id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.690 Rolnummer: A. 145725/XIV-18159 Zaak: Arrest 142690 - - 29/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 09:43 Fiche Arrest nr 142.690 van 29 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.690 van 29 maart 2005 in de zaak A. 145.725/XIV-18.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41/8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Servisch- Montenegrijnse nationaliteit, op 23 december 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 november 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 6 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; XIV-18.159-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MANDELBLAT, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en XXX, beide van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, komen op 19 juni 2003 in België binnen waar zij zich op dezelfde dag vluchteling verklaren. 1.
- Op 2 juli 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 november 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit zijn de bestreden beslissingen : Wat XXX betreft : “(...) A. Vluchtrelaas U werd op 3 september 2003 gehoord op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die het Romani machtig is. U verklaarde afkomstig te zijn uit Bogovina (gemeente Boljevac, Servisch- Montenegrijnse deelrepubliek Servië). U zou een kind uit een etnisch gemengd huwelijk zijn. Uw vader zou een etnische Albanees afkomstig uit Bujanovac (Zuid- Servië) en uw moeder een Rom-zigeunerin uit Kosovo zijn. Beiden zouden nog voor uw geboorte naar Servië verhuisd zijn. U zou er in het bezit zijn geweest van een geboorteakte. Omdat uw beide ouders niet in Servië geboren zijn en u er nergens geregistreerd staat, zou u geen nationaliteitsattest en bijgevolg ook geen identiteitskaart hebben gekregen. Ook in Bujanovac zou uw vader tevergeefs rond dit onderwerp gaan informeren zijn. Van 1986 tot 1999 zou u in Belgrado (Servië) gewoond hebben. Ook daar zou u meermaals identiteitsdocumenten aangevraagd hebben, maar er eveneens botgevangen hebben. U zou er wel officieel kunnen huwen zijn met de Rom-zigeurin XIV-18.159-2/10 XXX. Tijdens het etnische conflict in Kosovo zouden vele vluchtelingen naar Servië gevlucht zijn. Gedurende deze periode zou u een vijftal keer in uw woning zonder reden door de politie opgepakt en geslagen zijn. Uw Albanese origine zou u verweten zijn en de politie zou u de schuld hebben gegeven van het etnische conflict. U zou bij deze gelegenheden soms een nacht tot twee dagen op het politiebureau zijn vastgehouden. Ook zou een buurman de straat voor uw kinderen afgesloten hebben. In maart 1999 zouden twee mannen in militair uniform uw woning 's nachts binnengevallen zijn en u zou meegenomen zijn naar de kazerne van Zemun. Vandaaruit zou u naar Bujanovac overgebracht zijn en er drie weken lang wapens en voeding voor het leger getransporteerd hebben. Omdat u weigerde te vechten zou commandant Dragan uw hand in het vuur gestoken hebben. De legerarts zou uw wonde verzorgd hebben en u vervolgens naar huis hebben gestuurd. In mei 1999 zou u thuis een oproepingsbrief voor het leger ontvangen hebben. Uit schrik opnieuw opgepakt te worden zou u naar een broer te Bogovina gevlucht zijn, uw echtgenote en kinderen zouden thuis achtergebleven zijn. U zou de hele maand mei 1999 in Bogovina verbleven hebben. Van uw echtgenote zou u vernomen hebben dat commandant Dragan u nog een drietal keer thuis zou gezocht hebben. Gedurende deze bezoeken zou uw echtgenote mishandeld zijn. Eind mei 1999 zou u van uw zus vernomen hebben dat uw woning door Servische vluchtelingen uit Kosovo werd ingenomen. Daarop zou u naar uw schoonvader te Beocin (gemeente Novi Sad) gegaan zijn, waar zich ook uw echtgenote en kinderen bevonden. Uw schoonvader zou ervoor gezorgd hebben dat u daar een identiteitskaart kreeg. In februari 2000 zou u naar het buitenland willen vluchten hebben, maar aan de grens zou u door de douane geslagen zijn omdat u geen identiteitsdocumenten bijhad. Vervolgens zou u naar Beocin teruggekeerd zijn. Eind 2000 zou u tweemaal door de politie opgepakt zijn. U zou er over uw dienstweigering verhoord zijn en daarbij geslagen zijn. In september 2002 zou u een convocatie van de politie ontvangen hebben. U zou zich gemeld hebben en opnieuw verhoord zijn over uw dienstweigering. U zou daarbij zwaar geslagen zijn. In maart 