id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.628 Rolnummer: A. 122133/XIV-10323 Zaak: Arrest 142628 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-12 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 09:32 Fiche Arrest nr 142.628 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.628 van 24 maart 2005 in de zaak A. 122.133/XIV-10.323. In zake : XXX, wonende te B., tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Armeense nationaliteit, op 17 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. KLAPWIJK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-10.323-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker verklaart de Armeense nationaliteit te bezitten. Hij is op 22 december 1996 in België binnengekomen waar hij zich op 23 december 1996 een eerste maal vluchteling verklaarde. 1.2. Op 13 februari 1997 wordt aan verzoeker een beslissing betekend van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 16 december 1997 beslist de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verder onderzoek noodzakelijk is. 1.4. Op 23 oktober 1998 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.5. Tegen laatstgenoemde beslissing dient verzoeker een beroep in bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.6. Op 20 januari 1999 verklaart de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep ontvankelijk doch ongegrond. 1.7. Op 28 december 2000 dient verzoeker een tweede asielaanvraag in. 1.8. Op 6 september 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.9. Op 18 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt : XIV-10.323-2/7 “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u Armeens staatsburger van Armeense origine. Op 22 december 1996 bent u in België aangekomen en op 23 december 1996 vroeg u hier asiel aan. Deze aanvraag werd afgesloten met een bevestiging van weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, genomen door de Vaste Beroepscommissie op 17 maart 1999. Zonder het Rijk te verlaten vroeg u op 28 december 2000 een tweede maal asiel aan in België. Als nieuwe elementen ter staving van uw asielrelaas legde u de volgende documenten neer: convocatiebrief waarbij u wordt opgeroepen te verschijnen op het politiekantoor van Erevan op 17 oktober 2000, convocatiebrief waarbij uw zoon M. wordt opgeroepen te verschijnen op het politiekantoor van Erevan op 21 november 2000, een brief van uw vrouw, een attest van het verblijf van uw zoon in het militair hospitaal van 22 november 2000 tot 29 november 2000, een verklaring door het "Condominium" dat er een onderzoek lopende is naar inbraak (12/12/1998) en brandstichting (25/10/1999), een attest van EXIL dat u psychische zorgen krijgt. Uw eerste asielaanvraag werd afgewezen omdat er omwille van de tegenstrijdigheden en anomalieën in uw opeenvolgende verklaringen geen geloof kon worden gehecht aan uw asielmotieven. De documenten die u nu in het kader van uw tweede asielaanvraag hebt neergelegd doen aan deze vaststellingen geen afbreuk. Wat betreft de beide convocatiebrieven is het erg merkwaardig dat een convocatie voor ondervraging wordt gestuurd naar een adres waar u en uw zoon al vier jaar vertrokken zijn, dat deze convocaties pas vier jaar na de door u ingeroepen feiten zouden hebben plaatsgevonden, dat u zou worden opgeroepen als "schuldige" terwijl u nergens in uw verklaringen enige melding heeft gemaakt van een effectieve veroordeling, dat uw zoon als minderjarige (hij was op het ogenblik van de convocatie slechts 17 jaar) een convocatie zou hebben ontvangen, dat uw zoon ondanks de betekening van de convocatie op het oude adres deze toch zou ontvangen en ondertekend hebben. Al deze elementen wijzen op een ernstige twijfel omtrent de authenticiteit van deze documenten. De problemen die uw vrouw aanhaalt in de brief die ze u heeft opgestuurd worden op generlei wijze gestaafd met concrete en relevante gegevens, zodat dit stuk niet als een objectief gegeven kan weerhouden worden. Met betrekking tot het attest van verblijf in het militair hospitaal dient te worden opgemerkt dat dit attest enkel betrekking heeft op uw zoon. Wat betreft de verklaring van het "Condominium" dient