id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.620 Rolnummer: A. 72625/VII-15072 Zaak: Arrest 142620 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 09:32 Fiche Arrest nr 142.620 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.620 van 24 maart 2005 in de zaak A. 72.625/VII-15.072. In zake : Louis VAN GOETHEM, die woonplaats kiest bij Advocaat bij het Hof van Cassatie A. HOUTEKIER, kantoor houdende te MECHELEN, Battelsesteenweg 95 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39. tussenkomende partij : Marc VERMEIREN, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Grote Hertstraat 12. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis VAN GOETHEM op 23 december 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 21 oktober 1996 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 28 maart 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende het verlenen van de vergunning aan Marc VERMEIREN om een landbouwbedrijf gelegen te 2560 Nijlen (Bevel), Steynenhofweg 10, te veranderen door toevoeging; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 juli 1997; Gelet op de beschikking van 1 augustus 1997 die de tussenkomst van Marc VERMEIREN toelaat; Gezien de toelichtende memorie; VII-15.072-1/17 Gezien de memorie van antwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 16 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 28 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HUYSMANS die, loco Advocaat bij het Hof van Cassatie A. HOUTEKIER verschijnt voor verzoeker, van Advocaat B. KUSTERS die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat Ph. VAN WESEMAEL die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de memorie van antwoord en het administratief dossier buiten de voorgeschreven termijn van zestig dagen werden ingediend; dat krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de door verzoeker aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn en dat krachtens het vijfde lid van de voornoemde wetsbepaling de laattijdig ingediende memorie van antwoord ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; VII-15.072-2/17 2. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Verzoeker is eigenaar van een woning en een perceel bos gelegen te Nijlen aan de Herenthoutsesteenweg. De tussenkomende partij is eigenaar van een perceel grond van 1ha 86a 30ca, gelegen tegenover de eigendom van verzoeker, slechts gescheiden door de weg. Op dit perceel bevindt zich de inrichting (130 grote zoogdieren, 15.000 kippen, 395 m³ mestopslag, 18 ton krachtvoeropslag; 6.000 m³ groenvoederopslag en elektromotoren 7 kW) die het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing. Volgens verzoeker bedraagt de afstand tussen zijn woning en de inrichting, gemeten van gevel tot gevel, 23 meter. 2.2. Op 28 september 1995 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een aanvraag in om zijn inrichting, gelegen Steynenhofweg 10, 2560 Nijlen, te veranderen als volgt : - uitbreiding van een mestkippenbedrijf met 18.000 stuks in een nieuwe stal tot een totaal van 33.000 stuks (9.3.1.C.2); - een bijkomende opslag van 5.000 liter petroleum tot een totaal van 11.000 liter (17.3.5.2). De aanvraag wordt volledig en ontvankelijk verklaard op 6 oktober 1995. 2.3. Het openbaar onderzoek levert één bezwaarschrift op. De adviezen die uitgebracht worden zijn alle gunstig, behoudens het advies van de Vlaamse Landmaatschappij. Op 28 maart 1996 verleent de bestendige deputatie vergunning om de inrichting te veranderen zoals aangevraagd. 2.4. Op 22 mei 1996 tekent verzoeker tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep aan bij de verwerende partij. In het kader van de beroepsprocedure verleent de Vlaamse Landmaatschappij volgend ongunstig advies : VII-15.072-3/17 "Overwegende dat deze aanvraag : • een exploitatie en/of verandering van een bestaande veeteeltinrichting betreft, en dus verenigbaar is met artikel 5.9.3.1, § 1 van VLAREM II; • verenigbaar is met artikel 5.9.8.3, § 3 van VLAREM II aangezien alle op de inrichting geproduceerde dierlijke mest op een ecologisch verantwoorde wijze kan afgezet worden; • verenigbaar is met artikel 5.9.2.3, § 1 aangezien alle op deze inrichting geproduceerde mengmest gedurende minimaal 6 maand kan opgeslagen worden; • niet verenigbaar is met de maximale bedrijfsgrootte, zoals vastgelegd in artikel 31 van het decreet van 15 december 1995 houdende wijziging van het Mestdecreet, en zoals omschreven in artikel 2bis, § 2, 2/,
- b)en