2003 zou u op de markt de politieagent die u in september 2002 geslagen had, ontmoet hebben. Hij zou u vastgegrepen hebben en uit reactie zou u hem geslagen hebben. Daarop zou u naar huis gegaan zijn en alleen naar uw broer te Bogovina gevlucht zijn. Uw echtgenote zou bij haar vader gebleven zijn en na het incident op de markt zouden twee politieagenten, waaronder ook uw belager, u nog een drietal keer gezocht hebben. Daarom zou u Servië op 17 juni 2003 hebben verlaten, richting België, waar u op 19 juni 2003 aankwam. Diezelfde dag vroeg u hier asiel aan. U bent in het bezit van een Servisch- Montenegrijnse identiteitskaart, uitgereikt te Beocin op 10 januari
- B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u geenszins aannemelijk gemaakt heeft niet de Servisch-Montenegrijnse nationaliteit te bezitten. Zo verklaarde u namelijk enerzijds dat de Servisch-Montenegrijnse autoriteiten weigerden u de nationaliteit toe te kennen én anderzijds dat u problemen kende wegens uw dienstweigering in mei 1999 (gehoor CGVS). Er dient echter te worden vastgesteld dat deze twee gegevens niet met elkaar verenigbaar zijn. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratieve dossier werd gevoegd blijkt namelijk dat de Federale Wet inzake de Joegoslavische Strijdkrachten bepaalt dat de militaire dienst slechts van toepassing is op (mannelijke) staatsburgers van de (toenmalige) Federale Republiek Joegoslavië. Hier kan nog aan toegevoegd worden dat u wel degelijk in het bezit bent van een geldige identiteitskaart. Bijgevolg kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw bewering dat u de Servisch-Montenegrijnse nationaliteit niet zou bezitten. Ook aan uw bewering dat u nog in september 2002 door de politie zou verhoord zijn in verband met uw dienstweigering in 1999 (gehoor CGVS p. 22 ev.) kan geen enkel geloof gehecht worden. Zo werd namelijk op 3 maart 2001 in de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) een wet van kracht die onder meer voorziet in amnestie voor dienstweigeraars en deserteurs die zich vóór 7 oktober 2000 hebben onttrokken aan de dienstplicht of zonder toestemming het leger hebben verlaten (Officiële mededeling van de Federatieve republiek Joegoslavië Nr. 9101 van 02.03.2001). Lid 1 van artikel 1 van deze amnestiewet stelt ondermeer dat personen die artikel 214 van het Strafwetboek van de FRJ (weerstand tegen een oproepingsbevel en onttrekking aan de dienstplicht) hebben overtreden amnestie krijgen, wat vrijstelling van strafvervolging, vrijlating uit de gevangenis en schrapping van het vonnis omvat. Artikel 3 van deze wet voegt hier nog aan toe dat wanneer tegen personen volgens artikel 1 van deze wet nog XIV-18.159-3/10 geen strafproces ingeleid werd, ook geen proces wordt ingeleid en voor zover het strafproces reeds lopende is, het wordt gestaakt. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt bovendien dat deze amnestiewet inderdaad correct werd (wordt) toegepast. Verder dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas verder wordt ondermijnd. Zo verklaarde u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in maart 1999 slechts twee weken zou gemobiliseerd zijn geweest (gehoor DVZ vraag 42, p. 12), terwijl u tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal beweerde deze periode drie weken lang als reservist gemobiliseerd te zijn (gehoor CGVS p. 5). Nog verklaarde u tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal tussen 1998 en 1999 vier à vijf keer vanuit uw woning met geweld naar de politiepost meegenomen te zijn en vervolgens één tot twee dagen te zijn vastgehouden (gehoor CGVS p. 9 en 10). In 2000 zou u tweemaal door de politie opgepakt en ondervraagd zijn over uw dienstweigering. Verder zou u in september 2002 een convocatie hebben ontvangen. U zou zich gemeld hebben en er over uw dienstweigering verhoord zijn en daarom geslagen zijn (gehoor CGVS p. 21-27). Tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken repte u echter met geen woord over bovenstaande incidenten (gehoor DVZ vraag 42). U beweerde enkel tweemaal door de Servische politie opgepakt en geslagen te zijn bij uw pogingen om het land te verlaten. Toen zou u meegedeeld zijn dat u in dit verband een convocatie voor de rechtbank zou ontvangen. U zou deze oproeping niet afgewacht hebben en Servië verlaten hebben (gehoor DVZ vraag 42, p. 13). Ten slotte verklaarde u tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal