id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.592 Rolnummer: A. 74564/IX-2196 Zaak: Arrest 142592 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:24 Fiche Arrest nr 142.592 van 24 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.592 van 24 maart 2005 in de zaak A. 74.564/IX-2196. In zake : 1. Chantal HAEZEBROUCK, wonende te KNOKKE-HEIST, Sint-Jozefstraat 79, 2. Ingrid DEMEESTER, wonende te BRUGGE, Drukkersstraat 22, 3. Rita DE SUTTER, wonende te LAARNE, Jozef Van De Veldestraat 25 tegen : het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Chantal HAEZEBROUCK, Ingrid DE MEESTER en Rita DE SUTTER op 4 juni 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van ongekende datum van het beheerscomité van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, hen meegedeeld op 13 mei 1997, waarbij Roland DE WINDT, Vera BAEYENS, François VAN CAUWENBERGH, Fredy COESSENS, Myriam VANDENPLAS en Marie-Jeanne D’HOYE worden bevorderd tot weddeschaal 30F met ingang van 1 september 1995; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; IX-2196-1/13 Gelet op de beschikking van 14 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeksters; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens. 1.1. Het personeelskader van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, zoals vastgesteld door het koninklijk besluit van 23 juni 1995, bevat 200 betrekkingen van klerk, 81 in de centrale diensten en 119 in de gewestelijke diensten, waarvan er veertig worden bezoldigd volgens de weddeschaal 30F. 1.2. De zevende trap van het taalkader, bestaande uit de graden van de rangen 30 en 32, bevat 47 betrekkingen in het Nederlandse taalkader en 36 in het Franse taalkader, in totaal 83, zijnde 81 betrekkingen van klerk en twee betrekkingen van werkmeester en vakman. IX-2196-2/13 1.3. Op 5 augustus 1996 verklaart de administrateur-generaal de veertig betrekkingen van klerk in de weddeschaal 30F vacant. Deze betrekkingen kunnen overeenkomstig de statutaire bepalingen worden toegewezen door bevordering door verhoging in weddeschaal aan ambtenaren met de graad van klerk die ten minste zes jaar graadanciënniteit tellen. De bevordering dient te worden verleend in de volgende volgorde :
- a)de kandidaat met de beste beoordeling;
- b)onder de kandidaten met dezelfde beoordeling, aan de kandidaat die het best gerangschikt is volgens de anciënniteitsrangschikking. 1.4. In een mededeling aan het personeel van 5 augustus 1996 wordt de rangschikking van de in aanmerking komende personeelsleden meegedeeld en de namen van de personen wiens benoeming naar weddeschaal 30F wordt voorgesteld. Eerste, tweede en derde verzoekster komen respectievelijk op de achtentwintigste, drieëndertigste en eenendertigste plaats in de anciënniteitsrangschikking en bevinden zich onder de voorgestelde kandidaten. Roland DE WINDT, Vera BAEYENS en François VAN CAUWENBERGH zijn eveneens gunstig gerangschikt. Fredy COESSENS, Myriam VANDENPLAS en Marie-Jeanne D’HOYE komen daarentegen te ver achteraan in de anciënniteitsrangschikking om nog voorgesteld te kunnen worden. 1.5. In het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 1996 wordt de omzendbrief nr. 438 van 29 juli 1996 van de minister van Ambtenarenzaken betreffende de verdeling van de betrekkingen die met bepaalde weddeschalen bezoldigd zijn, gepubliceerd. Daarin is gesteld dat volgens adviezen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht bij de toekenning van elke bevordering door verhoging in weddeschaal die afhankelijk is van een vacature van betrekking, rekening gehouden moet worden met de taalverhouding die van toepassing is op de overeenkomstige trap van de hiërarchie. IX-2196-3/13 1.6. Op 19 september 1996 vraagt de administrateur-generaal van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan de minister van Ambtenarenzaken of de genoemde omzendbrief ook van toepassing is op reeds lopende bevorderingsprocedures. Op 22 oktober 1996 antwoordt de minister dat de genoemde omzendbrief geen nieuwe regels invoert maar enkel toelichting geeft bij de bestaande wetgeving en dat hij bijgevolg ook van toepassing is op de nog lopende bevorderingsprocedures. 