te worden vastgesteld enerzijds dat u op het ogenblik van de poging tot inbraak en de brandstichting reeds enkele jaren niet meer op dat adres woonde, anderzijds dat uit deze verklaring blijkt dat er door de overheid een onderzoek gevoerd wordt naar deze criminele feiten. Wat ten slotte het attest van EXIL betreft dient te worden vastgesteld dat dit attest geen uitsluitsel geeft over de eventuele oorzaken van uw psychische gesteldheid. Aangezien uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw dringend beroepsschrift voldoende blijkt dat uw asielaanvraag niet ontvankelijk is, acht ik het niet nodig u te verhoren.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Enig middel: schending van artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; schending van de artikelen 2, 3 en 4 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen, schending van het beginsel van behoorlijk bestuur DOORDAT, tegenpartij de bestreden beslissing als volgt motiveert: "Uw eerste asielaanvraag werd afgewezen omdat er omwille van tegenstrijdheden en anomalieën(
- en)in uw opeenvolgende verklaringen geen geloof kon worden gehecht aan uw asielmotieven. De documenten die u nu in het kader van uw tweede asielaanvraag hebt neergelegd doen aan deze vaststellingen geen afbreuk. Wat betreft de beide convocatiebrieven is het erg merkwaardig dat een convocatie voor ondervraging wordt gestuurd naar een adres waar u en uw zoon al vier jaar vertrokken zijn, dat deze convocaties pas vier jaar na de door u ingeroepen feiten zouden hebben plaatsgevonden, XIV-10.323-3/7 dat u zou worden opgeroepen als "schuldige " terwijl u nergens in uw verklaring enige melding heeft gemaakt van een effectieve veroordeling, dat uw zoon als minderjarige (hij was op het ogenblik van de convocaties slechts 17 jaar) een convocatie zou hebben ontvangen, dat uw zoon ondanks de betekening van de convocaties op het oude adres deze toch zou ontvangen (e)en ondertekend hebben. Al deze elementen wijzen op een ernstige twijfel omtrent de authenticiteit van deze documenten. De problemen die uw vrouw aanhaalt in de brief die ze u heeft opgestuurd worden op generlei wijze gestaafd met concrete en relevante gegevens, zodat dit stuk niet als een objectief gegeven kan weerhouden worden. Met betrekking tot het attest van het verblijf in het militair ziekenhuis dient te worden opgemerkt dat dit attest enkel betrekking heeft op uw zoon. Wat betreft de verklaring van het "Condominium" dient te worden vastgesteld enerzijds dat u op het ogenblik van de poging tot inbraak en de brandstichting reeds enkele jaren niet meer op dat adres woonde, anderzijds dat uit deze verklaring blijkt dat er door de overheid een onderzoek wordt gevoerd naar deze criminele feiten. Wat tenslotte het attest van Exil betreft dient te worden vastgesteld dat dit attest geen uitsluitsel geeft over de eventuele oorzaken van uw psychische gesteldheid." Overwegende dat tegenpartij zich vragen stelt omtrent het feit dat de genoemde convocaties naar een adres werden gestuurd waar verzoeker en zijn zoon sinds vier jaren niet meer verbleven; dat om die reden tegenpartij haar twijfels lijkt te uiten omtrent de authenticiteit van de voorgelegde dokumenten; Dat op dit punt tegenpartij de feiten op subjectieve en eenzijdige wijze interpreteert en zij op dit ook tevens niet over voldoende feitelijke elementen beschikt; Dat het uiteraard zo is dat de gehele familie van verzoeker ten gevolge van de hogerbeschreven problemen en dreigementen besloten had niet meer in het familiale huis te vertoeven; Dat het huis gedurende de vier jaren leeg heeft gestaan en tot op heden nog altijd de eigendom is van verzoeker; Dat het inderdaad zo is dat de buren van verzoeker een oogje in het zeil hielden en tevens de post doornamen en dokumenten namens verzoeker en zijn familieleden in ontvangst namen; Dat de buurman van verzoeker de convocatie voor ontvangst heeft afgetekend, en dat het derhalve dus niet de zoon van verzoeker is geweest die, zoals door in de bestreden beslissing wordt gesteld, deze dokumente(
