id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.674 Rolnummer: A. 117030/XIV-8652 Zaak: Arrest 142674 - - 25/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 09:38 Fiche Arrest nr 142.674 van 25 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.674 van 25 maart 2005 in de zaak A. 117.030/XIV-8652. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 augustus 1978 en van Oezbeekse nationaliteit, op 19 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 december 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 26 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; XIV-8652-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 3 december 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.2. Op 7 december 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 30 januari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Oezbeeks staatsburger van Oezbeekse origine, verklaart dat u op 15 augustus 1978 bent geboren te Samarkand (Oezbekistan). U verklaart ongehuwd te zijn en geen kinderen te hebben. In april 2001 werd u door uw buurman Sanjar uitgenodigd om de moskee in uw straat te bezoeken. De volgende dag bezocht u de moskee en u maakte er kennis met drie vrienden van S.: O., A. en C.. U praatte wat met deze vier personen over het werk en over uw legerdienst en verliet de moskee. U ontmoette een tijdje later O., A. en C. op straat. O. stelde u voor om lid te worden van de islamitische beweging: “Islam Kharakata Partiassi” en om voor deze beweging pamfletten te verspreiden. U weigerde en kreeg van de drie mannen wat bedenktijd. Midden juni 2001 wachtten dezelfde drie mannen u op toen u terugkeerde van uw werk. Ze vroegen u of u nagedacht had over hun voorstel. U antwoordde dat u niet wenste mee te werken. U werd bedreigd en geslagen. U bent naar huis gegaan en uw moeder belde de wijkagent op. Deze nam uw verklaring op en verzekerde u dat hij, met betrekking tot uw verwondingen, zou getuigen en op zoek zou gaan naar de daders. Eind juli 2001 nam uw vader, thuis, een pakket voor u in ontvangst. U stelde vast dat er 50 pamfletten, met nationalistische - islamistische slogans, in zaten. De volgende morgen ging u naar het wijkpolitiekantoor “Jakasarïski” om de pamfletten te tonen. De agenten beschuldigden u ervan dat u deze pamfletten zelf geschreven had. Ze eisten een bekentenis van u. Toen u weigerde werd u door hen geslagen met een plastieken fles gevuld XIV-8652-2/7 met water. U werd opgesloten in een cel en na een week vrijgelaten. Begin augustus 2001 was u op zakenreis te Koengrad (Oezbekistan) toen u(
- w)moeder u opbelde en vroeg om onmiddellijk naar huis te komen. Uw vader bleek ernstig geslagen te zijn, vermoedelijk door O. en zijn vrienden. De volgende dag diende u een klacht in bij het parket van uw wijk. Begin september 2001 ging u op bezoek bij uw vriend R.. U werd er door uw moeder opgebeld. Ze raadde u aan om niet meer naar huis te komen, gezien de politie naar u op zoek was en uw broer gearresteerd had. Midden oktober 2001 vernam u van R. dat de vrienden van O. wisten dat u bij R. logeerde. U verliet hierop zijn woning en logeerde bij andere vrienden, zoals H. en S.. Begin november 2001 vernam u van R. dat hij u kon helpen bij het ontvluchten van Oezbekistan. U nam contact op met u(
- w)vader, om u geld en kledij te brengen. U bent op 26 november 2001 Oezbekistan ontvlucht. U bent op 3 december 2001 in België aangekomen en heeft dezelfde dag asiel aangevraagd. U bent in het bezit van een diploma en rijbewijs. De geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt volledig ondermijnd nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met uw eerdere verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken. U verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken (p. 13-14) dat u begin oktober 2001 door vier mannen op weg naar huis werd aangevallen en bijzonder hard werd geslagen. Ze eisten dat u Oezbekistan zou verlaten en (be)dreigden u anders te vermoorden. U diende hierna een week gehospitaliseerd te worden. Er dient echter opgemerkt te worden dat u voor het Commissariaat- generaal geen enkele melding maakt van dit hierboven beschreven voorval. Gelet op het belang van dit bij de Dienst Vreemdelingenzaken ingeroepen feit ter staving van uw asielaanvraag (p. 13-14 : u verklaarde dat dit incident gebeurde omdat u eerder klacht tegen hen had ingediend bij het parket), lijkt het onwaarschijnlijk dat u hiervan vergat melding te maken voor het Commissariaat-generaal. De niet-vermelding van dit zwaarwichtige feit voor het Commissariaat-generaal ondermijnt