1.7. De administrateur-generaal besluit de lopende bevorderingsproce- dure te beëindigen en een nieuwe procedure aan te vatten, rekening houdend met de genoemde omzendbrief. Bij beslissing van 30 januari 1997 verklaart hij voor de Nederlandse taalrol negen betrekkingen vacant bij het hoofdbestuur en twaalf bij de gewestelijke diensten. 1.8. In een mededeling aan het personeel van 31 januari 1997 wordt uitgelegd dat het nieuwe voorstel het gevolg is van de omzendbrief nr. 438. Tevens wordt de lijst meegedeeld van de twaalf ambtenaren die in de gewestelijke diensten worden voorgesteld. Verzoeksters zijn er niet meer bij. 1.9. Op 26 februari 1997 stelt de administrateur-generaal aan het beheerscomité de bevordering voor tot klerk 30F van 36 klerken 30C, waarvan twaalf Nederlandstaligen en twaalf Franstaligen in de buitendiensten en negen Nederlandstaligen en drie Franstaligen in de centrale diensten. Onder de negen Nederlandstaligen die bevorderd worden in de centrale diensten zijn Roland DE WINDT, Vera BAEYENS, François VAN CAUWENBERGH, Fredy COESSENS, Myriam VANDENPLAS en Marie-Jeanne D’HOYE. Verzoeksters die allen werkzaam zijn in de gewestelijke diensten, rangschikken zich niet onder de eerste twaalf en worden niet voorgesteld. IX-2196-4/13 Dit voorstel wordt goedgekeurd door het beheerscomité want bij mededeling nr. 1419 van 13 mei 1997 worden die zesendertig bevorderingen als “beslissingen van het Beheerscomité” meegedeeld aan het personeel. 1.10. Bij beslissing van 6 mei 1998 van het beheerscomité wordt eerste verzoekster bevorderd tot de graad van bestuursassistent 20A met ingang van 1 juni 1998. 1.11. Bij beslissingen van 1 maart 2000 worden tweede en derde verzoekster bevorderd door verhoging in weddeschaal tot de graad van klerk 30F met ingang van 1 maart 2000. 2. Over de ontvankelijkheid. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in een laatste memorie opwerpt dat verzoeksters niet langer belang hebben bij het annulatieberoep, aangezien eerste verzoekster met ingang van 1 juni 1998 bevorderd is tot de graad van bestuursassistent 20A, zijnde een hogere graad dan die waarmee de begunstigden van de bestreden bevordering zijn bekleed, en dat tweede en derde verzoeksters met ingang van 1 maart 2000 zijn bevorderd door verhoging in weddeschaal tot de graad van klerk 30F; dat hun beroep derhalve niet langer ontvankelijk zou zijn; 2.2. Overwegende dat eerste verzoekster bij beslissing van 6 mei 1998 van het beheerscomité van het Rijksinstituut voor Sociale Verzekering der Zelfstandigen is bevorderd tot de graad van bestuursassistent 20A met ingang van 1 juni 1998; dat dit een hogere graad betreft dan diegene waarmee de begunstigden van de bestreden bevordering zijn bekleed; dat bij een eventuele vernietiging van de bestreden bevordering van de concurrenten, eerste verzoekster thans niet meer tot de door de bestreden bevordering verleende graad kan worden bevorderd; dat verzoeksters echter in hun eerste middel de schending aanvoeren van een dwingende voorrangsregeling die de volgorde van benoeming tot de hogere weddeschaal 30F IX-2196-5/13 bepaalt; dat zij geacht moeten worden tevens de nietigverklaring te vorderen van de impliciete weigering om hen te bevorderen tot de weddeschaal 30F; dat, indien uit het onderzoek van de grond van de zaak blijkt dat de overheid de rechtsplicht had om verzoeksters te benoemen, zij aanspraak kunnen maken op een retroactief herstel van hun loopbaan; dat eerste verzoekster in dat geval haar belang behoudt aangezien zij dan vanaf 1 september 1995 tot 1 juni 1998 retroactief bevorderd wordt in weddeschaal 30F; dat eerste verzoekster aldus haar belang behoudt in zoverre het eerste middel gegrond is; 2.3. Overwegende dat bij beslissingen van 1 maart 2000 van het beheerscomité van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen tweede en derde verzoekster bevorderd zijn door verhoging in weddeschaal tot de graad van klerk 30F met ingang van 1 maart 2000; dat tweede en derde verzoekster hierbij bevorderd zijn tot dezelfde graad als de begunstigden van de thans bestreden beslissing, doch dat deze laatsten reeds met ingang van 1 september 1995 zijn bevorderd in weddeschaal 30F zodat zij meer anciënniteit hebben in deze graad; dat het belang van tweede en derde verzoekster thans nog bestaat in een vernietiging van de grotere anciënniteit van de begunstigden van de bestreden beslissing in de graad van klerk 30F; dat bovendien, indien blijkt dat de overheid de rechtsplicht had om verzoeksters te benoemen, zij aanspraak kunnen maken op een retroactief herstel van hun loopbaan met ingang van 1 september 1995 tot 1 maart 2000; dat zij bijgevolg ook hun belang behouden; 3. Over de gegrondheid. 