- c)van het Mestdecreet; • niet verenigbaar is met de door de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria i.v.m. de beheersing van de nutriëntenproduktie in Vlaanderen; • niet verenigbaar is met artikel 33, § 1 van het Mestdecreet, aangezien de mestproductie in Vlaanderen meer dan 75 miljoen kg P2O5 bedraagt; • een inrichting betreft, waarvan de vergunning van rechtswege gereduceerd dient te worden tot een vergunning voor 130 runderen en 12.000 slachtkippen; adviseert de Vlaamse Landmaatschappij het bestreden besluit op te heffen en de gevraagde vergunning tot verandering van de vergunning voor : (...) te weigeren". 2.5. Op 21 oktober 1996 beslist de verwerende partij het beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep van een buurman betrekking heeft op het verlenen van de vergunning voor de verandering van een bestaand landbouwbedrijf, omvattende 130 stuks rundvee en 15.000 stuks pluimvee, door toevoeging met een kippenstal (regularisatie) voor 18.000 braadkippen; Overwegende dat in 1982 reeds een milieuvergunning werd afgeleverd door het College van Burgemeester en Schepenen van Nijlen voor de betrokken stal van 18.000 braadkippen, toen gelegen in bosgebied, voor een termijn van 10 jaar; dat er toen tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend; dat er evenwel geen rechtsgeldige bouwvergunning bleek te zijn waardoor ten gevolge van een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg de stal niet mocht worden in gebruik genomen; dat in 1987 de bestemming van het gebied bij B.P.A. werd gewijzigd van bosgebied tot agrarisch gebied waarna op 14 oktober 1987 een bouwvergunning werd bekomen; Overwegende dat deze aanvraag voorheen door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen in beroep werd geweigerd als een nieuw tweede klasse bedrijf en dit om louter proceduriële redenen: de stal moet samen met de twee andere stallen worden beschouwd als één technische eenheid (die een eerste klasse bedrijf is); Overwegende dat de inrichting is gelegen in een agrarisch gebied volgens het B.P.A. nr. 10 VII-15.072-4/17 zone; dat de inrichting bijgevolg voldoet aan de verbodsregels van titel II van het Vlarem; Overwegende dat beide kippenstallen een mechanisch verluchtingssysteem hebben met verticale uitstoot met een uitlaatopening op minder dan 0,5 m boven de nok (met pet), een strooiselvloer (droge mest) en geen mestopslag omdat de mest onmiddellijk (binnen de drie dagen) wordt afgevoerd (all-in-all- out-principe); dat het totaal aantal waarderingspunten voor de inrichting 140 punten bedraagt; dat in functie van het aantal waarderingspunten, overeenkomstig artikel 5.9.5.3.§ 5 van titel II van het Vlarem, de vereiste minimumafstand t.o.v. hindergevoelige gebieden 225 m bedraagt; dat dient opgemerkt dat het Zwarte Waterbos geen reservaatbos is dus geen hindergevoelig gebied volgens titel II van het Vlarem; dat het dichtste hindergevoelige gebied op meer dan 900 m van de inrichting is gelegen; dat bijgevolg de inrichting voldoet aan de afstandsregels; Overwegende dat de inrichting grenst aan een bosgebied; dat in een straal van 100 m rondom de inrichting één woning staat op ongeveer 25 m in bosgebied; dat in tegenstelling met het huidige aanvraagdossier in 1982 bij het verlenen van de milieuvergunning voor 10 jaar geen bezwaren werden ingediend; dat de huidige aanvraag het hernieuwen van de milieuvergunning betreft van de in 1982 reeds vergunde stal; dat voor woningen gelegen in andere gebieden dan woongebieden en palend aan een agrarisch gebied de tolerantiedrempel op het stuk van geurhinder voortkomend van agrarische activiteiten hoger mag worden gelegd; dat gelet op het verluchtingssysteem met vertikale uitstoot, het feit dat er geen mestopslag is en het groenscherm de hinder voor de onmiddellijke omgeving tot een minimum kan worden beperkt mits naleving van de opgelegde voorwaarden; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de inrichting voldoet aan de verbods- en afstandsregels van titel II van het VLAREM; - gelet op het verluchtingssysteem met vertikale uitstoot, het feit dat er geen mestopslag is en het groenscherm kan de hinder voor de onmiddellijke omgeving tot een minimum worden beperkt mits naleving van de opgelegde voorwaarden"; 3. Beoordeling 3.1.1. Overwegende dat in het eerste, tweede en derde middel een gebrek aan motivering wordt aangevoerd; dat deze middelen als volgt worden toegelicht : "I. Het eerste middel is afgeleid uit het gebrek aan motivering van de bestreden beslissing. Artikel 52.3 van Vlarem I bepaalt betreffende de uitspraak van de Vlaamse Minister over het beroep : Deze verplichting tot motivering wordt ook uitdrukkelijk vereist bij artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, en bij artikelen 30 § 1.5, 34.4, 35.4, 36.4 van Vlarem I. Al deze bepalingen tonen het buitengewoon