- n)heeft ontvangen; Dat tegenpartij derhalve uitgaat van verkeerde feiten en is gebleken dat de zij de feiten aangebracht door verzoeker niet goed verstaan heeft; Dat tegenpartij het in de bestreden beslissing echter niet nodig achtte verzoeker te horen; Dat in het licht van de belangrijkheid van de aangebrachte dokumenten en de daaraan verbonden feiten niet zomaar kon worden gesteld dat deze dokumenten vals zijn; Dat, als beginsel van behoorlijk bestuur, verzoeker minstens hieromtrent gehoord diende te worden, temeer daar uitgegaan werd van verkeerde of niet bestaande feiten en dat uit de beslissing niet zonder meer kan worden opgemaakt hoe tegenpartij tot haar versie van de feiten komt; Dat het derhalve in geen geval klaarblijkelijk was dat een verder onderzoek niet noodzakelijk was en verzoeker derhalve diende te worden gehoord; Overwegende tegenpartij nog opwerpt "dat u zou worden opgeroepen als "schuldige” terwijl u nergens in uw verklaring enige melding heeft gemaakt van een effectieve veroordeling"; Dat het ten eerste in het geheel niet duidelijk is naar welke verklaring van verzoeker wordt verwezen in het kader van deze asielaanvraag; Dat er ten tweede van verzoeker enkel maar wordt gezegd dat hij door de autoriteiten als een schuldige wordt beschouwd - i.e. arbitraire kwalificatie - en dat er derhalve ook geen sprake is noch kan zijn van een effectieve veroordeling waarvan verzoeker gewag kan of zou moeten gemaakt hebben voor tegenpartij; Overwegende dat naar aanleiding van de verklaring van het "Condominium" volgens tegenpartij dient worden vastgesteld dat verzoeker op het ogenblik van de poging tot inbraak en de brandstichting reeds enkele jaren niet meer in het huis woonde, en dat uit deze verklaring blijkt dat er door de overheid een onderzoek wordt gevoerd naar deze criminele feiten; XIV-10.323-4/7 Dat uit het feit dat er een onderzoek zou worden gevoerd over die feiten niet onmiddellijk kan worden afgeleid dat verzoeker de bescherming van de Staat kan genieten; Dat het geheel niet duidelijk is wie dat onderzoek voert en met welke doelstelling; Overwegende tegenpartij tenslotte nog stelt dat het attest van Exil geen uitsluitsel geeft over de eventuele oorzaken van uw psychische gesteldheid; Dat tegenpartij hier tevens uitgaat van een subjectieve interpretatie van de gegevens aangebracht door verzoeker; Dat in gevallen als deze, waarbij een geneesheer of psychiater post factum mentale of fysieke aandoeningen bij het achterhalen van de oorzaak ervan - om deotologische redenen - niet verder kunnen gaan dan te besluiten dat er een hoge mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aandoeningen in kwestie een welbepaalde oorzaak hebben; dat zij omtrent de oorzaak echter zelden tot een absolute zekerheid kunnen komen; ZODAT, alle onderdelen samengenomen Dat uw Raad kan vaststellen dat verzoeker een coherent, precies en omvattend relaas heeft gegeven omtrent de feiten die zijn asielaanvraag motiveren; Dat uw Raad in het verleden heeft geoordeeld dat de motivering op objectieve motieven dient te berusten (C.E., n/ 51176, 17 januari 1995) en niet op veronderstellingen, persoonlijke interpretaties, overschouwingen of politieke reflecties (R.v.St., arrest n/ 51.048, mei 1995); Dat om te kunnen oordelen of een aanvraag kennelijk ongegrond is de asielautoriteit zich moet baseren op vaststaande gegevens en duidelijke argumenten; (C.E. WUMBA, n/ 57.531 van 16 januari 1996, MIAH, n/ 85886 van 27 maart 1996 en n/ 58.957 van 29 maart 1996, arrest n/ 85.806 van 3 maart 2000, T.V.R. oktober 2000, 172 en arrest n/ 85.862 van 9 maart 2000, T.V.R. oktober 2000, 173); Dat onder "klaarblijkelijk" in de zin van artikel 52 Vreemdelingenwet dient te worden verstaan datgene waarvan het bestaan of de aard door een redelijke geest erkend wordt met een dergelijke overtuigingskracht dat verdere onderzoeken niet noodzakelijk lijken (R.v. St. nr/ 90.753, 14 november 2000); Dat het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de Status van Vluchtelingen aan de verdragsluitende staat weliswaar een ruime beoordelingsbevoegdheid laat met betrekking tot de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; Dat genoemde beoordelingsbevoegdheid in Belgisch recht wordt ingevuld door artikel 