3.1. Overwegende dat verzoeksters in een eerste middel aanvoeren dat een verkeerde toepassing is gemaakt van de regels betreffende de bevordering door verhoging in weddeschaal en van de taalwetgeving, doordat volgens die regels de bevordering moet worden verleend, onder de kandidaten met dezelfde beoordeling, in volgorde van anciënniteit, terwijl een verhouding is gemaakt tussen het personeel van het hoofdbestuur en dat van de gewestelijke diensten zodat de anciënniteitsrangschikking niet is gevolgd, en doordat een taalverdeling is toegepast IX-2196-6/13 op het personeel van de buitendiensten terwijl taalkaders enkel gelden voor de centrale diensten; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de omzend- brief nr. 438 van 29 juli 1996 betreffende de verdeling van de betrekkingen die met bepaalde weddeschalen bezoldigd zijn, uitdrukkelijk stelt dat de verdeling door de taalkaders op elke trap van de hiërarchie van de betrekkingen die met bepaalde weddeschalen bezoldigd zijn, zoveel mogelijk in elke rang en elke graad moet gebeuren; dat overeenkomstig artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 juli 1995 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 23 juni 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, in niveau 3 veertig van de tweehonderd betrekkingen van klerk bezoldigd worden in de weddeschaal 30F; dat behoudens de verplichting ingeschreven in de ministeriële omzendbrief nr. 438 om rekening te houden met de taalverhouding die van toepassing is op de overeenkomstige trap van de hiërarchie, er geen enkele wets- of verordeningsbepaling voorschrijft hoe de voornoemde veertig betrekkingen dienen verdeeld te worden onder de taalgroepen en onder de gewestelijke en centrale diensten van het Rijksinstituut; dat de verwerende partij in het licht van de ministeriële omzendbrief nr. 438 geopteerd heeft om de vacant verklaarde betrekkingen tussen de centrale en de gewestelijke diensten te verdelen naar rata van het totale aantal betrekkingen die voor klerk in de personeelsformatie voor de respectievelijke diensten voorzien zijn, geglobaliseerd per taalgroep; dat de personeelsformatie van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen voorziet in 81 betrekkingen van klerk bij de centrale diensten, waarvan 47 Nederlandstalig en 34 Franstalig, en in 119 betrekkingen bij de gewestelijke diensten, waarvan 61 Nederlandstalig en 58 Franstalig; dat de evenredige verdeling van de veertig vacante betrekkingen resulteert in zestien betrekkingen bij de centrale diensten, waarvan negen Nederlandstalig en zeven Franstalig, en in 24 betrekkingen bij de gewestelijke diensten, waarvan twaalf Nederlandstalig en twaalf Franstalig; dat de verwerende partij besluit dat deze evenredige verdeling ten volle de taalwetgeving eerbiedigt en een juiste verdeling van de betrekkingen per taalgroep tussen de gewestelijke diensten waarborgt; IX-2196-7/13 3.3. Overwegende dat verzoeksters repliceren dat, zoals door de verwerende partij wordt toegegeven, overeenkomstig artikel 43, § 3 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de taalkaders enkel verplicht zijn voor de centrale diensten van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen; dat overeenkomstig artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 juli 1995 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 23 juni 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Rijksinstituut, in niveau 3 veertig van de tweehonderd betrekkingen van klerk bezoldigd worden in de weddeschaal 30F; dat dit artikel niet voorziet in een onderscheid wegens de taalrol van de personeelsleden, noch wegens hun plaats van tewerkstelling in de gewestelijke of centrale diensten van het Rijksinstituut; dat verzoeksters wijzen op het Tucht- en Dienstreglement van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen dat zij als volgt citeren : “De bevordering door verhoging in graad tot een graad ingedeeld in niveau 2, 3 of 4, waarvan het slagen voor een examen niet is voorgeschreven, wordt verleend in de volgende orde van voorrang: 1. aan de kandidaat met de beste beoordeling; 