belang dat de wetgever in deze materie aan een ernstige motivering heeft gehecht. Voor zoveel als nodig beroept verzoeker zich ook op artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. VII-15.072-5/17 Het bestreden besluit bevat geen gemotiveerde beslissing over de door verzoeker ingeroepen bezwaren. Zo hield verzoeker in zijn aan de Vlaamse Minister toegezonden beroepsakte uitdrukkelijk staande (blz. 3, leden 7 tot 9, en blz. 4) dat het niet opgaat de inrichting toe te laten louter op grond van het feit dat op 23 meter ervan slechts één woning staat (die van verzoeker), gelegen al dan niet in een bosgebied, dat niet als hindergevoelig gebied beschouwd werd. Verzoeker voerde ter staving van dit verweer aan dat de inplanting van de inrichting, zoals gedaan door Vermeiren Marc, die ter plaatse over uitgestrekte landerijen beschikt, op 23 meter afstand tegenover de woning van verzoeker, een burgerlijk misbruik van recht is. Daaraan voegde verzoeker toe dat de verluchtingsopeningen van de stal in de richting van zijn woning waren aangebracht, dat de voorziene 11 ventilatoren (11 kW) met ongefilterde uitlaten een halve meter boven de nok van het dak dienden uit te komen; dat door de overheersende westenwind, de geur, rook en het stof precies in de richting van verzoeker gejaagd worden; dat een technische berekening van het geluidsniveau terzake opvallend boven het voorgeschreven niveau komt te liggen. Het bestreden besluit heeft op dit omstandig gemotiveerd bezwaar niet gemotiveerd beslist, en in alle geval is de desbetreffende motivering onvoldoende. De Minister stelt in zijn besluit immers louter dat ter zake de tolerantiedrempel op het stuk van geurhinder hoger zou mogen worden gelegd, en dat mits naleving der gestelde voorwaarden de hinder voor de onmiddellijke omgeving tot een minimum kan worden beperkt en tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gebracht (zie het bestreden besluit, blz. 6 en 7). De motivering van de bestreden beslissing is daarbij tegenstrijdig, vaag, onduidelijk en dubbelzinnig. De tolerantiedrempel wordt enerzijds hoger gelegd, anderzijds wordt de hinder tot een minimum herleid die dan als aanvaardbaar wordt voorgesteld. II. In een tweede middel stelt verzoeker dat het bestreden besluit eveneens tekort komt in de motivering aangaande de geur, het lawaai, de rook en het stof. In de nota die verzoeker bij zijn akte van beroep had gevoegd, en die daarvan integrerend deel uitmaakt, had verzoeker met betrekking tot deze factoren van hinder zijn stelling zeer omstandig ontwikkeld (blz. 16 tot 19). Wat betreft de geurhinder wees verzoeker erop dat de westenwind in volle hevigheid de geur naar zijn woning jaagt, en er over de schouwen van de stookinstallaties geen gegevens verstrekt worden en de hinder ervan in het besluit onbeantwoord blijft. Wat betreft het lawaai stelde verzoeker dat het lawaai van 11 ventilatoren en 18.000 kippen, verhoogd met de verluchtingsopeningen in de richting van de woning van verzoeker, de toegelaten 45 db overdag en 35 db Wat betreft rook en stof, stelde verzoeker dat de omgevingslucht verontreinigd wordt door de rook der stookinstallaties en het door de ongefilterde uitlaten der ventilatoren ontwikkelde stof. In verband met deze ingeroepen hinderlijke elementen stelde verzoeker dat het de overheid toebehoorde nauwkeurig deze feitelijkheden te toetsen en haar beoordelingsnormen duidelijk te bepalen (zie de nota van verzoeker, blz. 14, lid 8). Het bestreden besluit is daarop niet ingegaan en in alle geval onvoldoende gemotiveerd. III. Het derde middel is ook afgeleid uit het gebrek aan motivering. In zijn bij zijn akte van beroep gevoegde nota (blz. 18, leden 4 tot 8, en blz. 19) hield verzoeker staande dat er aan Vermeiren een vergunning werd VII-15.072-6/17 gegeven mits naleving van bepaalde voorwaarden, maar dat Vermeiren Marc aan deze voorwaarden niet kon voldoen. Meer bepaald haalde verzoeker aan dat Vermeiren onmogelijk aan het oprichten van een groenscherm van 6 meter breedte kon voldoen, omdat de stal zich gedeeltelijk en de silo's volledig op het openbaar domein der gemeente Nijlen bevonden, zodat het scherm ofwel niet ofwel enkel met overschrijding van macht kon opgericht worden. Met geen woord wordt er in het bestreden besluit over dit verweer gerept"; 3.1.2. Overwegende dat de tussenkomende partij daarover het volgende laat gelden : "Beroeper stelt in voornoemde middelen dat de minister op onvoldoende wijze zou geantwoord hebben op de argumenten die werden opgesomd in het beroepschrift, met betrekking tot het feit dat het inplanten van een stal op 25 meter van een woning zou neerkomen op Wanneer men het bestreden