in maart 2003 een agent die u in 2000 zou hebben geslagen, op de markt te zijn tegengekomen. U zou de agent geslagen hebben en daarom tot uw vertrek in juni 2003 bij uw broer ondergedoken geleefd hebben (gehoor CGVS p. 24-27). Tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en in uw verzoekschrift betreffende uw dringend beroep, dd. 11 juli 2003, repte u echter met geen woord over dit incident (gehoor DVZ vraag 42; verzoekschrift). Hier kan nog aan toegevoegd worden dat uw vluchtrelaas op een aanzienlijk punt afwijkt van de verklaringen afgelegd door uw echtgenote XXX, waardoor de geloofwaardigheid ervan tenslotte volledig wordt tenietgedaan. Zo verklaarde u dat u tussen 1998 en 1999 een vijftal keer thuis met geweld door de politie zou zijn meegenomen. U zou hierbij een of twee dagen vastgehouden zijn (gehoor CGVS p. 9- 10). Uw echtgenote beweerde daarentegen dat u van 1998 tot maart 1999 enkel problemen met uw buurman kende (gehoor CGVS vrouw p. 4 - 11 en 12). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw beweerde vluchtrelaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. Wat XXX betreft : “(...) A. Vluchtrelaas U werd op 3 september 2003 gehoord op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die het Romani machtig is. U verklaarde een Rom-zigeunerin afkomstig uit Beocin (gemeente Novi Sad, Servisch- Montenegrijnse deelrepubliek Servië) te zijn. Tijdens het etnische conflict in Kosovo zou u door de Servische buren beledigd zijn omdat uw echtgenoot een kind uit een etnisch gemengd (Albanees/Rom) huwelijk is. Begin maart 1999 zou uw echtgenoot thuis meegenomen zijn door het leger. U zou tijdens de Navo-bombardementen op ex- XIV-18.159-4/10 Joegoslavië in een kelder willen schuilen hebben maar de toegang zou u door Servische burgers verboden zijn. Na drie weken zou uw echtgenoot naar huis teruggekeerd zijn. In mei 1999 zou uw echtgenoot thuis een convocatiebrief ontvangen hebben. Daarop zou hij naar zijn broer gevlucht zijn. Uzelf zou thuis gebleven zijn en een week na het vertrek van uw echtgenoot zou u het bezoek van Servische soldaten hebben gekregen. Tien dagen later zouden zij nogmaals langsgekomen zijn. Een week later zou de commandant die uw echtgenoot in maart 1999 had gemobiliseerd naar de woning gekomen zijn. Hij zou de woning willen betreden hebben maar u zou zich hiertegen verzet hebben. Daarom zou de commandant u beledigd, vernederd en geslagen hebben. U zou nadien getracht hebben uw polsen over te snijden, maar vervolgens zou u toch naar uw schoonzus gevlucht zijn. Van daaruit zou u met uw kinderen naar uw vader gegaan zijn. U zou uw moeder het voorval hebben verteld en uw ouders zouden u hebben aangeraden alles voor uw echtgenoot te verzwijgen. In 2001 zou ook uw echtgenoot naar uw vader gekomen zijn. Daar zou hij in september 2002 een convocatiebrief ontvangen hebben. Hij zou zich bij de politie hebben gemeld en er verhoord zijn over zijn dienstweigering. Daarbij zou hij zwaar geslagen zijn. Rond maart 2003 zou uw echtgenoot op de markt een conflict met een politieagent hebben gehad en hij zou de man geslagen hebben. Daarop zou uw echtgenoot naar huis gevlucht zijn. Hij zou u alles hebben verteld en naar zijn broer gevlucht zijn. Nadien zou de politie nog een viertal keer naar uw ouderlijke woning gekomen zijn, op zoek naar uw echtgenoot. Bij haar laatste bezoek zou u verklaard hebben van uw echtgenoot gescheiden te zijn en sindsdien zou de politie niet langer langsgekomen zijn. Rond 17 juni 2003 zou u Servië samen met uw echtgenoot en drie kinderen hebben verlaten, richting België, waar u op 19 juni 2003 aankwam. Diezelfde dag vroeg u hier asiel aan. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen enkele belangrijke omissies bevatten, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas aanzienlijk wordt ondermijnd. Zo maakte u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding van een convocatiebrief die uw echtgenoot in september 2002 wegens zijn dienstweigering zou ontvangen hebben (gehoor DVZ vraag 42). Ook over het conflict dat uw echtgenoot in maart 2003 met een politieagent op de markt zou hebben gekend, repte u met geen woord. U maakte verder geen enkele melding van het feit dat de politie uw echtgenoot sinds maart 2003 nog een viertal keer bij uw ouders zou hebben gezocht (gehoor DVZ vraag 42). Tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal