← België

Arrest 142660 - - 24/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.660 Rolnummer: A. 161095/VII-34035 Zaak: Arrest 142660 - - 24/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 09:35 Fiche Arrest nr 142.660 van 24 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.660 van 24 maart 2005 in de zaak A. 161.095/XIV-22.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN DYCK, kantoor houdende te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 268A tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 april 1974 en van Congolese nationaliteit, op 23 maart 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2005 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 maart 2005 tot weigering van toegang tot het grondgebied, met terugdrijving, aan de verzoekende partij per drager overhandigd op 22 maart 2005; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op donderdag 24 maart 2005 om 14.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-22.121-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN DYCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
  5. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker alert en diligent handelt, vermits hij de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid opstart op 23 maart 2005 en richt tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2005, aan verzoeker per drager overhandigd op 22 maart 2005, met de omstandigheid dat er een rechtstreeks en direct gevaar voorhanden is betreffende de effectieve tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op vrijdag 25 maart 2005; dat verzoeker bovendien op dit ogenblik van zijn vrijheid is beroofd; dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
  6. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen, van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; Overwegende dat een eerste deel van de bestreden beslissing het vluchtrelaas van verzoeker op nauwkeurige en gedetailleerde wijze weergeeft; dat een tweede deel van de bestreden beslissing uiterst gedetailleerde motieven bevat die leiden tot de conclusie dat het asielrelaas van verzoeker bedrieglijk is; XIV-22.121-2/4 Overwegende dat de formele en de materiële motivering van de bestreden beslissing op het eerste gezicht steunt op zes onderdelen die als volgt kunnen worden samengevat: Ten eerste blijkt dat de kennis van verzoeker over de militie van de NINJA’s, waarvan hij deel zou uitmaken in zijn land van herkomst, te wensen overlaat; Ten tweede blijkt uit de verklaringen van verzoeker aan de asielinstanties dat zijn betrokkenheid bij het laten ontsporen van twee goederentreinen in GOMA TSE TSE in oktober en december 2004 verre van overtuigend zijn; Ten derde zijn de verklaringen van verzoeker betreffende zijn persoonlijke inzet in het kader van de NINJA-militie niet overtuigend en incoherent; Ten vierde legt verzoeker vage verklaringen af over de gebeurtenissen die zich zouden hebben voorgedaan na de interventie van de regeringstroepen naar aanleiding van de treinontsporing in GOMA TSE TSE in december 2004; Ten vijfde blijkt uit de gegevens opgenomen in het paspoort van de Republiek Congo van verzoeker dat zijn verklaringen over het tijdstip van vertrek uit zijn land van herkomst niet stroken met de werkelijkheid; Ten zesde kan worden getwijfeld aan het feit dat verzoeker naar België kwam om asiel aan te vragen; Overwegende dat voornoemde zes onderdelen zeer precies, gedetailleerd en genuanceerd worden uitgewerkt in de bestreden beslissing, zodat op het eerste gezicht werd voldaan aan de formele en de materiële motiveringplicht; dat wat voorafgaat steun vindt in de omstandigheid dat verzoeker zich in zijn middel beperkt tot het geven van commentaar op bijkomstige motieven en nalaat de wettigheid te betwisten van de overige determinerende motieven die de bestreden beslissing ruimschoots schragen; dat voornoemde bijkomstige motieven betrekking hebben op de poging van de leider van de NINJA’s om terug te keren naar de Republiek Congo en op het tijdstip van de ontsporing van de trein; Overwegende dat er in ondergeschikte orde op wordt gewezen dat de Raad van State slechts rekening kan en mag houden met de in het verzoekschrift ontwikkelde grieven, en verzoeker het niet aan de Raad van State mag overlaten om, stellende dat zijn verzoekschrift “slechts twee voorbeelden van een gebrekkige motivatie zijn”, de eventuele overige gebreken uit de motivering van de bestreden beslissing te distilleren; Overwegende dat het enig middel niet ernstig is; dat bijgevolg niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
  7. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker in essentie aanvoert dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn veiligheid in gevaar zou brengen en dat hij, bij gedwongen terugkeer, vreest voor zijn leven; XIV-22.121-3/4 Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat verzoeker omschrijft, algemeen is en vaag en op het eerste gezicht geen steun vindt in en evenmin bevestigd wordt door het asielrelaas van verzoeker; dat bijgevolg niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; Overwegende dat bijgevolg de vordering wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-22.121-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.