id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.692 Rolnummer: A. 144770/XIV-17841 Zaak: Arrest 142692 - - 29/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:43 Fiche Arrest nr 142.692 van 29 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.692 van 29 maart 2005 in de zaak A. 144.770/XIV-17.
- In zake :
- XXX,
- XXX, verblijvende te 3900 OVERPELT, Opvangcentrum Valkenhof, Napoleonweg 51 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Pakistaanse nationaliteit, op 1 december 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 november 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 augustus 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 4 december 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-17.841-1/14 Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. SCHIPPERS die, loco Advocaat L. CRAPS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Pakistaanse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 26 juli 2001 en hebben zich op 24 juli 2003 voor de tweede keer vluchteling verklaard. 1.
- Op 6 augustus 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 3 november 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 augustus 2003 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen, die als volgt luiden: Wat XXX betreft: “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde de Pakistaanse nationaliteit te bezitten en een ahmadi-moslim te zijn afkomstig uit Mahmoudabad, provincie Sindh. U bent gehuwd met XXX (OV n/ 5.118.071). Omdat u in Mahmoudabad wegens uw geloof problemen kende met plaatselijke maulvi's (moslimpriesters) vluchtte u eind mei 2001 met uw gezin naar uw schoonfamilie in Karachi. U leefde er tot 10 augustus 2001 ondergedoken bij uw schoonbroer A. terwijl uw gezin bij een vriend van uw schoonvader in Karachi verbleef. U verliet het land op 10 augustus 2001 en deed een eerste asielaanvraag in België op 13 augustus 2001 Nadat uw asielaanvraag geweigerd werd keer(de) u niet naar Pakistan terug. U diende een tweede asielaanvraag in op 24 juli 2003 die u op volgende nieuwe elementen baseerde: u werd op 21 juni 2001 in de buurt van uw onderduikadres in Karachi gearresteerd terwijl u sigaretten ging kopen. U werd in het Landi-politiekantoor opgesloten. U vernam er dat maulvi's in Karachi een klacht tegen u hadden ingediend wegens uw uitspraken tegen een betoging van maulvi's en andere gelovigen eind mei 2001 in Mahmoudabad. Er was een "FIR" opgesteld (First XIV-17.841-2/14 Information Report). U werd tot 26 juli 2001 in het politiekantoor opgesloten. Uw schoonvader kreeg u met behulp van een advocaat en na betaling van 150000 roepies vrij. Ondertussen was uw echtgenote al naar België gevlucht en had ze hier op 26 juli 2001 asiel aangevraagd. U vernam ongeveer zes maanden geleden via een familielid in Duitsland dat er tegen u een nieuw arrestatiebevel loopt verbonden aan het "FIR" van 21 juni
- U vernam tevens dat uw broer M. in 2002 door onbekenden werd aangevallen en dat de politie weigerde hierover een klacht op te stellen. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat cruciale elementen in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS) bij uw tweede asielaanvraag niet overeenstemmen met uw verklaringen afgelegd in de loop van uw eerste asielprocedure. Zo spreekt u plotseling bij deze tweede aanvraag over een arrestatie daterende van 21 juni 2001 terwijl u in Karachi verbleef (DVZ 2, p. 12; CGVS 2, p. 5). U hebt echter nooit eerder over een arrestatie gesproken. U beweerde zelfs tijdens uw eerste asielaanvraag zowel op DVZ als in dringend beroep op het CGVS nooit gearresteerd te zijn (DVZ 1, p. 17: CGVS 1, p. 4). Ook tijdens de procedure voor de Raad van State werd zoals uit het administratief dossier blijkt nergens gewag gemaakt van een arrestatie op 21 juni 2001, dus nog voor u Pakistan verliet. Deze procedure werd afgesloten met een verwerpingsarrest nr. 110.321 van 17 september