de geloofwaardigheid ervan op ernstige wijze. Verder stelde u bij de Dienst Vreemdelingenzaken (p. 13) dat in augustus 2001 een pakket extremistische pamfletten aan uw moeder afgegeven werd. Op het Commissariaat-generaal (p. 12-13) verklaarde u echter dat dit pakket einde juli 2001 aan uw vader overhandigd werd. Vervolgens verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (p. 11 en 13) dat u, enkele dagen na uw vrijlating uit het politiebureau in augustus 2001, opgebeld werd door O., één van de personen door wie u in juni 2001 bedreigd en mishandeld was. Op het Commissariaat-generaal (p. 17) daarentegen zei u dat u na juni 2001 niet meer met O. gesproken heeft. Ten slotte verklaart u op de Dienst Vreemdelingenzaken (p. 14) dat u sedert begin november 2001 twee weken bij uw vriend R. ondergedoken leefde. U deed dit op aanraden van uw moeder. De politie was, bij jullie thuis, naar u op zoek geweest. Op het Commissariaat-generaal (p. 15) daarentegen stelt u dat u sedert begin september 2001 tot midden oktober 2001, om deze reden, bij R. ondergedoken was. Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er geen geloof meer kan worden gehecht aan uw asielrelaas. De door u neergelegde documenten wijzigen niets aan hetgeen hierboven werd uiteengezet aangezien uw diploma en rijbewijs louter persoonsgegevens bevatten die niet worden betwist. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker stelt dat de tegenstrijdigheden in zijn asielrelaas van ondergeschikt belang zijn en de geloofwaardigheid van zijn relaas niet kunnen ondermijnen; dat hij deze tegenstrijdigheden poogt te verklaren door ze te wijten aan een vergetelheid of aan het onderbreken van de chronologie van zijn relaas door de ondervrager, door uiteen te zetten dat er geen contradictie bestaat tussen eind juli en augustus en dat het moeilijk is om traumatische gebeurtenissen te plaatsen in de tijd, door te verwijzen naar eventuele vertaalproblemen, en te stellen dat “verzoeker zich niet makkelijk voelt in het Russisch”; XIV-8652-3/7 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het inzake de eerste tegenstrijdigheid niet om een vergetelheid gaat maar om een essentieel element van verzoekers asielrelaas, met name een aanval en een hospitalisatie van één week; dat het onderbreken van de chronologie geen invloed kon hebben op het al dan niet vermelden van bepaalde feiten, omdat de feiten waarover verzoeker het heeft, zich afspeelden in oktober 2001, terwijl de chronologie werd onderbroken op het moment waarop verzoeker vertelde over feiten van juni 2001; dat verzoeker niet bewijst dat hij getraumatiseerd zou zijn; dat uit de details en de lengte van beide verhoorverslagen blijkt dat de interviews op correcte wijze verliepen en dat er zich geen vertaalproblemen voordeden; dat in het begin van het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan verzoeker werd meegedeeld dat hij elk vertaalprobleem kon melden en dat op het einde aan verzoeker werd gevraagd of hij alles had begrepen, waarop verzoeker bevestigend antwoordde; dat een tegenstrijdigheid betreffende het onderduiken gedurende twee weken sedert begin november of het onderduiken van begin september tot midden oktober een ernstige tegenstrijdigheid uitmaakt en niet van secundair belang is; 2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord verwijst naar het verzoekschrift en hieraan toevoegt dat hij de verschillende onderdelen van de motivering heeft weerlegd, en dat het geheel van de motivering niet ernstig of afdoende is; dat de verwerende partij geen oog heeft gehad voor het geheel van de elementen van verzoekers vluchtrelaas; 2.4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoeker in het middel de tegenstrijdigheden punt voor punt poogt te weerleggen; Overwegende dat met betrekking tot het niet vermelden van de aanval op verzoeker door vier mannen, begin oktober 2001, en zijn daaropvolgende hospitalisatie, verzoeker in het middel stelt dat het gaat om een vergetelheid en dat hij de andere feiten die XIV-8652-4/7 aanleiding gaven tot zijn vlucht wel heeft vermeld; dat van een asielzoeker mag worden verwacht dat hij een correct, coherent en zo volledig mogelijk relaas geeft, zeker wat de essentiële punten van zijn vluchtrelaas betreft; dat verzoeker niet betwist dat hij een aanval met daaropvolgende hospitalisatie niet heeft vermeld tijdens het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de Commissaris- generaal derhalve op goede gronden kon vaststellen dat de niet-vermelding van dit zwaarwichtige feit de geloofwaardigheid ervan op ernstige