2. onder de kandidaten die dezelfde beoordeling hebben gekregen aan de kandidaat die het best gerangschikt is volgens de volgende regels van voorrang : - de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit; - bij gelijke graadanciënniteit de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit; - bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.”; dat verzoeksters stellen dat de verwerende partij een verdeling heeft toegepast die veel verder gaat dan de bepalingen van de omzendbrief nr. 438 van 29 juli 1996, die enkel oplegt dat zoveel mogelijk rekening dient te worden gehouden met de taalverdeling in elke rang en elke graad; dat de verwerende partij op grond hiervan niet vermag af te wijken van de door het dienstreglement opgelegde volgorde voor bevordering van het personeel en geen bijkomende voorwaarden kan opleggen aan de toekenning van bevorderingen; IX-2196-8/13 3.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert dat de correcte toepassing van artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, dat van openbare orde is, vereist dat de evenwichtige verdeling van betrekkingen zover mogelijk wordt doorgedreven, niet alleen voor een hele dienst per trap, maar ook per graad van eenzelfde trap; dat dit evenwicht niet alleen bepaald wordt door het aantal toegekende betrekkingen, maar ook door het belang van de betrekkingen die aan iedere taalgroep zijn toegekend; dat de bevordering door verhoging in weddeschaal een even reële bevordering is als die door verhoging van graad; dat de bevordering door verhoging in weddeschaal niet vereist dat de betrekking een andere functie- inhoud krijgt opdat een hoger gewicht zou gekoppeld worden aan de betrekking; 3.5.1. Overwegende dat krachtens de artikelen 1, § 1, VI en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, de bevordering tot de weddeschaal 30F bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen geregeld is bij artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, dat die bepaling ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : “ De bevordering door verhoging in graad tot een graad van de niveaus 2+, 2, 3 en 4, of de bevordering door verhoging in weddeschaal in dezelfde niveaus, waarvoor geen examen wordt vereist, wordt verleend in deze volgorde :
- a)aan de kandidaat met de meest positieve evaluatie;
- b)onder kandidaten die dezelfde evaluatie hebben, aan de kandidaat die het best gerangschikt is volgens de bepalingen die gelden inzake rangschikking van het rijkspersoneel.”; dat hieruit volgt dat de volgorde waarin de benoemingen moeten geschieden op dwingende wijze is geregeld en dat de overheid terzake een gebonden bevoegdheid heeft; dat hierna wordt onderzocht of de taalwetgeving vereist dat ook bij bevorderingen door verhoging in weddeschaal het taalevenwicht in acht wordt genomen en de taalimperatieven er derhalve toe kunnen leiden dat van de anciënniteitsregeling moet worden afgeweken; IX-2196-9/13 3.5.2. Overwegende dat de ruimste administratieve groep waarbinnen het taalevenwicht in ieder geval moet worden verwezenlijkt, overeenkomstig artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gevormd wordt, door de titularissen van de graden geplaatst op dezelfde trap van de hiërarchie, zoals die trap in het algemeen, of voor bepaalde diensten in het bijzonder, door de Koning wordt bepaald; dat een loyale toepassing van het voornoemd artikel 43, § 3, evenwel vergt dat de evenwichtige verdeling der betrekkingen zover mogelijk wordt doorgedreven, niet alleen voor een hele dienst per trap, maar, enerzijds, ook per graad van eenzelfde trap en, anderzijds, per onderafdeling van de dienst; dat het evenwicht immers niet alleen bepaald wordt door het aantal toegekende betrekkingen maar ook door het belang der betrekkingen, wat betekent dat, indien op een taaltrap betrekkingen van verschillend belang bijeen gebracht zijn, het evenwicht bepaald wordt niet alleen door het aantal maar ook door de gewichtigheid der aan iedere taalgroep toegekende ambten; dat deze regel toegepast op de bevordering in weddeschaal, die wordt voorgestaan in de omzendbrief nr. 438 van 29 juli 1996, slechts opgaat indien een bevordering in weddeschaal betekent dat de bevorderde daardoor een betrekking van een groter gewicht, en dus met een belangrijker inhoud, zou bezetten; 