← België

Arrest 142675 - - 25/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.675 Rolnummer: A. 125092/XIV-11192 Zaak: Arrest 142675 - - 25/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 09:38 Fiche Arrest nr 142.675 van 25 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.675 van 25 maart 2005 in de zaak A. 125.092/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 januari 1978 en van XXX nationaliteit, op 7 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2002 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 juli 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 9 juli 2002; Gelet op de beschikking van 14 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; XIV-11.192-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX dient op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Verzoeker wordt door de tweede kamer van de Commissie voor regularisatie op 19 maart 2002, bijgestaan door zijn Advocaat, gehoord. 1.
  5. De tweede kamer van de Commissie voor regularisatie verleent op 29 maart 2002 een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies is als volgt gemotiveerd: “(...) Uit het advies van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend. Overeenkomstig artikel 9, 4/, van de regularisatiewet brengt (legt) hij een kopie van zijn internationaal paspoort bij (voor). De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2, 4/ van de regularisatiewet. Het secretariaat van de Commissie verleende op 7 september 2001 een negatief advies, stellende dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is. Bij aangetekende brief van 13 december 2001 wordt dit advies betwist. Betrokkene heeft op 13 februari 1996 een eerste maal asiel gevraagd. Deze aanvraag werd bij beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 13 februari 1998 ongegrond verklaard. Betrokkene vroeg vervolgens nog driemaal asiel, namelijk op 24 augustus 1998, op 16 december 1998 en op 2 april
  6. Deze drie aanvragen werden onontvankelijk verklaard. De aanvraag voldoet aan de formele vereisten voor de toepassing van artikel 2 ,4/. Uit het vraaggesprek ter zitting en de gegevens van het dossier blijkt het volgende: - betrokkene heeft geen legale tewerkstelling; hij heeft er geen gehad en hij heeft er ook geen enkel vooruitzicht op; - hij heeft geen familie in België; al zijn familie woont in XXX; - afgezien van een zeer beperkte kennissenkring worden geen concrete aanwijzingen van integratie in het Belgisch maatschappelijk leven bijgebracht. De Commissie besluit dat geen elementen worden aangebracht, die toelaten humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in aanmerking te nemen. OM DEZE REDENEN Verleent een ongunstig advies inzake de regularisatieaanvraag van XXX. XIV-11.192-2/6 (...).”. 1.
  7. Op 4 juli 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  8. Op 9 juli 2002 wordt aan verzoeker het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  9. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  10. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en van het redelijkheidsbeginsel; dat het motief dat verzoeker geen legale tewerkstelling heeft en dat al zijn familieleden in XXX wonen, niet automatisch kan leiden tot een negatieve beslissing; dat verzoeker aanvoert dat hij wel een vooruitzicht had op tewerkstelling omdat hij tijdens de zitting van de Commissie voor regularisatie een schriftelijke verklaring heeft aangebracht van een werkgever die bereid was hem aan te werven na een eventuele regularisatie; dat verzoeker aanvoert dat een verblijf van zes jaar een duidelijke indicatie is van duurzame sociale bindingen, omdat gedurende deze periode het centrum van de activiteiten van verzoeker in België lag; dat verzoeker uiteenzet dat de Commissie en de Minister geen rekening hebben gehouden met het feit dat verzoeker in 1998 het slachtoffer was van “gewelddaden van de Belgische ordediensten naar aanleiding van een gedwongen repatriëring in het centrum van S.” en hieraan een blijvend letsel heeft overgehouden; dat verzoeker stelt dat dit een humanitaire reden is; 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat de formele motiveringplicht niet werd geschonden, omdat uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de eerste bestreden beslissing kent, aangezien hij ze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verwerende partij aanvoert dat verzoeker in zijn schrijven van 13 december 2001 gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken geen nieuwe elementen of stukken heeft aangebracht; dat de aanvraag na dit schrijven werd doorgestuurd naar de Commissie voor regularisatie, waar de zaak een tegensprekelijke behandeling kreeg; dat de verwerende partij stelt dat in de eerste bestreden beslissing rekening werd gehouden met alle gegevens van het dossier; dat zij meent dat verzoeker niet op concrete wijze uiteenzet hoe de eerste bestreden beslissing de door hem aangehaalde wetsbepalingen schendt; dat de verwerende partij hier nog aan toevoegt dat de schending van het redelijkheidsbeginsel niet wordt uiteengezet; XIV-11.192-3/6 2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het middel uiteengezet in het verzoekschrift; 2.
  13. Overwegende dat, wat de voorwaarde betreft om in aanmerking te komen voor regularisatie op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van dit artikel en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat in de eerste bestreden beslissing wordt aanvaard dat verzoeker een verblijf kan doen gelden van zes jaar op het grondgebied van het Rijk maar dat daaraan wordt toegevoegd dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van het ontwikkelen van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken bij de beoordeling van de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat de Commissie, en in navolging de Minister, in casu heeft geoordeeld dat verzoeker niet aan deze voorwaarde voldoet omwille van volgende redenen: - verzoeker heeft geen legale tewerkstelling; hij heeft er geen gehad en hij heeft er ook geen enkel vooruitzicht op; - verzoeker heeft geen familie in België; al zijn familieleden wonen in XXX; - afgezien van een zeer beperkte kennissenkring worden geen concrete aanwijzingen van integratie in het Belgisch maatschappelijk leven bijgebracht; Overwegende dat verzoeker deze motieven aanvecht op een zeer summiere wijze; dat het feit dat hij documenten zou hebben voorgelegd die zouden wijzen op een eventuele tewerkstelling in de toekomst, geen afbreuk doet aan het feit dat hij nooit een legale tewerkstelling heeft gehad; dat deze documenten bovendien niet in het dossier zijn terug te vinden; dat de stukken die verzoeker heeft ingediend naar aanleiding van de zitting van de Commissie voor regularisatie op 19 maart 2002, schriftelijke getuigenissen betreffen van personen die verklaren dat zij verzoeker kennen; dat verzoeker niet ontkent dat hij in België geen familie heeft; dat verzoeker in het middel uiteenzet dat “(het feit) dat er geen sociale bindingen werden aangetoond, word(en)(t) weerlegd door de feitelijke gegevens van de zaak”; dat verzoeker niet verduidelijkt wat deze “feitelijke gegevens” inhouden en desbetreffend niets bewijst; dat zulk een summier betoog niet aantoont dat de vaststelling dat verzoeker geen humanitaire redenen of sociale bindingen heeft, niet op goede gronden is genomen; XIV-11.192-4/6 Overwegende dat verzoekers verwijzing naar verwondingen die hij in 1998 zou hebben opgelopen tijdens zijn verblijf in het centrum van S., geen afbreuk doet aan hetgeen voorafgaat; dat zijn regularisatieaanvraag steunde op het criterium van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, met name “humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen (...) hebben ontwikkeld”; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing gesteund is op afdoende, pertinente, deugdelijke en terzake dienende motieven; Overwegende dat verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel niet uiteenzet; dat het enig middel ongegrond is; Overwegende dat in het verzoekschrift geen middelen worden uiteengezet tegen de tweede bestreden beslissing, met name het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 9 juli 2002; dat bijgevolg het beroep, in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing, onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.192-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.192-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.675 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.