← België

Arrest 142633 - - 24/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.633 Rolnummer: A. 126103/XIV-11487 Zaak: Arrest 142633 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:32 Fiche Arrest nr 142.633 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.633 van 24 maart 2005 in de zaak A. 126.103/XIV-11.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaten Fr. en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Tsjechische nationaliteit, op 29 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 juli 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 19 september 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.487-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaten Fr. en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX en XXX, beide van Tsjechische nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 7 juni 2002 en hebben zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 17 juni 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken in beide asielaanvragen een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. De beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 juli 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juni 2002 tot weigering van verblijf zijn als volgt gemotiveerd : Wat verzoeker betreft : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Tsjechisch staatsburger van Roma-origine, verklaart dat u in Tsjechië een persoon vond die u niet-officieel 50000 kronen leende. U diende deze lening aan te gaan om nieuwe goederen (textiel) aan te kopen daar de politie onterecht een inbeslagname had gedaan. Toen u een maand later het geld wou teruggeven werd 150000 kronen geëist. U leende hiervoor onder meer geld bij de familie en deelde vervolgens mee dat u niet meer wou betalen. De geldeisers eisten dat u voor hen geld zou witwassen. De dag daarop vluchtte u naar België. U vroeg samen met uw partner, XXX asiel aan in België op 7 juni
  8. Onlangs had u telefonisch contact met de moeder van uw vriendin die vertelde dat deze mensen waren langsgeweest en ermee dreigden jullie te doden. Ze had per ongeluk verklapt dat jullie waren gevlucht. U verklaarde voor het Commissariaat-generaal uw land te hebben verlaten uit angst voor de medewerkers (waaronder politieagenten) van de persoon bij wie u geld leende. U verklaarde voor het CGVS dat dit de hoofdreden was voor uw vlucht naar België (p. 2, 3). Er dient te worden opgemerkt dat u van deze reden voor uw vlucht (CGVS p. 9) geen melding maakte bij de DVZ, zoals u zelf ook voor het CGVS verklaart (CGVS p. 3). Gelet op uw verklaringen als zou dit de hoofdreden zijn van uw vlucht XIV-11.487-2/9 uit Tsjechië mag van u toch verwacht worden dat u deze problemen, indien deze daadwerkelijk plaatsvonden, reeds eerder voor de DVZ had aangehaald. De argumenten dat u hiervoor opgeeft, namelijk de angst dat deze personen u zouden vinden, het feit dat men bij de DVZ kon denken dat u een maffialid was en de angst voor deze personen indien u zou worden teruggestuurd naar Tsjechië kunnen echter niet als afdoende worden beschouwd. Daarnaast dienen nog een aantal tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de beide asielinstanties, waardoor geen geloof meer gehecht kan worden aan de door u aangehaalde problemen tot staving van uw asielaanvraag. Zo verklaarde u (CGVS p. 6, 7) dat u verplicht was een lening aan te gaan daar uw goederen door de politie onterecht in beslag waren genomen. U verklaarde bij de DVZ (pt. 42) uitdrukkelijk dat uw goederen 2 maal door de politie in beslag werden genomen, terwijl u bij het CGVS (p. 7, 8) verklaarde dat éénmaal uw goederen door de politie in beslag werden genomen en u een maand later het geld leende. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat u naast de inbeslagname van de goederen, de problemen naar aanleiding van de lening geen concrete incidenten meer aanhaalde met de politie. U stelde voor het Commissariaat-generaal bovendien uitdrukkelijk dat u naast de problemen naar aanleiding van de lening geen andere problemen kende met de politie (CGVS, p. 11). Voor de DVZ verklaarde u daarentegen dat u, naar aanleiding van een incident waarbij uw auto werd vernield, door de politie werd geslagen (DVZ, pt.42 en pt.45). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan er in het kader van uw asielaanvraag niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het door u neergelegde Tsjechisch paspoort bevat enkel persoonsgegevens die niet in twijfel worden getrokken en wijzigt aldus bovenstaande conclusie niet. (...).”. Wat verzoekster betreft : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Tsjechisch staatsburger van Roma-origine, verklaart dat uw partner 50000 kronen leende (niet officieel) nadat jullie goederen door de politie in beslag waren genomen. Hij diende een zeer hoge intrest terug te betalen. De geldschieters eisten dat uw partner voor hen geld zou witwassen. Uit angst voor deze personen ontvluchtte u samen met uw partner Tsjechië. U vroeg asiel aan op 7 juni
