← België

Arrest 142635 - - 24/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.635 Rolnummer: A. 123451/XIV-10714 Zaak: Arrest 142635 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:33 Fiche Arrest nr 142.635 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.635 van 24 maart 2005 in de zaak A. 123.451/XIV-10.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BAERT, kantoor houdende te 9051 GENT, Kerkwegel 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bosnische nationaliteit, op 4 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juni 2002 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 8 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-10.714-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat S. BAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Bosnische nationaliteit, komt op 17 maart 2001 in België binnen. Op 5 november 2001 dient hij samen met zijn ouders M. S. en Z. A., met zijn broer S. A. en zijn zus F. A. een asielaanvraag in. 1.
  4. Deze asielaanvraag wordt op 10 december 2001 definitief afgesloten met twee bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
  5. Op 22 januari 2002 wordt door de politie van Antwerpen ten aanzien van verzoeker een proces-verbaal opgesteld wegens diefstal van een auto. 1.
  6. Op 28 mei 2002 wordt verzoeker aangehouden en op 29 mei 2002 wordt hij opgesloten in de gevangenis van Antwerpen wegens diefstal met geweld of bedreiging. Op 4 juni 2002 wordt verzoeker opnieuw vrijgelaten. 1.
  7. Bij zijn vrijlating op 4 juni 2002 wordt verzoeker een bevel betekend om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt : “(...) REDEN(EN) VAN DE BESLISSING :

(2)0- artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: de betrokkene is niet in het bezit van een geldig nationale paspoort. (...).”. XIV-10.714-2/5
  1. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  2. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “Eerste middel - Schending van art. 8 EVRM De verzoekende partij is geboren te Visoko op 23 februari
  3. Hij had aldus nog niet de leeftijd van achttien jaar toen zijn ouders op 5 september 2001 de aanvraag formuleerden. Verzoeker heeft alhier school gevolgd en is voor zijn onderhoud volledig afhankelijk van zijn ouders, die samen met hem en de andere leden van het gezin te Nevele aan de Blasiusdriesstraat 2 bus 7 verblijven. Verzoeker werd namelijk destijds, op 5 november 2001 samen met zijn ouders en de andere kinderen verwezen naar het opvanginitiatief OCMW te Nevele. Verzoeker is voor zijn opleiding en levensonderhoud volledig afhankelijk van zijn ouders. Verzoeker wenst zijn opleiding te voleindigen. Hij heeft in zijn thuisland geen nadere banden die voor zijn opvoeding en opleiding kunnen instaan. Het bevel om het grondgebied te verlaten betekent aldus een zware breuk van de familiebanden van de jonge verzoeker, en de maatregel is gelet op zijn situatie buitenmaats in vergelijking met de inmenging die zij vormt in zijn privé en gezinsleven. Het eerste middel is aldus gegrond.”; dat hij hieraan toevoegt in zijn memorie van wederantwoord : “Dat verzoeker laat gelden dat het niet opgaat om van een persoon die minderjarig was bij het betreden van het Belgisch grondgebied, en dus niet over geldige reispapieren diende of kon beschikken eenmaal hij meerderjarig is geworden te eisen dat hij, als vluchteling afgesneden van zijn thuisland, wel over de nodige papieren dient te beschikken. Het eerste middel is aldus gegrond.”; 2.1.2.
  4. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 8 van het E.V.R.M.; dat verzoeker stelt dat hij schoolgaat in België en voor zijn opleiding en levensonderhoud volledig afhankelijk is van zijn ouders “die samen met hem en de andere leden van het gezin te Nevele (...) verblijven”; dat verzoeker aanvoert dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten “aldus een zware breuk van de familiebanden” betekent; 2.1.2.
  5. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de asielaanvraag van verzoeker, zijn ouders en andere gezinsleden reeds op 10 december 2001 definitief werd afgesloten met een bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker, samen met zijn ouders en zijn broer en zus bijgevolg als sinds geruime tijd het land diende te hebben verlaten; dat bijgevolg niet kan worden ingezien hoe het thans bestreden bevel “een zware breuk van (verzoekers) familiebanden” zou kunnen teweegbrengen; dat een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. niet kan worden aangenomen; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-10.714-3/5 2.2.