52 van de Vreemdelingenwet die het de bevoegde autoriteit mogelijk maakt de on(t)ontvankelijkheid van een asielaanvraag te doen afhangen van de overlegging van een begin van bewijs van de aangevoerde vervolgingen en van een samenhangend relaas van de asielaanvrager; Dat om deze wetsbepaling volgens de regels toe te passen de tegenstrijdigheden en onsamenhangendheden die door de bevoegde asielautoriteit naar worden opgeworpen, zo belangrijk moeten zijn dat ze niet redelijkerwijze kunnen worden verklaard (R.v.St. nr/ 90.753, 14 november 2000) en dat ze de zekerheid rechtvaardigen dat de asielzoeker niet de hoedanigheid van vluchteling heeft (C.E. arrest n/ 94949 van 25 april 2001); Dat tegenpartij tekortschiet in de motiveringsplicht hem opgelegd door artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Dat tevens de artikelen 2, 3 en 4 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen worden geschonden alsook het beginsel van behoorlijk bestuur Dat het middel als ernstig voorkomt;”; XIV-10.323-5/7 2.2. Overwegende dat in de bestreden beslissing vooreerst wordt vastgesteld dat verzoekers eerste asielaanvraag werd afgewezen omdat er omwille van de tegenstrijdigheden en anomalieën in verzoekers opeenvolgende verklaringen geen geloof kon worden gehecht aan zijn asielmotieven; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelt dat de door verzoeker naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag neergelegde documenten geen afbreuk doen aan voornoemde vaststelling; dat dit het doorslaggevend motief is dat aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt; dat in het verzoekschrift door verzoeker opmerkingen worden geformuleerd met betrekking tot de door hem neergelegde documenten; dat hij nergens argumenten aanbrengt die voornoemde vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met betrekking tot de documenten weerleggen of ontkrachten; dat verzoeker geen element aanbrengt waaruit blijkt dat de door hem neergelegde documenten bij zijn tweede asielaanvraag een ander licht werpen op zijn asielmotieven; dat voor zover verzoeker opwerpt dat hij diende gehoord te worden door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dient opgemerkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is de kandidaat-vluchteling mondeling te horen, indien hij van oordeel is dat hij over voldoende elementen beschikt om zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden en op afdoende wijze te motiveren; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beweegreden om verzoeker niet te horen uitdrukkelijk uiteenzet in de bestreden beslissing; dat hij vermeldt dat uit verzoekers verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uit het verzoekschrift tot dringend beroep voldoende blijkt dat verzoekers asielaanvraag niet ontvankelijk is; dat verzoeker tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en in zijn beroepschrift dringend beroep de mogelijkheid heeft gehad zijn asielmotieven uiteen te zetten en toe te lichten; dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om verzoeker niet mondeling te horen niet kennelijk onredelijk is; dat, met betrekking tot verzoekers opmerking dat “de motivering op objectieve motieven dient te berusten en niet op veronderstellingen, persoonlijke interpretaties, overschouwingen of politieke reflecties”, moet opgemerkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, wanneer hij oordeelt in dringend beroep, over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat hij rekening kan houden met alle elementen en gegevens die hij noodzakelijk acht; dat aldus het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de beoordeling van verzoekers asielrelaas ook elementen en gegevens betrekt die hij afleidt uit een eerste asielaanvraag; dat, aangezien verzoeker er niet in slaagt het decisief motief van de bestreden beslissing te ontkrachten of te weerleggen, moet worden besloten dat de schending van de ingeroepen motiveringsplicht niet kan worden aangenomen; dat het enig middel niet gegrond is, XIV-10.323-6/7 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.323-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div