  9. Uit uw verklaringen bij het Commissariaat-generaal blijkt dat u uw asielaanvraag baseert op dezelfde motieven als die aangebracht door uw partner, XXX ter staving van diens asielaanvraag. Aangezien in hoofde van uw partner een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van zijn asielrelaas, kan ook in uw hoofde geen beslissing tot ontvankelijkheid van de asielaanvraag worden weerhouden. Het door u neergelegde Tsjechisch paspoort bevat enkel persoonsgegevens die bovenstaande vaststelling niet wijzigen. (...).”. XIV-11.487-3/9
  10. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  11. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren : “C. Eerste ernstig Middel: Schending van de wettelijke opdracht van verweerders Overwegende dat de Commissaris Generaal er zich in zijn beslissing mee vergenoegd zich te beperken tot de blote vaststelling dat enerzijds een aantal feiten niet zouden zijn opgegeven aan de Minister van Binnenlandse Zaken en anderzijds het feit dat er tegenstrijdigheden zouden bestaan tussen het relaas van vertogers bij dieptevergelijk; Dat de vaststellingen van de C.G. bijzonder laconiek en lapidair zijn en zich beperken tot een vergelijking in detail van de onderscheiden verhoren; Dat evenwel verweerder voorbijgaat aan de inhoud van de beroepsakte die in niet mis te verstane bewoordingen stelt dat zij niet werden bijgestaan door een tolk in de Tsjechische taal maar integendeel een tolk POOLS die hoegenaamd niet alles begreep, laat staan dat hij dit correct zou hebben kunnen vertalen naar de Minister toe; Dat bovendien het verhoor moest worden afgewerkt in "zeven haasten" en vertogers zelfs hun verhoor zoals dit werd afgenomen door de ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken niet werd voorgelezen teneinde onvolkomenheden te corrigeren; Dat deze problemen werden aangehaald in de beroepsakte maar dat verweerder verkoos deze te negeren en over te gaan tot een dieptevergelijk tussen de twee teksten... Dat wat volstrekt onbetwistbaar is niet wordt nagekeken door verweerders, zijnde de problematiek van de Rom-Zigeuners, de georganiseerde misdaad en witwaspraktijken; Dat het persoonlijk risico dat vertogers zouden kunnen lopen bij eventuele terugwijzing kan bestaan uit levensgevaar of bedreiging van de individuele vrijheid maar ook gevaar voor foltering, een onmenselijke en of vernederende behandeling waaraan niemand mag worden onderworpen ( zie E.V.R.M., Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955, B.S. 19 augustus 1955, err. 29 juni 1961, Art. 3) Dat deze dreiging uitgaat van de eigen bevolking (georganiseerde misdaad), minstens oogluikend wordt toegelaten door de zogenaamd "legitieme" overheid (die blijkbaar zelfs hand en spandiensten leveren aan deze criminelen) wat nauwelijks kan worden verhinderd door de internationale gemeenschap; Dat de Commissaris Generaal daar zijn taak te licht opneemt en verzuimt te polsen naar de redenen voor asiel die worden aangedragen door vertogers zoals dit zijn opdracht is; Dat eenvoudige discrepanties in een asielverhaal op zich niet moeten leiden tot een beslissing van niet ontvankelijkheid om reden van bedrog zeker niet wanneer wordt aangegeven in een beroepsakte (houdende grieven en middelen) dat partijen elkaar niet eens behoorlijk konden begrijpen; Dat vertogers weten dat tientallen dossiers per week worden ingeleid op dezelfde gronden voor de Minister, voor de C.G. en voor de Raad van State zodat het absurd is blind te blijven voor de problematiek van de Rom-Zigeuners in het voormalige Oostblok in het algemeen en de Tsjechische republiek in hij (het) bijzonder;(;) Dat dergelijk handelen niet hoort tot de opdracht van de Commissaris Generaal in de fase van de ontvankelijkheid; Dat overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht de Dienst vreemdelingenzaken, en in geval van dringend beroep de Commissaris Generaal, moeten bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat; (zie : M. Bossuyt, "Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingenwet voor de Senaatscommissie voor de Binnenlandse aangelegenheden” Parl.St. 1992-93 , nr. 555/2,