  6. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “Tweede middel - schending van de motiveringsplicht Aangezien ingevolge artikel zeven van de wet van 15 december 1980 de Minister de vreemdeling het bevel kan geven om het grondgebied voor een bepaalde datum te verlaten. Aangezien de beslissing gedagtekend is op 4 juni 2002 met bevel uiterlijk op 9 juni 2002 het grondgebied te verlaten. Dat verzoeker aldus slechts een termijn van amper vijf dagen wordt gelaten. Dat elke motivering om slechts een dergelijke korte termijn te verlenen ontbreekt. Dat, gelet op het voorgaande en inzonderheid de uiterst precaire positie van verzoeker, ook niet in redelijkheid kan worden besloten om aan verzoeker slechts een dermate korte termijn toe te kennen om het grondgebied te verlaten. Dat de beslissing aan verzoeker een zeer ernstig nadeel toebrengt. Niet enkel verliest hij, afhankelijk zijnde van zijn ouders, elk middel van bestaan, bovendien verliest hij elke mogelijkheid om zijn opleiding verder te zetten. Dat aldus ook het tweede middel gegrond is.”; dat hij hieraan toevoegt in zijn memorie van wedeantwoord : “Aangezien het tweede middel van verzoeker wel degelijk gegrond is. Dat de bestreden beslissing is aangetast door een gebrekkige motivering, zowel materieel als formeel (schending van de wet van 29 juli 1991). Dat wat de materiële motivering betreft, er thans dient te worden vastgesteld, aan de hand van de memorie voor de verwerende partij, dat de materiële motieven die het Bestuur ertoe zouden hebben genoopt om verzoeker te bevelen het grondgebied binnen een onredelijke termijn te verlaten, niet in overeenstemming zijn met de formeel aangebrachte motieven, namelijk ontbreken van geldige documenten. Dat het bestuur zich bij de huidige betwisting enkel kan beroepen op de in de bestreden akte bekendgemaakte motieven en feiten die de verzoeker worden ten laste gelegd . Dat de thans door de verwerende partij aangehaalde motieven, het plegen van een misdrijf, niet in de bestreden beslissing zijn terug te vinden en de beslissing aldus door nietigheid is aangetast. Dat, en dit ten overvloede, het Bestuur heeft nagelaten om de kort(e) termijn waarbinnen de verzoeker het grondgebied diende te verlaten afdoende te motiveren. Dat aldus ook het tweede middel in zijn twee onderdelen gegrond is.”; 2.2.2.
  7. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de motiveringsplicht”; dat verzoeker stelt dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom hem slechts een termijn van vijf dagen wordt verleend om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoeker meent dat deze termijn onredelijk kort is; 2.2.2.
  8. Overwegende dat de kritiek van verzoeker geen betrekking heeft op de motieven van de bestreden beslissing, doch wel op de uitvoeringsmodaliteiten ervan; dat verzoeker niet in concreto aanvoert waarom het hem onmogelijk zou zijn om het grondgebied van het Rijk binnen een termijn van vijf dagen te verlaten; dat de loutere verwijzing naar zijn “uiterst precaire positie” niet volstaat, nu verzoeker deze aan zichzelf te wijten heeft, aangezien, de asielaanvraag van verzoekers ouders reeds op 10 december 2001 definitief werd afgesloten; dat, waar verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat zowel de formele als de materiële motiveringsplicht zijn geschonden, dient opgemerkt te worden dat verzoeker onmogelijk tegelijkertijd de schending van deze beide XIV-10.714-4/5 kan aanvoeren; dat bij een schending van de formele motiveringsplicht het voor verzoeker immers onmogelijk is om uit maken of er sprake is van een schending van de materiële motiveringsplicht; dat de bestreden beslissing een afdoende motivering bevat nu ze zowel de rechtsgrond vermeldt (artikel 7, eerste lid, 1/ van de Vreemdelingenwet), als de concrete feiten (verzoeker is niet in het bezit van de vereiste documenten, namelijk een geldig nationaal paspoort) die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.714-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.