privé-vertrekken; 7.
  29. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt : van de schending van het gelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer het gaat om vergelijkbare situaties; verzoekster bewijst terzake niets; bovendien wordt elke vergunning verleend op grond van gegevens die voor elke inrichting specifiek onderzocht zijn; het bestreden besluit is getroffen op grond van de vaststelling dat verzoekster de voorwaarden van haar vergunning niet naleefde, IX-3188-23/26 waardoor haar situatie niet vergelijkbaar is met die handelszaken welke de voor- waarden van hun vergunning wel naleven; van een discriminatie doordat zij zonder huiszoekingsbevel gecontroleerd zou zijn geworden is evenmin sprake, aangezien zij overeenkomstig de voorwaarden die de bestendige deputatie in haar vergunning had bepaald, haar opslagplaats diende open te stellen voor controle door de bevoegde ambtenaren; 7.
  30. Overwegende dat verzoekster niet aantoont dat de handelszaken met wie zij haar situatie vergelijkt, zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met de hare, te weten die van een onderneming wier vergunning ingetrokken wordt omdat zij zich niet conformeert aan de voorwaarden van de vergunning en daardoor de openbare veiligheid in het gedrang bracht; dat voor het overige de omstandigheid dat er in haar privé-vertrekken een huiszoeking zou gevoerd zijn zonder huiszoekingsbevel, geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt; dat het zesde middel niet gegrond is; 8.
  31. Overwegende dat verzoekster in het zevende middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 23 ARS, doordat de bestendige deputatie op 10 augustus 2000 haar vergunning geschorst heeft en zij vervolgens deze vergunning op 7 december 2000 ingetrokken heeft, zonder enige motivering op te geven voor de verzwaring van de maatregel die door de bestendige deputatie was bevolen; dat zij terzake toelicht dat het bestreden besluit nergens verantwoordt waarom de bestendige deputatie, nadat zij de vergunning geschorst had, toch kon overgaan tot de intrekking en de origineel besloten maatregel aldus ernstig kon verzwaren; 8.
  32. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: de intrekkingsbeslissing is geen verzwaring van de schorsingsbeslissing, maar een definitieve maatregel die in het verlengde ligt van een schorsing die steunt op prima facie gemaakte vaststellingen; in ieder geval volstaat de in het bestreden besluit aangehaalde motivering om de intrekking te verantwoorden; IX-3188-24/26 8.
  33. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat, in het licht van de wet van 29 juli 1991, het bestreden besluit terdege gemoti- veerd is; dat niet wordt ingezien op welke wijze artikel 23 ARS zou beletten dat een vergunning, die het voorwerp heeft uitgemaakt van een schorsingsbeslissing, vervolgens definitief ingetrokken wordt; dat te dezen overigens reeds in het schorsingsbesluit was aangegeven dat er, na het inwinnen van het advies van de dienst der Springstoffen, uitspraak zou gedaan worden over het definitief intrekken van de vergunning van verzoekster; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. IX-3188-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3188-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.