(54)55 , nr. 4) Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal; ( zie D. Vanheule , "Vluchtelingen : een overzicht", Mys en Breesch , Gent, tweede uitgave , 1998 , nr. 348) Dat bovendien de term “kennelijk” in artikel 52 § 1 , 7/ Vr.W. de beslissingsbevoegdheid van de administraties nog verder beknot tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzing van gegronde vrees voor vervolging duidelijk herkenbaar is; XIV-11.487-4/9 Dat van zodra er ook maar enig ernstig element is aangebracht of er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat moet de kandidaat vluchteling het voordeel van de twijfel worden gegeven en moet hij worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde; (zie D. Vanheule , "Vluchtelingen : een overzicht", Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 349 ev. Dat in plaats van de verklaringen te toetsen aan objectieve gegevens die de Commissaris Generaal kent, de Commissaris Generaal louter zich beperkt tot de vaststelling dat volgens hem de Minister correct handelde en dat vertogers moeten worden afgewezen omdat in haar asielverzoek een aantal tegenstrijdigheden kunnen worden gevonden die men evenwel niet verkiest uit te klaren; Dat om tot een rechtmatig besluit te komen de betrokken administratie volledig op de hoogte moet zijn van de feiten die haar besluitvorming kunnen beïnvloeden en dat het de taak van een onafhankelijke administratie zou moeten zijn objectief een dossier samen te stellen en ieder dossier op een eerlijke wijze te beoordelen; Dat de Commissaris Generaal hier in dezelfde zin zijn opdracht te buiten is gegaan zodat de beslissing aangetast is door machtsafwending, waarover eveneens infra meer; Dat de Raad van State dan ook niet zal aarzelen de materiële juistheid van de ingeroepen feiten te verifiëren en daarvoor haar toevlucht zal nemen tot alle middelen die zij nodig acht; ( zie De Wijngaert, M., 'De feitencontrole door de Belgische en de Franse Raad van State', T.B.P. , 1995 , 199-211 287-295) Dat zeer concreet de redenen om te besluiten tot bedrieglijkheid op zich evenwel geen afbreuk doen aan de consistentie van het vluchtelingenverhaal van vertogers, waarover infra meer; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen in strijd met de wettelijke opdracht van verweerders en op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolkomen dossier zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; 2.1.2.
  1. Overwegende dat in het eerste middel de verzoekende partijen stellen dat de verwerende partij haar wettelijke opdracht schendt doordat zij zich beperkt tot de blote vaststelling dat, enerzijds, een aantal feiten niet zouden zijn opgegeven aan de Minister van Binnenlandse Zaken en, anderzijds, het feit dat er tegenstrijdigheden zouden bestaan tussen het relaas van de verzoekende partijen bij een “dieptevergelijk”; dat tevens de verzoekende partijen erop wijzen dat zij op de Dienst Vreemdelingenzaken werden geconfronteerd met een tolk Pools die niet alles zou hebben begrepen en hun verklaringen toen niet werden voorgelezen ter controle, dat desondanks de asielaanvragen worden verworpen omwille van verschillen in details die blijken bij een dieptevergelijk en op de reële problemen niet wordt ingegaan in de bestreden beslissing, zodat aldus de beslissingnemende overheid verzuimt aan zijn opdracht door niet te polsen naar de redenen voor asiel die door de verzoekende partijen worden aangedragen, dat alleszins de ingeroepen feiten zodanig ernstig zijn dat niet kan worden besloten tot de onontvankelijkheid, in casu op basis van een aantal tegenstrijdigheden die men verkiest niet op te helderen en een beslissing wordt genomen zonder over alle relevante feiten op de hoogte te zijn; dat de beslissingnemende overheid tevens haar opdracht te buiten is gegaan waar zij haar taak te licht opneemt en zich niet interesseert voor de problematiek in het land van herkomst van de verzoekende partijen zodat aldus sprake is van machtsafwending; dat alleszins de bestreden beslissing werd genomen op basis van een “mank samengesteld en onvolkomen dossier”; XIV-11.487-5/9 2.1.2.