beweerde u nochtans dat deze problemen de aanleiding vormden voor uw vertrek uit Servië (gehoor CGVS p. 9 ev.). Verder dient te worden opgemerkt dat uw vluchtrelaas op een belangrijk punt afwijkt van de verklaringen afgelegd door uw echtgenoot, XXX, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas verder wordt ondermijnd. Zo verklaarde u dat uw echtgenoot van 1998 tot maart 1999 enkel problemen met een buurman zou hebben gekend. Hij zou enkel in maart 1999 thuis zijn opgepakt voor mobilisatie (gehoor CGVS p. 4, 12 en 13). Uw echtgenoot beweerde daarentegen dat hij tussen 1998 en 1999 een vijftal keer thuis met geweld door de politie werd meegenomen. Hij zou soms een of twee dagen vastgehouden zijn (gehoor CGVS man p. 9-10). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw beweerde vluchtrelaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. XIV-18.159-5/10
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren : “
- Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 52 §2, 2/ van de wet van 15.12.1980, en van het begrip «Vluchteling» in de zin van artikel 1, A
(2)van de Vluchtelingenconventie. Bij arrest nr. 46086 van 08.02.1994 heeft de Raad van State zich bevoegd geacht om het bestaan en het afdoend karakter van de redenen te onderzoeken, die een aanvraag tot politiek asiel steunen. De aangevochten beslissing verwijt onterecht aan verzoeker niet aannemelijk gemaakt te hebben dat hij de Servisch - Montenegrijnse nationaliteit niet zou bezitten, en dat zijn autoriteiten hem deze nationaliteit weigerden toe te kennen. Immers, volgens de nota's genomen tijdens zijn gehoorverslag dd 03.09.03 op het CGVS, blz. 4, 15, 16, werd het volgende genoteerd : "(...) kreeg geen nationaliteitsattest of I.K. (identiteitskaart) omdat ouders niet te Bogovina geboren waren, kreeg ik geen nationaliteitsattest, daarom geen I.K. gekregen." "(...) voor mei 1999 trachtte u al documenten in orde te brengen ? Ja, maar kreeg ze niet, telkens geweigerd. (...) Wat zeiden ze u telkens ? U zal ze nooit hebben als u geen nationaliteitsattest hebt. Waar moest u dat halen ? Nergens, ik was er niet ingeschreven, ik kon het niet krijgen. (...)" Hieruit leidt tegenpartij verkeerdelijk af dat verzoeker gezegd zou hebben dat hem de nationaliteit zelf geweigerd werd, daar waar hij formeel en duidelijk herhaalde dat hij slechts de nodige documenten niet kreeg, omdat hij er niet geregistreerd was, en dat zijn ouders er niet geboren waren. Tegenpartij verwart dus twee verschillende begrippen, nl. enerzijds het bezit van nationaliteit, en anderzijds de overhandiging van vereiste documenten. Hieruit vloeit voort dat gans de argumentatie van tegenpartij, met name de tegenstrijdigheid tussen enerzijds een dienstweigering en anderzijds een gemis aan nationaliteit niet afdoende is, en door de stukken uit het bundel tegengesproken wordt. Dienaangaande werd op blz.9 fine en 10 van zijn verhoor op het CGVS de volgende belangrijke nota's genomen : "Door politie met geweld van huis meegenomen. (...) Ze gaven geen reden op. De politie hield niet van moslim's en van Albanezen, daarom ik meegenomen. (...)" De door verzoeker aangegeven reden van herhaaldelijke discriminatoire handelingen vanwege de autoriteiten zijn gebaseerd op etnische en religieuze gronden, en vallen als dusdanig wel degelijk binnen toepassingssfeer van de Vluchtelingenconventie. Het feit dat verzoeker uiteindelijk toch in het bezit is kunnen komen van een identiteitskaart uitgereikt de Beocin op 10.01.00, is enkel te wijten aan het toedoen van zijn schoonvader (zie blz.25), en is dus op zich geen reden om geen geloof aan zijn beweringen te hechten. De verwijzing van tegenpartij naar de amnestiewet voor dienstweigeraars en deserteurs heeft hoe dan ook niets te maken met de door verzoeker ondergane mishandelingen vanwege de politieoverheid van zijn land. De aarzeling van verzoeker betreffende de duur van zijn mobilisatie in maart 1999, hetzij twee weken, hetzij drie weken, maakt hier niets uit en betreft enkel een detail van één week die geen bijzondere betekenis uitmaakt voor de appreciatie van gans zijn asielrelaas. Tegenpartij kan niet gevolgd worden met de stelling dat verzoeker voor de DVZ met geen woord repte over het feit dat hij in 2000 twee maal door de politie opgepakt en ondervraagd is geweest over zijn dienstweigering, nu op blz. 13 van zijn gehoor de volgende nota's genomen werden: "Ik ondernam