ministerieel besluit ontleedt, bemerkt men dat de minister nochtans vooreerst op pagina 3 van het besluit een volledige opsomming heeft gegeven van deze argumenten. Op de pagina's 5 en 6 wordt een evaluatie gemaakt van de voorhanden zijnde gegevens, en wordt inzonderheid wat het beroepschrift van beroeper betreft het volgende gesteld : Verder wordt in het besluit nog gespecifieerd dat er gewerkt wordt met een strooiselvloer (droge mest), en de mest onmiddellijk, d.w.z. binnen de drie dagen volgens het Deze motivering kan het bestreden besluit, dat de vergunning die reeds door het provinciebestuur in eerste aanleg werd afgeleverd, afdoende dragen. Ook het dossier leert dat de minister zeker niet op lichtzinnige wijze is overgegaan tot de verwerping van het beroep van beroeper. Zo had de Bestendige Deputatie in eerste aanleg reeds de vergunning toegestaan, en hebben in beroep de Afdeling Milieuvergunningen van AMINAL, het Bestuur Gezondheidszorg, de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van AROHM, de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie geadviseerd om het beroep van beroeper als ongegrond te verwerpen. Dit alles samengenomen, wettigt zeker de conclusie dat de minister in het bestreden besluit ten aanzien van beroeper voldoende duidelijk maakt waarom diens beroep niet wordt ingewilligd. Men dient er immers rekening mee te houden dat het volgens de vaste rechtspraak van de Raad niet noodzakelijk is dat het bestuur in de beslissing een VII-15.072-7/17 antwoord zou verstrekken op elke van de in een beroepschrift aangevoerde argumenten; het is voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen waarom de vergunning verleend dan wel geweigerd wordt, waarin dan de motieven kunnen besloten liggen waarom de in een beroep verdedigde stellingen niet gevolgd worden (cfr. o.a. R.v.St., Loontjens, nr. 53.664, 12 juni 1995; R.v.St., Lombaert, nr. 60.146, 13 juni 1996; R.v.St., n.v. Vlevy, nr. 60.572, 27 juni 1996). Dat in het bestreden besluit niet afzonderlijk wordt geantwoord op het motief dat verzoeker in tussenkomst een Bovendien werd over de plaats van inplanting reeds geoordeeld toen de vraag naar de wettigheid van de bouwvergunning voor de stal aan de Raad van State voorgelegd werd. Zoals hierboven gesteld, heeft de Raad bij arrest nr. 44.807 van 4 november 1993 het beroep tot nietigverklaring dat beroeper tegen deze vergunning had ingesteld, als ongegrond verworpen. Voor zoveel als nodig, wijst verzoeker in tussenkomst er in dit verband nog op dat de bewuste stal reeds in 1982 op deze plaats werd voorzien, op een ogenblik dat verzoeker in tussenkomst nog over geen andere gronden in de buurt beschikte. Op het argument dat de exploitatie van de stal voor overdreven lawaaihinder zal zorgen, antwoordt de minister dat de aanvraag betrekking heeft op de hernieuwing van een bestaande inrichting, die immers reeds in 1982 vergund werd, en dat het naleven van de voorwaarden van het Vlarem II-besluit garant moet staan voor een afdoende beperking van deze hinderbron. Uit een akoestische studie die verzoeker in tussenkomst onlangs heeft laten uitvoeren, blijkt inderdaad dat de uitbating de Vlarem II-normen inzake geluidshinder voor bestaande inrichtingen kan halen. En wat tenslotte de vermeende onmogelijkheid om het groenscherm te plaatsen betreft, merkt verzoeker in tussenkomst op dat ook beroeper in zijn administratief beroep bij de minister heeft moeten erkennen dat met de aanplantingen reeds een aanvang was genomen, daar evenwel onmiddellijk aan toevoegend dat één en ander wegens administratief beroep dd. 22 mei 1996). Verzoeker in tussenkomst heeft er in dit verband overigens steeds op gewezen dat verzoeker zich terzake vergist en blijft vergissen, en dat zowel het groenscherm als de silo's wel degelijk op privé-grond zijn gesitueerd (zie bv. de opmerkingen op de pagina's 5 en 6 van de nota die werd neergelegd ter zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 2 augustus 1996). En tenslotte kan men nog verwijzen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State, die in dit verband stelt dat de vraag of een aanvrager al dan niet eigenaar is van de grond een aangelegenheid van burgerrechtelijke aard is (zie bv. R.v.St., Bouland, nr. 22.496, 17 september 1982; R.v.St., Royal, nr. 28.332, 1 juli 1987; R.v.St., Gaspar en Gerson, nr. 37.998, 30 oktober 1991; R.v.St., Schreul, nr. 52.148, 9 maart 1995). Gelet op het voorgaande, dienen de eerste drie middelen van het beroep tot nietigverklaring derhalve als ongegrond te worden afgewezen"; 3.1.3. Overwegende dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat op elk in het beroepschrift afzonderlijk aangebracht