  2. Overwegende dat op basis van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard; dat in casu de asielaanvragen onontvankelijk werden verklaard op basis van het feit dat de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij bedrieglijk is en omdat de tweede verzoekende partij zich op dezelfde feiten beroept als de eerste verzoekende partij, de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij als kennelijk ongegrond onontvankelijk wordt verklaard; dat de verzoekende partijen het bewijs dienen te leveren dat de kwalificatie van de beslissingnemende overheid, kennelijk onredelijk is waardoor deze instantie niet voldoet aan haar wettelijk vastgelegde opdracht, met name oordelen of het asielrelaas van een kandidaat-vluchteling voldoende ernstig kan worden geacht om verder te worden onderzocht in de gegrondheidsfase; dat in casu er ten aanzien van de eerste verzoekende partij wordt besloten tot de onontvankelijkheid omdat eerste verzoeker een aantal elementen tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken niet heeft vermeld die aan de basis van de vlucht naar België zouden liggen en omdat bij vergelijking van zijn verklaringen er tegenstrijdigheden werden vastgesteld; dat, met betrekking tot de tweede verzoekende partij, die zich in wezen op de door haar echtgenoot, de eerste verzoekende partij, ingeroepen feiten beroept, omwille van de negatieve beoordeling van de eerste verzoekende partij tot de kennelijke ongegrondheid wordt besloten; dat, gelet op motivering en gelet op het ontbreken van een werkelijke ontkrachting of weerlegging van deze vaststellingen in het verzoekschrift dient besloten dat de beslissingnemende overheid niet onredelijk te werk is gegaan bij het nemen van de bestreden beslissingen; dat de verzoekende partijen er alleszins niet in slagen de onredelijkheid van het oordeel van de beslissingnemende overheid aan te tonen; dat dient vastgesteld dat de beide verzoekende partijen tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken een tolk Tsjechisch ter beschikking hadden; dat de beide verzoekende partijen het verhoorverslag ondertekenden als in overeenstemming zijnde met hun verklaringen; dat het loutere feit dat de gebruikte tolk niet van Tsjechische origine zou zijn niets afdoet aan de vaststelling dat beide verzoekende partijen zich tijdens dit verhoor op verstaanbare wijze hebben kunnen uitdrukken; dat uit de lezing van de verhoorverslagen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat het verhaal dat werd verteld op de Dienst Vreemdelingenzaken wordt bevestigd en wordt aangevuld met bepaalde zaken die plots het hoofdmotief voor de vlucht blijken te zijn; dat het heel onwaarschijnlijk is dat men het hoofdmotief voor de vlucht niet zou vertellen of vertalen tijdens een eerste verhoor waar letterlijk naar de motieven wordt gevraagd onder de rubriek 42; dat deze verhoorverslagen bijgevolg kunnen dienen als basis bij de vergelijking van de verklaringen van de verzoekende partijen; dat het gegeven dat men van bij aanvang van een asielprocedure niet het hoofdmotief van een vlucht vermeldt, voldoende kan zijn om tot de bedrieglijkheid te besluiten; dat uit niets blijkt dat de verklaringen die werden gegeven op de Dienst Vreemdelingenzaken niet ter controle werden voorgelezen in het Tsjechisch aan de verzoekende partijen; dat, met betrekking tot de uitoefening van de taken die aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden opgedragen de XIV-11.487-6/9 verzoekende partijen er niet in slagen aan te tonen dat de verwerende partij haar taak te licht zou hebben opgenomen, met vooringenomenheid zou hebben beslist of niet naar behoren haar taak zou hebben vervuld; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  3. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren : “D. Tweede ernstig Middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertogers de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de verplichting tot zorgvuldigheid; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie : I., Opdebeek, "Het Recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen" in Opdebeek. (ed.) Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993, 51) Dat de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Stateloze(n) meent een beslissing te moeten nemen op grond van loutere vergelijking van de verklaringen van vertogers; Dat wat evenwel essentieel is in het dossier buiten beschouwing wordt gelaten en zelfs formeel wordt betwijfeld louter en alleen gelet op de zogenaamde tegenstrijdigheden; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen bijzonder onzorgvuldig is te werk gegaan daar waar hij bovendien de beweringen niet heeft onderzocht en getoetst aan algemeen bekende informatie en beschikbare rapporten van humanitaire internationale organisaties; Dat bovendien verweerder niet de minste rekening heeft gehouden met de middelen ontwikkeld in de beroepsakte betreffende volstrekte onverstaanbaarheid van een tolk Pools in een Tsjechisch dossier en het tempo van de afwerking van het verhoor; Dat inderdaad bij het eerste verhoor het niet snel genoeg kon gaan en de verklaring niet werd gecontroleerd of nagelezen; Dat het weinig zorgvuldig is een defecte administratieve akte in diepte te vergelijken met een later (zorgvuldig gevoerd) verhoor om daarna op grond van anomalieën vertogers af te wijzen gelet op inconsistenties; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; 2.2.2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede middel aanvoeren dat de beginselen van behoorlijk bestuur, en dan met name het zorgvuldigheidsbeginsel, werden geschonden doordat de beslissingen werden genomen op basis van een loutere vergelijking van hun verklaringen, zonder dat de verklaringen van de verzoekende partijen werden onderzocht en getoetst aan de algemeen bekende informatie; dat bovendien de essentiële bestanddelen van de verklaringen van de verzoekende partijen buiten beschouwing worden gelaten en een verkeerde tolk werd gebruikt; 2.2.2.