- Aan dit nieuw element kan dan ook weinig geloof worden gehecht. De verklaring die u gaf voor het niet vermelden van deze toch niet onbelangrijke gebeurtenis is niet afdoende. U beweerde dat uw echtgenote deze arrestatie in haar eerste verklaring voor DVZ nooit heeft vermeld en dat u het daarom ook niet vermeldde (CGVS 2, p. 13). Ze had immers schrik dat door haar verklaring in België uw eventuele vrijlating in Pakistan in het gedrang zou komen (CGVS 2, p. 13). Nochtans werd ook na uw komst in België in verdere verklaringen nooit over een arrestatie gesproken, terwijl u er dan toch in geslaagd was veilig het land te verlaten. Dat u op dat moment geen enkel begin van bewijs kon aanbrengen van deze arrestatie is evenmin een afdoende verklaring (CGVS 2, p. 13). Er kan immers van u verwacht worden dat u, los van het feit of u de nodige bewijsstukken kan voorleggen, omtrent uw vluchtrelaas waarachtige en volledige verklaringen aflegt. U hebt evenmin vóór uw tweede asielaanvraag geprobeerd via uw familieleden in het buitenland de nodige documenten ter staving van deze arrestatie te bezorgen, dit terwijl het “FIR” van 21 juni 2001 dateert. U legde ter staving van uw tweede asielaanvraag een fax van een "FIR”, een arrestatiebevel en faxen van uw advocaat in Pakistan voor. Hierbij dient te worden opgemerkt dat u nooit eerder vermeldde dat u officieel beschuldigd zou zijn in Pakistan. Nochtans beweerde u op het CGVS bij uw eerste asielaanvraag dat er geen “FIR” tegen u werd opgesteld omdat "er tegen ahmadi's geen “FIR” wordt opgesteld" (CGVS 1, p. 6-7). Het is dan ook uiterst bevreemdend dat u nu plots tóch een “FIR” voorlegt. Bovendien beweerde u nu bij deze arrestatie van 21 juni 2001 zelf vernomen te hebben dat er een “FIR” was opgesteld (CGVS 2, p. 9). Er kan dan ook ernstig getwijfeld worden aan de authenticiteit van het "FIR", evenals aan die van het arrestatiebevel dat ermee verbonden is. U beweerde aanvankelijk niet te weten of het geld dat voor uw vrijlating betaald werd als smeergeld of borgsom diende, maar voegde er daarna aan toe te vermoeden dat het om smeergeld ging (CGVS 2, p. 6, 12). De fax van uw advocaat in Pakistan vermeldt dat u zou zijn vrijgelaten na betaling van een borgsom. Uit het “FIR” blijkt dat u zou beschuldigd zijn onder artikel 295-B van de strafwet. Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd blijkt dat het misdrijf gepleegd onder dit artikel "not bailable" is. Dat u dan als ahmadi tóch op borgtocht zou zijn vrijgelaten is uiterst merkwaardig en trekt de geloofwaardigheid van de beschuldiging en arrestatie verder in twijfel. De bijgevoegde rapporten over de algemene situatie van ahmadi's in Pakistan worden niet concreet op uw persoonlijke situatie betrokken en volstaan niet om aan te tonen dat u in uw land van herkomst persoonlijk wordt vervolgd. De overige documenten die u ter staving van uw asielrelaas voorlegde doen evenmin afbreuk aan de bedrieglijkheid van de asielaanvraag en dit wordt dan ook in de bestreden beslissing vastgesteld. Het gaat om volgende documenten: documenten in verband met de problemen van uw broer M. in Pakistan, een PV dd. 20 november 2001 met bijhorend medisch attest, documenten in verband met de erkenning van familieleden in Duitsland en XIV-17.841-3/14 Groot-Brittannië en omtrent de medische en psychologische problemen van uw gezinsleden in België. Het medisch attest dd. 7 juni 2002 betreft psychologische problemen als gevolg van een onzekere verblijfssituatie in België en vermeldt geen rechtstreeks verband met problemen in het land van herkomst. Zoals blijkt uit de hierboven opgesomde motieven werd met de opmerkingen en de bijgevoegde stukken door uw raadsman Mter Craps in zijn brief van 16 september 2003 bij het nemen van deze beslissing rekening gehouden. De in deze brief aangebrachte gegevens zijn niet van die aard dat zij de beslissing kunnen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. Wat XXX betreft: “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde de Pakistaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Karachi, provincie Sindh. U bent ahmadi-moslim. U bent gehuwd met XXX en woonde sinds uw huwelijk in Mahmoudabad. U verliet het land op 25 juli 2001 en vroeg hier de eerste keer asiel aan op 26 juli