argument telkens een afzonderlijk antwoord moet worden gegeven; dat het volstaat dat de beslissing duidelijk de VII-15.072-8/17 redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen en desgevallend de adviezen in andersluidende zin niet worden aangenomen; dat uit de motivering zoals opgenomen in de aanhef duidelijk de redenen blijken die de beslissing verantwoorden; dat verzoeker in zijn laatste memorie ten onrechte stelt dat de auditeur de middelen ongegrond acht omdat "ze behoren tot het burgerlijk recht"; dat deze bewering steunt op een verkeerde lezing van het verslag; dat het, in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn laatste memorie eveneens schijnt te suggereren, niet aan de Raad van State -en dus zeker niet aan de auditeur toekomt- de lawaaihinder in concreto te beoordelen; dat de drie middelen niet gegrond zijn; 3.2.1. Overwegende dat het vierde middel is gesteund op de schending van artikel 23, 2/, 3/ en 4/, van de gecoördineerde Grondwet van 1994; dat verzoeker uiteenzet dat deze bepalingen voorzien dat ieder recht heeft op de bescherming van de gezondheid, een behoorlijke huisvesting en op de bescherming van een gezond leefmilieu; dat verzoeker eveneens stelt dat het bestreden besluit zijn recht op eigendom, zoals voorzien in artikel 16 van de Grondwet, miskent; dat hij betoogt dat het genot van zijn woning zeer ernstig is gestoord door de industriële kippenvetmesterij van 33.000 dieren, zoals deze door het bestreden besluit door toevoeging is toegelaten; dat hij voorts het volgende uiteenzet : "De door verzoeker ingeroepen bepalingen houden in dat derden, dus ook Vermeiren Marc, gehouden zijn oog ervoor te hebben het leefmilieu, de gezondheid en het genot van de eigendom van hun buren niet te storen. Het is derhalve aan Vermeiren Marc niet toegelaten deze kippenvetmesterij, op het grote domein waarover hij beschikt, precies in te planten op 23 meter van de woning van verzoeker, recht er tegenover, in de nadelige westenwindrichting, waardoor deze inrichting onmiskenbaar het leefmilieu, de gezondheid van verzoeker en zijn gezin, en het genot van zijn eigendom ernstig aantast. Niet enkel is dat een verplichting van de exploitant van de inrichting, maar ook verweerder dient daarop toe te zien en zulks te beoordelen bij de toekenning van de vergunning en bij het beoordelen der gestelde voorwaarden voor de exploitatie (zie desaangaande D. Lindemans (ed.) de Milieuvergunning, V/ Algemeen Milieurecht, sub art., 23, n/ 13 en 16). De verwerende partij heeft dit niet gedaan, zodat de vergunning onwettelijk toegekend werd"; 3.2.2. Overwegende dat de tussenkomende partij het volgende betoogt : "Ter staving van dit vierde middel poneert beroeper in essentie dat verzoeker in tussenkomst de mogelijkheid zou hebben om de stal op grotere afstand van de woning van beroeper in te planten, zodat de hinder voor beroeper beperkt zou worden. Verzoeker in tussenkomst kan op deze plaats verwijzen naar hetgeen hierboven bij de bespreking van de eerste drie middelen gesteld werd. VII-15.072-9/17 Wat de inplanting van de stal betreft, is een geldige bouwvergunning voorhanden, met betrekking waartoe beroeper er niet in geslaagd is deze te laten vernietigen door de Raad van State (cfr. arrest nr. 44.807 van 4 november 1993). Verzoeker in tussenkomst heeft in 1982 de stal bovendien op deze plaats moeten inplanten, op instigatie van de diensten van stedenbouw die de mening toegedaan waren dat de stal zo dicht mogelijk bij de straat moest staan. Het komt verzoeker in tussenkomst tenslotte voor dat de libellering en motivering van dit middel, de Raad van State eigenlijk uitnodigt om een standpunt in te nemen omtrent de gewenste of meest wenselijke inplanting van de stal, hetgeen echter duidelijk een opportuniteitsoordeel zou inhouden waarvan de Raad van State zich principieel dient te onthouden. Het middel is derhalve ongegrond"; 3.2.3. Overwegende dat beperkingen die zouden opgelegd worden aan een eigendom of hinder die een eigendom moet ondergaan, niet kunnen worden gelijkgesteld met de onteigening zoals bedoeld in artikel 16 van de Grondwet; dat de werking van dit artikel strikt is beperkt tot de onteigening van een eigendom; dat artikel 23 van de Grondwet geen directe werking heeft, zodat particulieren er geen subjectieve rechten uit kunnen putten, noch t.a.v. de overheid, noch t.a.v. derden; dat dit met zoveel woorden blijkt uit het tweede lid van deze bepaling waarin het waarborgen van de bedoelde grondrechten toevertrouwd wordt aan de terzake bevoegde wetgever; dat het middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat in een vijfde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 