  5. Overwegende dat, met betrekking tot het geschonden geachte zorgvuldigheidsbeginsel, kan worden gewezen op artikel 52 van de Vreemdelingenwet waarin de criteria staan vermeld waarom een asielaanvraag als onontvankelijk kan worden afgewezen; dat een van die criteria de bedrieglijkheid is; dat het bedrieglijk karakter kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten aanzien van XIV-11.487-7/9 gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier en tevens wanneer de verklaringen van een kandidaat-vluchteling afgelegd tijdens het eerste en de tweede verhoor volledig van elkaar verschillen, zodat het eerste en het tweede asielrelaas haast niets met elkaar te maken hebben, wat in casu het geval is, daar tijdens het eerste verhoor waaraan de verzoekende partijen werden onderworpen wetens en willens bepaalde zaken werden verzwegen die de hoofdreden voor de vlucht uitmaakten; dat dient vastgesteld dat op basis van het administratief dossier er geen reden is om aan te nemen dat de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden; dat de verzoekende partijen door de twee beslissingnemende overheden over asielaanvragen werden gehoord; dat dit telkens gebeurde in de taal die de verzoekende partijen hadden aangegeven; dat de bewering van de verzoekende partijen dat de tolk het Pools zou hebben gebruikt nergens hard wordt gemaakt; dat alleszins de verzoekende partijen de kennelijke onzorgvuldigheid bij het nemen van de bestreden beslissingen niet aantonen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  6. Overwegende dat verzoekers als derde middel aanvoeren : “E. Derde ernstig Middel: Afwending van macht: miskenning van feitelijkheden Overwegende dat vertogers willen laten gelden dat verweerders steeds in dezelfde zin op flagrante wijze de feitelijkheden miskennen en hierdoor hun macht afwenden; Dat de Commissaris-generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen perfect op de hoogte is (of zouden moeten zijn) van de toestand in het voormalige Oostblok in het algemeen en in Tsjechië in het bijzonder; (zie ten overvloede supra) Dat zij weten dat de Rom-zigeuners een minderheid is die leeft in Tsjechië en specifieke bescherming behoeft omdat de overheersende bevolkingsgroep de mening is toegedaan dat de Rom minderwaardige burgers zouden zijn; Dat de Rom in hun moederland moeten leven in de grootste armoede, uitgesloten van sociale zekerheid, onderwijs en zonder uitzicht op werk, speelbal van georganiseerde misdaad dit zonder bescherming van de overheid die laat betijen; Dat uit het dossier dit ook ten volle moge blijken daar waar vertogers aangeven zelfs het slachtoffer te zijn van politiebrutaliteit wanneer zij zich beklagen over inbreuken op hun rechten en vrijheden ... Dat verweerders dan ook perfect weten dat vertogers zich dan ook niet onder bescherming kunnen stellen van welke overheid dan ook en dienden de vlucht te nemen; Dat daar waar deze aanslagen tegen hun persoon zich richten tot personen van de Rom- etnie in haar geheel beantwoorden zij geheel aan de definitie van het woord "Vluchteling"; Dat de vrees van vertogers zelf nog te worden onderworpen aan verdere schendingen concreet is en het verzoek strekkende tot erkenning zowel ontvankelijk is als gegrond; Dat terzake de weigering van verblijf van de Minister en de daaropvolgende bevestigende beslissing van weigering verblijf van de C.G. zonder meer politieke beslissingen zijn die strak de lijn volgen van de beleidslijnen die de regering heeft bepaald en die er moeten toe leiden dat binnen korte termijn Tsjechië een plaats zou vinden binnen de Europese-Unie Dat er dan ook vanuit die optiek geen onafhankelijk en ernstig onderzoek kan worden gedaan naar enig asielverzoek uit Tsjechië omdat deze streek door de Minister (en de C.G.), wars van internationale rapporten, zonder meer als een veilig land moet worden beschouwd waarvan geen vluchtelingen meer worden toegelaten; Dat het manifest miskennen van de stukken en publieke rapporten een afwending van macht inhoudt zodat eveneens op deze grond de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt ; Dat vertogers dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd; XIV-11.487-8/9 Dat verzoekers overeenkomstig Artikel 39 van het K.B. van 9 juli 2000 vragen dat onderhavige zaak door de voorzitter of de Staatsraad wordt verwezen naar een Kamer met drie leden;”; 2.3.
  7. Overwegende dat, met betrekking tot de opgeworpen machtsafwending erop kan worden gewezen dat machtsafwending inhoudt dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem werd verleend tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven; dat de verzoekende partijen op geen enkel ogenblik duidelijk maken dat de beslissingnemende overheid haar bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze macht is gegeven, zijnde de controle van asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat uit de bespreking van de twee vorige middelen is gebleken dat de verklaringen van de verzoekende partijen in concreto werden onderzocht; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.487-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.