- Enkele weken nadien werd u hier vervoegd door uw echtgenoot die op 13 augustus 2001 een asielaanvraag indiende. Nadat uw beider asielaanvragen geweigerd werden keerde u niet naar Pakistan terug maar deed u een tweede asielaanvraag op 24 juli
- U baseerde deze op volgende nieuwe elementen: uw echtgenoot legde ter staving van de tweede asielaanvraag documenten voor, waaronder een FIR (First Information Report) en een arrestatiebevel. Uw echtgenoot werd op 21 juni 2001 in Karachi gearresteerd. Hij werd ervan beschuldigd tijdens een betoging in mei 2001 in Mahmoudabad maulvi's en gelovige moslims beledigd te hebben. U verbleef sinds eind mei 2001 bij een vriend van uw vader in Karachi terwijl uw echtgenoot bij de schoonfamilie van uw broer Adris was ondergedoken. U verliet het land vooraleer uw echtgenoot op 26 juli 2001 vrijkwam. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uit uw opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS) blijkt dat u zich voor uw tweede asielaanvraag baseert op de asielmotieven van uw echtgenoot. U verklaarde zelf geen andere elementen te hebben voor een tweede asielaanvraag (CGVS 2, p. 1, 8). Aangezien in hoofde van uw echtgenoot ook in deze tweede asielaanvraag een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen, kan ook aan uw asielaanvraag geen positief gevolg worden gegeven. Uit uw verklaringen blijkt verder dat ook u nu de arrestatie van uw echtgenoot op 21 juni 2001 vermeldt. U hebt echter in uw verklaringen bij uw eerste asielaanvraag nooit over deze arrestatie gesproken, alhoewel u al voor uw vertrek uit Pakistan wist dat hij was opgepakt (CGVS 2, p. 3). U beweerde zelfs tijdens uw gehoor in dringend beroep op het CGVS dat uw echtgenoot nooit werd opgepakt (CGVS 1, p. 4). De verklaring die u voor deze discrepantie bood, namelijk dat u de eerste keer schrik had dat de vrijlating van uw echtgenoot in het gedrang zou komen is niet afdoende (CGVS 2, p. 8). Bovendien hebben u noch uw echtgenoot in verdere verklaringen in de loop van uw eerste asielprocedure nooit over deze arrestatie gesproken. Ook van de beschuldiging in de vorm van een "FIR" verbonden aan deze arrestatie werd nooit gewag gemaakt. Hierdoor komt de geloofwaardigheid van de arrestatie en bijhorende beschuldiging op ernstige wijze in het gedrang. De overige documenten die ter staving van deze nieuwe asielaanvraag werden voorgelegd zijn niet van die aard dat ze de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen. Het betreft volgende XIV-17.841-4/14 documenten: documenten in verband met de problemen van uw schoonbroer Munawar in Pakistan, een PV dd. 20 november 2001 met bijhorend medisch attest, diverse rapporten over de algemene situatie van ahmadi's in Pakistan, documenten in verband met de erkenning van familieleden van uw echtgenoot in Duitsland en Groot-Brittannië en omtrent de medische en psychologische problemen van uw gezinsleden in België. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “Onverminderd alle andere middelen, aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, stellen verzoekers volgende ernstige middelen voor: "eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikels 48, 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 en van art. 1, par. A al. 2 en 33 van de Conventie van Genève en van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de administratieve akten doordat de bestreden beslissing onvoldoende en gebrekkig gemotiveerd is, op basis van de door verzoekers ingediende nieuwe asielaanvraag, alsmede de beginselen van behoorlijk bestuur. De definitie van een vluchteling overeenkomstig de Conventie van Genève luidt als volgt: “geldt als vluchteling: elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om reden van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van de bovenbedoelde vrees niet wil inroepen." De bestreden beslissingen zijn vooral gebaseerd op de overweging dat omwille van beweerde bedrieglijke verklaringen, zijnde het feit dat de tweede asielaanvraag manifest gesteund is op bewijzen van ernstig gegronde vrees voor vervolging in hoofde van betrokkene: i.e. de