30, § 1, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I); dat verzoeker desbetreffend het volgende uiteenzet : "Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 30, § 1, 4 van Vlarem I. Deze bepaling vereist dat, wanneer een of meer adviezen niet gevolgd worden, de motivatie daarvan wordt aangegeven. Uit het bestreden besluit blijkt dat de Vlaamse Landmaatschappij een ongunstig advies heeft gegeven (zie bestreden besluit, blz. 4, lid 4). Nergens is er een motivatie aangegeven waarom dit advies niet gevolgd werd. De bestreden beslissing is derhalve nietig"; 3.3.2. Overwegende dat de tussenkomende partij daar tegenover het volgende stelt : "Beroeper stelt in het algemeen dat hij vaststelt dat de Vlaamse Landmaatschappij een ongunstig advies heeft uitgebracht, en dat de minister nergens aangeeft waarom van dit advies wordt afgeweken. Naast het feit dat het middel in het beroep onvoldoende of zelfs niet ontwikkeld wordt, en bijvoorbeeld niet verduidelijkt wordt welke overwegingen VII-15.072-10/17 in bedoeld advies zouden nopen tot een expliciete weerlegging door de minister, verwijst verzoeker in tussenkomst naar dezelfde rechtspraak als hierboven aangehaald, die stelt dat de motiveringsplicht niet vereist dat de overheid uitdrukkelijk zou verantwoorden waarom andersluidende adviezen niet gevolgd worden (cfr. o.a. R.v.St., Loontjens, nr. 53.664, 12 juni 1995; R.v.St., Lombaert, nr. 60.146, 13 juni 1996; R.v.St., n.v. Vlevy, nr. 60.572, 27 juni 1996)"; 3.3.3. Overwegende dat het negatief advies van de Vlaamse Landmaatschappij er ten onrechte van uitgaat dat op de aanvraag het Meststoffendecreet zoals het gewijzigd werd bij het decreet van 20 december 1995 (het nieuwe MAP) moest toegepast worden; dat echter de aanvraag van de tussenkomende partij volledig en ontvankelijk werd verklaard op 6 oktober 1995, zodat deze nog onder het oude regime van het Meststoffendecreet ressorteerde; dat de in het advies opgegeven redenen waarom de Vlaamse Landmaatschappij stelde dat de aanvraag van de tussenkomende partij onverenigbaar was met het Meststoffendecreet hun oorsprong vinden in het gewijzigde Meststoffendecreet dat echter, zoals reeds gezegd, niet kon toegepast worden op de aanvraag van de tussenkomende partij; dat de verzoekende partij er dan ook geen belang bij heeft de beslissing vernietigd te zien op grond van een gebrek aan motivering waarom het advies van de Vlaamse Landmaatschappij niet gevolgd werd, nu duidelijk is dat dit advies hoe dan ook niet kon worden gevolgd; dat het middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat in een zesde middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 17, 20 en 22 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; dat dit middel als volgt wordt toegelicht : "Deze bepalingen voorzien dat de uitbatingsvoorwaarden in de exploitatievergunning aan de exploitant opgelegd worden en dat ze door deze moeten nageleefd worden. Het opleggen, te dien opzichte, van een onmogelijk te vervullen voorwaarde, zogezegd ter bescherming van de omgeving, houdt desaangaande een schending in van deze bepalingen en miskent de rechten van derden, in casu verzoeker. Door de aan Vermeiren Marc verleende exploitatievergunning wordt inderdaad voorzien dat er een 6 meter brede groenscherm rond de stal dient aangeplant te worden. Deze voorwaarde kan onmogelijk vervuld worden daar uit een opmetingsplan blijkt dat zowel de stal zelf, gedeeltelijk, als de bijbehorende silo's (volledig) zich reeds op het openbaar domein van de gemeente Nijlen bevinden, hetgeen door Vermeiren onwettelijk ingenomen wordt. Het gevolg daarvan is eveneens dat de openbare weg, gelegen tussen de eigendommen van verzoeker en van Vermeiren, niet meer zou kunnen verbreed worden. Het toekennen van een vergunning onder een onmogelijk te verwezenlijken voorwaarde is onwettelijk en heeft de nietigheid van de vergunning tot gevolg"; VII-15.072-11/17 VII-15.072-12/17 3.4.2. Overwegende de tussenkomende partij het volgende uiteenzet : "Beroeper heeft het onder de hoofding van dit middel opnieuw over het opgelegde groenscherm, dat zou voorzien zijn op het openbaar domein van de gemeente, en dat door verzoeker in tussenkomst derhalve niet gerealiseerd zou kunnen worden. Verzoeker in tussenkomst herhaalt terzake dat beroeper reeds zelf heeft kunnen vaststellen dat het groenscherm inmiddels wel degelijk werd aangeplant (cfr. de opmerkingen op pagina 5 van het administratief beroep bij de minister), zodat het argument dat het onmogelijk kan verwezenlijkt worden in ieder geval niet opgaat. En voor het overige is het duidelijk dat beroeper een middel put uit elementen die van burgerrechtelijke aard zijn, waarvan de Raad principieel niet bevoegd is kennis te nemen (zie de eerder aangehaalde vaste rechtspraak van de Raad)"; 3.4.3. Overwegende dat verzoeker zijn betoog, dat door de tussenkomende partij wordt tegengesproken en dat eerder betrekking heeft op betwistingen van burgerrechtelijke aard, niet staaft met concrete bewijzen; dat het middel niet gegrond is; 3.5.1. Overwegende dat in een zevende middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, van de artikelen 17 en 22 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), en van de artikelen 4.1.0.1, 4.1.3.1, 4.1.3.