verschillende pogingen om het land te verlaten, maar werd telkens gearresteerd door de Servische politie. Ik werd tot twee maal toe vastgehouden en mishandeld. Er werd mij gezegd dat ik voor de rechtbank zou moeten verschijnen en dat ik veroordeeld zou worden. Ik zou een convocatie ontvangen van de rechtbank. Ik heb niet gewacht tot ik die convocatie kreeg en heb dan het land verlaten." XIV-18.159-6/10 Hij beschikte er echter niet over voldoende tijd om alle details van zijn geleden ervaringen uiteen te zetten, zoals bijvoorbeeld de incidenten die hij op de markt in 2000 met de agent die hij geslagen heeft is tegengekomen. Kan evenmin gevolgd worden de stelling van tegenpartij betreffende een beweerde afwijking op een aanzienlijk punt tussen de onderlinge verklaringen van verzoekers, waardoor de geloofwaardigheid ervan volledig zou worden te niet gedaan. Inderdaad, i.v.m. verzoekster's verklaring dat verzoeker enkel met de buurman problemen kende van 1998 tot maart 1999, moet aangestipt worden dat verzoeker eveneens verklaard heeft door Servische burgers mishandeld geweest te zijn (zie blz.8). Er valt dus geen enkel spoor te vinden van de door tegenpartij aangehaalde aanzienlijke afwijking tussen verzoekers wederzijdse verklaringen. In casu hebben verzoekers op voldoende wijze gegevens aangebracht dat, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A, van de Conventie van Genève, zodat hun asielaanvraag niet kennelijk ongegrond mocht verklaard worden, waarvan de motieven wel met de criteria van de Conventie van Genève overeenstemmen. Het middel blijkt aldus gegrond te zijn.”; 2.1.2.1. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren "van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 52 §2, 2/ van de wet van 15.12.1980, en van het begrip ‘Vluchteling’ in de zin van artikel 1, A
(2)van de Vluchtelingenconventie.”; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoekers nalaten aan te tonen welk beginsel van behoorlijk bestuur door de bestreden beslissingen zou zijn geschonden; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hem ten onrechte verwijt niet aannemelijk te hebben gemaakt de Servisch-Montenegrijnse nationaliteit niet te bezitten; dat verzoeker aanvoert dat hij nooit heeft verklaard dat hem de nationaliteit werd geweigerd, doch wel dat hij de vereiste identiteitsdocumenten niet kreeg; dat verzoeker stelt dat bijgevolg de argumentatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen inzake de tegenstrijdigheid tussen een dienstweigering en een gemis aan nationaliteit niet klopt; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat verzoeker een artificieel onderscheid maakt tussen het verkrijgen van identiteitsdocumenten, enerzijds, en het bezitten van de nationaliteit, anderzijds; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitdrukkelijk blijkt dat verzoeker verklaarde dat hij geen nationaliteitsattest had; dat verzoeker er aan toevoegde : “Ik zal broer bellen (en) zo tonen dat ik geen nationaliteit heb.”; dat verzoeker er bijgevolg niet in slaagt de tegenstrijdigheid te weerleggen die erin bestaat dat verzoeker, enerzijds, verklaarde “dat de Servisch- Montenegrijnse autoriteiten weigerden (hem) de nationaliteit toe te kennen én (...) dat (hij) problemen kende wegens (zijn) dienstweigering in mei 1999", terwijl uit de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt, blijkt dat “de Federale Wet inzake de Joegoslavische Strijdkrachten bepaalt dat de militaire dienst slechts van toepassing is op (mannelijke) staatsburgers van de (toenmalige) Federale Republiek Joegoslavië”; dat verzoeker vervolgens stelt dat de verwijzing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen naar de amnestiewet “niets te maken (heeft) met de door XIV-18.159-7/10 verzoeker ondergane mishandelingen vanwege de politieoverheid van zijn land”; dat verzoeker zich vergist; dat de verwijzing door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen naar de amnestiewet wel degelijk relevant is voor de beoordeling van verzoekers asielrelaas; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen immers stelt dat, aangezien uit de informatie waarover hij beschikt, blijkt dat op 3 maart 2001 een amnestiewet van kracht werd en deze wet ook correct werd (wordt) toegepast, er geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan verzoekers bewering als zou hij in september 2002 door de politie zijn verhoord in