arrestatie van XXX (stuk 3), de beschuldiging onder de vorm van “F.I.R.” (stuk 5), uitreiken van een arrestatiebevel op naam van XXX (stuk 6), e.d.m. -persoonlijke elementen die niet konden worden bijgebracht door verzoekers in het kader van hun eerste asielaanvraag-, de geloofwaardigheid ervan ernstig in het gedrang komt. De redengeving van de bestreden beslissing is op zich reeds volkomen inwendig tegenstrijdig, zelfs bedrieglijk en getuigt van ieder gebrek aan ernstig onderzoek van de divers aangebrachte nieuwe elementen evenals van het weergegeven vluchtrelaas van verzoekers (zie sub infra blz. 10). Tevens stelt men in de bestreden beslissing voorts dat "uit het "F.I.R. blijkt dat u zou beschuldigd zijn onder artikel 295-B van de strafwet. Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd blijkt dat het misdrijf gepleegd onder dit artikel "not bailable" is. Oók de inhoud van deze bewering van het Commissariaat-Generaal druist echter volkomen in tegen het overgelegde schriftelijke bewijsstuk van partijen, nl. stuk 3 waarin expliciet door hun Pakistaanse advocaat Malik Nazir Ahmad wordt gesteld: “This is to certified that Mr. XXX S/o XXX was my client in crime case hearing FIR No. IB/2001 under section 295-B Pakistan Penal Code at Police Station Landhi, East, Karachi-Pakistan. XIV-17.841-5/14 Being an advocate I moved bail application under section 497 C.P.C. in the court of District and Session Judge District East, Karachi where the bail application granted the bail to the above said person so after bail I advised to my client that he should leave Pakistan because this matter belongs to religious basis. Therefore the above said person/my client could be involved again in an other case by the Police”. In vrije vertaling : “Hierbij bevestig ik dat de heer XXX z/v XXX mijn cliënt was in een strafgeding, FIR nr. IB/2001, in toepassing van artikel 295-B van de Pakistaanse Strafwet op het politiecommissariaat Landhi, Oosten, Karachi-Patistan. Zijn advocaat zijnde diende ik namens deze cliënt een verzoek tot vrijlating onder borgtocht in toepassing van artikel 497 Pakistaanse Strafwet voor de "District en Session Judge District East, Karachi" in waarbij het vermelde verzoek tot borgtocht namens deze persoon werd ingewilligd en aan welke cliënt ik dan ook na afloop ervan het gebiedende advies verstrekte om Pakistan te verlaten gezien zijn problemen van religieuze aard zijn. Dientengevolge zou deze bovenvermelde persoon ook nog betrokken kunnen geraken in divers andere politieonderzoeken." Zoals door verzoeker weergegeven ter gelegenheid van zijn verhoren voor de bevoegde asielinstanties werd hij inderdaad door de officiële Pakistaanse autoriteiten vervolgd, op grond van artikel 295-B van de Pakistaanse Strafwet doch het door zijn raadsman ingediende verzoek tot borgtocht steunde daarentegen op artikel 497 Pakistaanse Strafwet, welk verzoek door de "District en Session Judge District East, Karachi" werd ingewilligd. Verzoeker levert dan ook onomstotelijk de vereiste bewijzen zoals voorgeschreven onder de bovenvermelde internationaalrechtelijke definitie van "vluchteling". De huidige beweringen van het Commissariaat-Generaal dienen dan ook als stemmingmakerij, en missen alleszins in casu iedere feitelijke relevantie. Ten gronde dient verder te worden vastgesteld dat geen enkele tegenstrijdigheid kon worden weerhouden in de diverse verklaringen van beide verzoekers ter gelegenheid van hun diverse interviews voor de bevoegde instanties aangaande hun asielaanvraag. Noch D.V.Z., noch C.G.V.S. maken ervan op enigerlei wijze melding in hun tussengekomen administratieve beslissingen. Het vluchtrelaas van verzoekers is dan ook gebaseerd op consistente, oprechte en waarachtige verklaringen omtrent de feiten die zij aanvoerden en die ernstige aanwijzingen uitmaken van de vrees voor vervolging in hunner hoofde, welke op objectieve wijze beoordeeld dienen te worden (R.v.St., nr. 79.046, 02.03.1999, A.P.M., 1999, 58; TRD Et I., 2001, 18), waarin het Commissariaat-Generaal in casu flagrant tekort geschoten is. In dezelfde zin: Onder "klaarblijkelijk" in de