wijze ondermijnt; Overwegende dat de opmerking van verzoeker over het onderbreken van de chronologie niet ter zake dienend is, omdat verzoeker deze opmerking betrekt op voornoemd incident van oktober 2001, terwijl uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal dat zich in het dossier bevindt, blijkt dat verzoeker werd onderbroken op het moment dat hij verklaringen aflegde over incidenten die plaatsvonden in juni 2001; dat uit pagina 11 van dit verhoorverslag bovendien blijkt dat de interviewer na deze onderbreking opnieuw de context schetste van de gebeurtenissen van juni 2001 vooraleer hierover opnieuw vragen te stellen aan verzoeker; Overwegende dat met betrekking tot de tegenstrijdigheid inzake de datum waarop een pakket pamfletten werd overhandigd en aan wie, verzoeker aanvoert dat hij geen tegenstrijdigheid ziet tussen eind juli en augustus, dat het moeilijk is om traumatiserende gebeurtenissen te plaatsen in de tijd en dat hij er niet bij was toen de pamfletten bij hem thuis werden afgeleverd, zodat hij niet weet of zijn vader of zijn moeder de pamfletten in ontvangst heeft genomen; dat verzoeker niet ontkent dat hij tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat de pamfletten in augustus 2001 werden afgegeven, en tijdens het interview op het Commissariaat-generaal dat ze eind juli 2001 werden bezorgd; dat ongeacht de opeenvolging in tijd van de maanden juli en augustus, de Commissaris-generaal terecht heeft vastgesteld dat dit een tegenstrijdigheid inhoudt; dat met betrekking tot de afgifte van de pamfletten aan zijn vader of aan zijn moeder, verzoeker pas voor het eerst in het verzoekschrift stelt dat hij niet weet aan wie de pamfletten werden afgegeven; dat hij dit niet heeft verklaard tijdens de interviews; dat hij immers tijdens het eerste interview heeft verklaard dat de pamfletten aan zijn moeder werden afgegeven, en tijdens het tweede interview, aan zijn vader; dat de Commissaris- generaal terecht heeft vastgesteld dat dit een tegenstrijdigheid betreft; dat een nieuwe, derde versie van de feiten de tegenstrijdigheid tussen de eerste en de tweede versie niet opheft; Overwegende dat met betrekking tot het feit of verzoeker na juni 2001 nog met O. heeft gesproken of niet, verzoeker dit in het middel wijt aan het feit dat de tolk Russisch sprak terwijl verzoeker een tolk Oezbeeks had gevraagd; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker naar aanleiding van zijn asielaanvraag om bijstand heeft verzocht van een Russische tolk ; dat beide verhoren plaatsvonden met behulp van een Russische tolk; dat verzoeker bij het begin van het verhoor in dringend beroep op het XIV-8652-5/7 Commissariaat-generaal op de vraag “Opmerkingen verhoor Dienst Vreemdelingenzaken?” antwoordde “Ik spreek Russisch, maar niet alles”; dat verzoeker bijgevolg niet heeft verklaard dat er problemen zouden zijn geweest met de vertaling op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoeker op het einde van het interview op het Commissariaat- generaal verklaarde dat hij alles had begrepen; dat de Advocaat van verzoeker op het einde van dit interview verklaarde dat verzoeker had gevraagd om een Oezbeekse tolk; dat uit de beide verhoorverslagen blijkt dat de verhoren op regelmatige wijze zijn verlopen en dat verzoeker de kans heeft gekregen om opmerkingen te formuleren; dat het bijgevolg niet opgaat om met betrekking tot deze tegenstrijdigheid te verklaren dat zij te wijten is aan een foutieve vertaling; dat verzoeker geen andere verklaringen aanduidt die foutief zouden zijn vertaald; Overwegende dat met betrekking tot de tegenstrijdigheid betreffende de duur en de periode van zijn onderduiking, verzoeker in het middel uiteenzet “tegenpartij hamert hier op een ‘tegenstrijdigheid’ m.b.t. een tijdspanne van enkele weken”; dat dit niet kan worden beschouwd als een grief die met concrete gegevens wordt uitgewerkt; dat dit onderdeel van het middel bijgevolg onontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op goede gronden heeft vastgesteld dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker volledig wordt ondermijnd door het feit dat zijn verklaringen voor het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met zijn eerdere verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, afdoende, deugdelijke en terzake dienende motieven; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. XIV-8652-6/7 Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-8652-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.674 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div