3.5.3. Overwegende dat, overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4, voor het administratief personeel binnen niveau 3 enkel nog de algemene graad van klerk bestaat; dat er binnen deze graad verscheidene weddeschalen zijn, namelijk de weddeschalen 30A, 30C, 30F, 30H en 30I, waarvan sommige slechts kunnen worden toegekend mits er betrekkingen vacant zijn; dat de toekenning van de weddeschalen geregeld is bij protocol nr. 166 van 17 mei 1993, afgesloten in het overlegcomité voor de openbare diensten van het Rijk, de Gemeenschappen en de Gewesten, waaruit blijkt dat 20% van de klerken kunnen bezoldigd worden in schaal 30F, 26% in schaal 30H en 8% in de hoogste schaal 30I en dat voor de graden 30F, 30H en 30I een minimum van respectievelijk zes, negen en twaalf jaar graadanciënniteit is vereist; dat uit het ministerieel besluit van 25 juli 1995 tot IX-2196-10/13 uitvoering van het koninklijk besluit van 23 juni 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, blijkt dat de voormelde percentages worden toegepast voor het bepalen van het aantal betrekkingen dat volgens elk der weddeschalen kan worden bezoldigd; dat hieruit blijkt dat de verdeling van het aantal betrekkingen van klerk over de verschillende weddeschalen los staat van de functie-inhoud zodat een betrekking van klerk die bezoldigd wordt met weddeschaal 30F geen belangrijker functie-inhoud heeft dan een betrekking van klerk die wordt bezoldigd met een weddeschaal 30C en dus ook niet een ambt van groter gewicht uitmaakt; dat het principe van de loyale toepassing van artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, bijgevolg niet naar analogie geldt voor de bevorderingen door verhoging in weddeschaal in de graad van klerk die afhankelijk zijn van een vacante betrekking; dat taalredenen derhalve geen rol zullen kunnen spelen bij het verlenen van die bevorderingen zodat zij dienen te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel en de daarin vervatte bindende voorrangsregeling; dat de juiste toepassing van voornoemd artikel 33, § 2 vergt dat de bevorderingen worden bekeken voor het geheel van het personeel zonder enige onderverdeling tussen taalgroepen enerzijds en tussen centrale en gewestelijke diensten anderzijds; dat, gelet op de anciënniteitsrangschikking van verzoeksters, die blijkt uit de mededeling van 5 augustus 1996, zij hadden moeten worden bevorderd tot de weddeschaal 30F met ingang van 1 september 1995 en niet Fredy COESSENS, Myriam VANDEPLAS en Marie-Jeanne D’HOYE; dat het eerste middel gegrond is; Overwegende dat uit de genoemde rangschikking per 1 september 1995 van de kandidaten voor de weddeschaal 30F, blijkt dat Fredy COESSENS gerangschikt was op de 54e plaats, Myriam VANDENPLAS op de 66e plaats en Marie-Jeanne D’HOYE op de 69e plaats; dat verzoekster Chantal HAEZEBROUCK, als 28e gerangschikte, derhalve moest bevorderd worden in de plaats van Fredy COESSENS; dat die bevordering wat haar betreft moet lopen van 1 september 1995 tot haar bevordering tot de graad van bestuursassistent, namelijk 1 juni 1998; dat IX-2196-11/13 verzoeksters Rita DE SUTTER, als 31e, en Ingrid DEMEESTER, als 33e, in de plaats van respectievelijk Myriam VANDENPLAS en Marie-Jeanne D’HOYE moesten worden bevorderd; dat wat die beide verzoeksters betreft die bevordering moet lopen met ingang van 1 september 1995 tot de datum waarop zij effectief tot de graad van klerk 30F zijn bevorderd, namelijk 1 maart 2000, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd worden de impliciete weigering om verzoeksters te bevorderen tot de weddeschaal 30F met ingang van 1 september 1995 alsmede de bevordering van Fredy COESSENS met ingang van 1 september 1995 in de weddeschaal 30F tot 1 juni 1998 in zoverre die bevordering de bevordering van Chantal HAEZEBROUCK in diezelfde weddeschaal voorafgaat en de bevorderingen van Myriam VANDENPLAS en Marie-Jeanne D’HOYE met ingang van 1 september 1995 in de weddeschaal 30F tot 1 maart 2000 in zoverre zij de bevorderingen van respectievelijk Rita DE SUTTER en Ingrid DEMEESTER in diezelfde weddeschaal voorafgaan. Artikel 2. De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2196-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2196-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.592 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div