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II); dat dit middel als volgt wordt toegelicht : "Het is inderdaad ten onrechte dat in het bestreden besluit gesteld wordt dat t.o.v. van de eigendom van verzoeker, omdat dit de enige eigendom is in het ronde en gelegen in bosgebied, terwijl de hindergevoelige gebieden verder afliggen, de tolerantiedrempel inzake geurhinder hoger zou mogen gelegd worden. Terzake is het daarbij niet alleen de geurhinder die zo erg is. Door de kiemen verspreid door het gevogelte wordt in de onmiddellijke omgeving der stallen de gezondheid bedreigd. (Zie advies van de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg, vermeld in het besluit der Bestendige Deputatie van 28 maart 1996, blz. 4, lid 1) De woning van verzoeker ligt op 23 meter van de woning. Weliswaar wordt principieel aangenomen dat tegenover agrarisch gebied de hinderdrempel hoger mag gelegd worden. Maar terzake heeft Vermeiren zijn hinderlijk bedrijf vrijwillig en willekeurig recht tegenover de eigendom van verzoeker, op 23 meter geplaatst, terwijl hij genoeg plaats had om het anders te lokaliseren. En bij de oorspronkelijke aanvraag deed hij ten nadele van verzoeker valsheid in geschrifte, zoals vastgesteld bij het arrest van 27 september 1988 van het Hof van Cassatie. In zulke omstandigheden is er geen reden om de tolerantiedrempel van de hinder ten laste van verzoeker te verhogen. VII-15.072-13/17 Dientengevolge wordt verzoeker, door de bestreden beslissing gediscrimineerd, en wordt het principe van de gelijkheid van de burgers voor de wet miskend"; 3.5.2. Overwegende dat de tussenkomende partij daarover het volgende stelt : "Beroeper betoogt andermaal dat verzoeker in tussenkomst zijn stal elders had kunnen lokaliseren, argument waarop hierboven reeds uitvoerig werd ingegaan. Bij de argumentatie vergeet beroeper ook te vermelden dat hij niet ter plaatse zijn woonplaats heeft, die gevestigd is te Kontich aan de Antwerpsesteenweg. Beroeper heeft in de nabijheid enkel een buitenverblijf, omstandigheid die redelijkerwijze door het bestuur mede in rekening kan genomen worden bij het beoordelen van de tolerantiedrempel ten aanzien van hinder wegens agrarische activiteiten, temeer nog wanneer blijkt dat in de omgeving geen andere woningen bestaan. Verzoeker in tussenkomst heeft er tenslotte het raden naar wat beroeper bedoelt met de losse verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 27 september 1988 inzake een tenlastelegging wegens valsheid in geschrifte in hoofde van onder andere verzoeker in tussenkomst. Bedoeld arrest vernietigt enkel op burgerlijk gebied een arrest van 14 juni 1987 van het Hof van Beroep te Antwerpen dat verzoeker in tussenkomst had vrijgesproken voor de tenlastelegging, en verwijst de zaak voor de afhandeling van de burgerlijke belangen naar het Hof van Beroep te Brussel, alwaar het dossier momenteel nog steeds hangende is. Verzoeker in tussenkomst ziet dan ook niet goed in waar beroeper heen wil met zijn terloopse en dus zelfs verkeerde opmerking in dit verband. Het middel dient afgewezen te worden"; 3.5.3. Overwegende dat verzoeker niet verduidelijkt hoe de bestreden beslissing de aangehaalde bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en van Vlarem II schendt; dat er slechts sprake kan zijn van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer er een ongelijke behandeling is van personen of categorieën van personen die zich in een zelfde of soortgelijke toestand bevinden; dat niet wordt verduidelijkt of dit te dezen het geval is; dat in de mate dat de schending van het gelijkheidsbeginsel toegelicht wordt door te verwijzen naar het feit dat tussenkomende partij haar hinderlijk bedrijf vrijwillig en willekeurig recht tegenover de eigendom van verzoeker, op 23 meter, heeft geplaatst, terwijl zij genoeg plaats had om het elders te lokaliseren, en dat zij bij de oorspronkelijke aanvraag ten nadele van verzoeker valsheid in geschrifte heeft gepleegd, zodat er op die gronden bijgevolg geen redenen waren om de tolerantiedrempel inzake de hinder ten