← België

Arrest 142656 - - 24/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.656 Rolnummer: A. 160933/XIV-22072 Zaak: Arrest 142656 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 09:34 Fiche Arrest nr 142.656 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.656 van 24 maart 2005 in de zaak A. 160.933/XIV-22.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. TULKENS, kantoor houdende te 1500 HALLE, Bergensesteenweg 54 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 april 1970 en van XXX nationaliteit, op 18 maart 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 maart 2005 houdende de onontvankelijkheidsver- klaring van de aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend door de verzoekende partij op 16 juni 2003, in toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), aan de verzoekende partij op 15 maart 2005 ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XIV-22.072-1/5 Gelet op de beschikking van 21 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.45 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. TULKENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij het volgende aanvoert: “(...) De bestreden beslissing van 3 maart 2005 werd kennelijk genomen als gevolg van de procedure die de verzoekende partij had ingespannen voor de Raad van State tegen de beslissing van 16 november 2005

(2004), meer bepaald het derde middel dat de verzoekende partij inroept in de procedure. Hierdoor loopt de betwisting omtrent de verblijfsaanvraag opnieuw een maandenlange vertraging op, die uitsluitend te wijten is aan een tekortkoming van de verwerende partij zelf. Die vertraging vergroot ook de onzekerheid, hetgeen de verzoekende partij en zijn gezin onmiskenbaar schade toebrengt. Bovendien kan de verwerende partij elk ogenblik overgaan tot de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, dat aan verzoekende partij werd betekend op 21 juli 2001 (24 juni 2002). De bestreden beslissing maant immers verzoekende partij uitdrukkelijk aan om aan vermeld bevel gevolg te geven. Tevens verzoekt de verwerende partij in de bestreden beslissing de Burgemeester van A. uitdrukkelijk om na te gaan of de verzoekende partij nog in zijn gemeente verblijft, en verwerende partij hiervan op de hoogte te stellen. Terwijl de verwerende partij tot nog toe niet tot de uitvoering van het bevel van 21 juli 2001 (21 juni 2002) overging, kan uit de bestreden beslissing worden opgemaakt dat zij dit thans wel van zin is. Zij houdt alleszins een dreigement in. De vordering is derhalve uiterst dringend. (...)” XIV-22.072-2/5 Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een uitzonderlijk en ongewoon karakter heeft, omdat de rechten van de verdediging van de verwerende partij tot een minimum worden beperkt en het normaal verloop van de rechtspleging in het Vreemde-lingencontentieux en in andere procedures voor de Raad van State zeer ernstig wordt verstoord; dat precies daarom de verzoekende partij duidelijke feiten en gegevens dient aan te brengen die het onmiddellijk aannemelijk maken dat de schorsing wel degelijk moet worden bevolen (R.v.St., nr. 38.302, 11 december 1991, SPRUYT; nr.38.306, 11 december 1991, MATHIEU; nr. 38.533, 22 januari 1992, VERLINDE; nr.39.584, 5 juni 1992, PLATTEEUW; nr.43.856, 13 augustus 1993, HUYSMANS en DE NOYETTE; nr. 49.110, 20 september 1994, JANSSENS.); dat dit concreet betekent dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid met zeer concrete gegevens dient te verantwoorden, met name dient zij enerzijds aan te tonen dat de schorsing van de bestreden beslissing volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en anderzijds dat zij niet onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid (zie onder meer: R.v.St., nr. 95.851, 28 mei 2001, PAVLYUK; nr. 95.806, 23 mei 2001, JEGENOVA.); Overwegende dat uit het administratief dossier en uit de stukken blijkt dat aan de verzoekende partij reeds een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten werd ter kennis gebracht op 24 juni 2002, waarvan de rechtsgrond als volgt luidt: “(...) Artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: de betrokkene is niet in het bezit van een geldig visum. (...)” Overwegende dat het bevel van 21 juni 2002 op het eerste gezicht definitief is en niet werd aangevochten voor de Raad van State, zodat het principieel uitvoerbaar is; dat de uitvoerbaarheid van dat bevel op het eerste gezicht losstaat van de thans bestreden beslissing en een andere rechtsgrond heeft; Overwegende dat de eventuele schorsing van de thans bestreden beslissing de verblijfstoestand van de verzoekende partij niet wijzigt, omdat zij zich illegaal op het Belgisch grondgebied bevindt sedert haar toeristenvisum is verstreken, dat de verzoekende partij hiervan perfect op de hoogte is, vermits zij in haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid schrijft dat zij sinds 4 maart 1997 in België verblijft, terwijl zij enkel een visum bekwam voor een periode van 1 maart 1997 tot 1 april 1997, voor een verblijf van vijftien dagen; Overwegende dat het huwelijk dat de verzoekende partij afsloot met een dame die de XXX nationaliteit bezit aan de verzoekende partij op het eerste gezicht geen verblijfsrecht verleent; XIV-22.072-3/5 Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij een vaste woon- of verblijfplaats heeft in het Rijk; dat uit de brief d.d. 21 maart 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, waarvan de inhoud aan het tegensprekelijk debat is onderworpen, blijkt dat: “ten aanzien van verzoeker nog geen enkele uitvoeringsmaatregel werd getroffen”; dat niet is aangetoond dat de verzoekende partij het voorwerp uitmaakt van een vrijheidsberovende maatregel; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, de verzoekende partij niet aantoont dat de eventuele schorsing van de thans bestreden beslissing volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen, daargelaten de vraag of de schorsing van de thans bestreden beslissing enig nuttig effect zou hebben voor de verzoekende partij, gelet op het voorafbestaand bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 21 juni 2002, en op het uitvoerbaar karakter van elke bestuurshandeling; 2. Overwegende dat de vorige overwegingen steun vinden in drie princiepsarresten van de algemene vergadering van de afdeling Administratie van de Raad van State ; dat het gaat om de volgende arresten: R.v.St., nr. 141.510, 2 maart 2005, A. SAID; nr. 141.511, 2 maart 2005, Y. ODATI; nr. 141.512, 2 maart 2005, N. KIVUILA TANZI); Overwegende dat enkel vaststaat dat de verzoekende partij in huidige procedure alert en diligent is opgetreden; dat deze vaststelling evenwel niet leidt tot de ontvankelijkheid van de huidige vordering, vermits niet is aangetoond dat de gevraagde schorsing middels een gewone schorsingsprocedure te laat zou komen, daargelaten de vraag of deze procedure een nuttig effect zou kunnen hebben; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; Overwegende dat de bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingestelde vordering tot schorsing onontvankelijk is, XIV-22.072-4/5 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-22.072-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.656 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.