verband met zijn dienstweigering; dat verzoeker de kennelijke onredelijkheid van deze overweging geenszins aantoont; dat verzoeker nog ingaat op de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden; dat de tegenstrijdigheid omtrent de vraag of hij twee dan wel drie weken is gemobiliseerd, verzoeker afdoet als een detail; dat zulks onvoldoende is om de tegenstrijdigheid, die duidelijk blijkt uit de stukken van het administratief dossier, te weerleggen, temeer daar net deze mobilisatie een centrale rol speelt in verzoekers asielrelaas; dat het feit dat hij op de Dienst Vreemdelingenzaken een aantal incidenten, zoals aanhoudingen en geweldplegingen door de politie en het incident met de agent op de markt in maart 2003, niet heeft verteld, terwijl hij dit wel deed voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, verzoeker wijt aan een gebrek aan tijd; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat uit de stukken van het administratief dossier immers blijkt dat het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken twee uur en tien minuten heeft geduurd, terwijl het verhoor voor het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een kwartier langer in beslag heeft genomen; dat verzoeker dan ook niet aannemelijk maakt op de Dienst Vreemdelingenzaken onvoldoende tijd te hebben gekregen om zijn asielrelaas volledig uit de doeken te doen; dat verzoeker ten slotte de tegenstrijdigheid ontkent tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote; dat verzoeker stelt dat zowel hij als zijn echtgenote hebben verteld over de problemen met hun buurman; dat verzoekers argument echter niet terzake doet, aangezien de tegenstrijdigheid geen betrekking heeft op de problemen met de buurman doch wel op het feit dat verzoeker heeft verklaard tussen 1998 en 1999 een vijftal keer thuis met geweld door de politie te zijn meegenomen, waarbij hij een of twee dagen werd vastgehouden, terwijl verzoekers echtgenote hierover niets vertelde doch beweerde dat verzoeker tussen 1998 en maart 1999 enkel problemen met zijn buurman kende; 2.1.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing genomen ten aanzien van verzoekster gebaseerd is op twee motieven; dat, enerzijds, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelt dat verzoeksters verklaringen “enkele belangrijke omissies” bevatten; dat verzoekster nalaat hieromtrent ook maar de minste kritiek aan te voeren; dat daarnaast de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wijst op de tegenstrijdigheid tussen verzoeksters verklaringen en die van haar echtgenoot omtrent het niet vermelden door verzoekster van de vijf aanhoudingen van haar echtgenoot tussen XIV-18.159-8/10 1998 en 1999; dat hieromtrent kan worden verwezen naar de hierboven weergegeven bespreking; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren : “
- Schending van artikel 62 van de wet van 15.12.1980 en van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens bovenvermeld artikel 62 moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en luidens artikel 3 van bovenvermelde wet : “De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moeten afdoende zijn.” Inderdaad, volgens een algemeen geldend rechtsbeginsel, moet een administratieve beslissing steeds de rechtens vereiste feitelijke grondslag hebben, en het bestaan van die grondslag moet kunnen bewezen worden in geval van betwisting aan de hand van stukken die de overheid, wanneer ze haar beslissing nam, bij haar oordeel kunnen betrekken. De aangevochten beslissingen van het C.G.V.S. sluiten de gegevens en elementen uit van vrees voor vervolgingen op niet aanneembare motivaties zoals vermeende tegenstrijdigheden zoals hierboven aangestipt. Bijgevolg zijn de aangevochten beslissingen niet deugdelijk gemotiveerd.”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoekers herhalen dat de bestreden beslissingen gebaseerd zijn op “niet aanneembare motivaties zoals vermeende tegenstrijdigheden”; 2.2.2.
- Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat een schending van de motiveringsplicht niet aangenomen kan worden; dat in dit tweede middel verzoekers er niet in slagen te overtuigen van het tegendeel; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-18.159-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-18.159-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.690 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div