laste van verzoeker te verhogen, verzoeker de schending van het gelijkheidsbeginsel lijkt te situeren op het niveau van de verhouding tussen hem en de tussenkomende partij; dat deze partijen zich uiteraard niet in dezelfde of soortgelijke toestand bevinden, zodat ook hier geen sprake kan zijn van een VII-15.072-14/17 schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel; dat geen kopie wordt voorgelegd van het arrest van het Hof van Cassatie van 27 september 1998, terwijl de tussenkomende partij betwist dat daaruit kan worden afgeleid dat zij schuldig is aan valsheid in geschrifte; 3.6.1. Overwegende dat in een achtste middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 17, 20, 21 en 22 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, en van de artikelen 4.1.0.1, 4.1.3.1 en 4.1.3.2, van Vlarem II; dat dit middel als volgt wordt toegelicht : "In het achtste middel houdt verzoeker staande dat verweerder zijn verplichting, bij het beoordelen en toekennen van een exploitatievergunning, rekening te houden met alle feitelijke elementen van hinder, voorkomende uit geur, rook, stof, geluid, niet is nagekomen. Deze verplichting is o.m. vervat in artikelen 17, 20, 21 en 22, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, 4.1.0.1, 4.1.3.1 en 4.1.3.2, van Vlarem II. Het middel is ook gesteund op de overschrijding van macht (art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Het feit immers dat aan de voorwaarden van de afstandsregeling en andere voorschriften zou voldaan worden, ontslaat de overheid niet ook rekening te moeten houden met alle feitelijke gegevens van hinder, zoals die door verzoeker werden ingeroepen (zie desaangaande arrest nr. 46.642 van 24 maart 1994 van de Raad van State, inzake Rooms/Vlaams Gewest). Verzoeker heeft in zijn akte van beroep in de erbij gevoegde nota zeer uitvoerig de grote hinder uiteengezet, die hij ondergaat tengevolge van de vergunde inrichting (zie de nota, blz. 16 tot 18). Hij beriep zich desaangaande op de geur die door de overheersende westenwind rechtstreeks naar zijn woning geblazen wordt, kloeg de toestand der verluchtingsopeningen in de stal aan, en wees erop dat de ongefilterde uitlaten minder dan een halve meter boven de nok van het dak uitkwamen. Hij riep in dat over de uitwasemingen van de stookinstallatie geen gegevens verstrekt waren. Wat betreft het lawaai, haalde verzoeker de gegevens betreffende de milieukwaliteitsnormen aan en stelde dat het lawaai (van) 11 ventilatoren en 33.000 kippen, verhoogd met de verluchtingsopeningen in de richting van zijn woning, overdag de 45 db en ‘s nachts de 35 db op bijzondere tastbare en gevoelige wijze overschrijden. En wat betreft rook en stof, wees verzoeker reeds op het gebrek aan gegevens desbetreffend in de aanvraag en bekloeg zich over de verontreinigende lucht door de ongefilterde uitlatingen van de ventilatoren, en dit op 23 m. afstand van zijn woning. Uit het bestreden besluit blijkt hoegenaamd niet dat de Minister zijn bevoegdheid zou uitgeoefend hebben en de exploitatievoorwaarden der vergunning zou bepaald hebben rekening houdend met de concrete hinder door verzoeker ingeroepen. De Minister heeft derhalve zijn bevoegdheid niet op een wettelijke wijze uitgeoefend. Het bestreden besluit is aangetast door machtsoverschrijding en nietig"; VII-15.072-15/17 3.6.2. Overwegende dat het betoog van de tussenkomende partij als volgt luidt : "Verzoeker in tussenkomst merkt vooreerst op dat dit middel grotendeels, zoniet volledig samenvalt met de eerste drie middelen van het beroep, waar de minister verweten werd met betrekking tot de argumenten van beroeper inzake hinder het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd te hebben. Bij de ontwikkeling van het middel gaat beroeper er bovendien verkeerdelijk van uit dat de minister de Vlarem II-normen voor nieuwe inrichtingen zou moeten toepassen hebben (o.a. wat betreft de geluidshinder), terwijl de minister duidelijk motiveert waarom de inrichting van verzoeker in tussenkomst beschouwd moet worden als een bestaande inrichting. Gelet op dit foutieve uitgangspunt van beroeper, had de minister dan ook geen enkele reden om strengere, bijzondere voorwaarden op te leggen. Het middel dient verworpen te worden"; 3.6.3. Overwegende dat dit middel haast volledig samenvalt met de eerste drie middelen van het beroep; dat bovendien niet wordt toegelicht hoe de bestreden beslissing de aangehaalde bepalingen van het milieuvergunningsdecreet, en Vlarem II geschonden heeft; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-15.072-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.072-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div