zin van artikel 52 Vreemdelingenwet wordt verstaan datgene waarvan het bestaan of de aard door een redelijke geest erkend wordt met een dergelijke overtuigingskracht dat verdere onderzoeken niet noodzakelijk lijken. Het internationale Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van Vluchtelingen laat elke verdragsluitende staat weliswaar een ruime beoordelingsbevoegdheid inzake de ontvankelijkheid van de asielaanvragen en deze bevoegdheid werd toegepast bij voornoemd art. 52 Vreemdelingenwet die het de bevoegde autoriteit mogelijk maakt de onontvankelijkheid van een asielaanvraag te doen afhangen van de overlegging van een begin van bewijs van de aangevoerde vervolgingen en van een samenhangend relaas van de asielaanvrager, maar om deze wetsbepalingen volgens de regels toe te passen moeten de tegenstrijdigheden en onsamenhangendheden die door de bevoegde autoriteit naar voren worden gebracht, zo groot zijn dat ze niet redelijkerwijze kunnen worden verklaard (R.v.st., nr. 90.753, 14.11.2000, A.P.M., 2000, 211 en TRD Et I., 2001, afl. 10, 26). Zo is immers de vervolging van Ahmadiyya-gelovigen in Pakistan wettelijk geregeld, hetgeen overigens door het Commissariaat-Generaal niet wordt ontkend. Deze discriminatie is alomvattend en continu, sociaal, politiek, gerechtelijk, e.d.m. ... Pakistan is een oude Engelse kolonie, met een kastemaatschappij. Als men de Ahmadiyya 's buiten de wet stelt dan komen die maatschappelijk onder het paria-niveau terecht. Aldus blijkt overduidelijk dat verzoekers -in het verleden zowel als nu- in de onmogelijkheid verkeren om de bescherming in te roepen van de staat tot dewelke zij XIV-17.841-6/14 behoren, daar zij er geen enkele burgerrechten genieten daar ze specifiek buiten de wet zijn gesteld. Zij genieten evenmin enige godsdienstvrijheid en mogen ook niet deelnemen aan welke sportieve activiteit ook. Hun aanvraag tot asiel is dan ook manifest gesteund op de gegronde vrees voor vervolging ingevolge hun RELIGIE. Deze inlichtingen, in samenlezing met de divers door verzoekers bijgebrachte bewijzen, dienen dan ook begrepen te worden vanuit de dagdagelijkse realiteit in de Pakistaanse samenleving. In tegenstelling tot hetgeen in de overwegingen van de bestreden beslissing wordt voorgehouden hebben betrokkenen wel degelijk redenen om een gegronde vrees te koesteren in de zin van de Conventie van Genève, nu als vaststaand moet worden beschouwd dat zij om redenen van religieuze oorsprong (=Ahmadiyya) vervolgd en gearresteerd zijn door de officiële autoriteiten. Verzoeker is aldus van oordeel dat het commissariaat-generaal bij het onderzoek naar de toekenning van het verblijf op verblijf tekortgeschoten is aan de vereisten gesteld door het redelijkheidsbeginsel (zie o.m. R.v.St., nr. 28.894, 24.11.
(1)987; R.v.St., nr. 46.329, 01.03.1994; R.v.St., nr. 64.139, 22.01.1997) en het zorgvuldigheidsbeginsel, beiden algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het redelijkheidsbeginsel beperkt discretionaire bevoegdheden enkel doordat het niet duldt dat hetgeen beslist is, in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten waarop het besliste steunt. Het redelijkheidsbeginsel staat de rechter voorts evenmin toe dat oordeel over te doen maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat, wanneer de door het bestuur geponeerde verhouding tussen beslissing en feiten in werkelijkheid volkomen ontbreekt, en er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is. zie: R.v.St., nr. 64.139, 22 januari 1997) Het redelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de als motieven opgegeven feiten werkelijk bestaan en op zich rechtens relevant zijn, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de beslissing welke op grond ervan genomen is (zie: R.v.St., nr. 47.148, 3.05.1994, Arr. R.v.St., 1994). Er is sprake van schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer een beslissing genomen wordt op grond van de motieven die weliswaar rechtens relevant aanvaardbaar en feitelijk juist zijn, maar waartegenover hetgeen beslist is in een kennelijke wanverhouding staat (zie: R.v.St., nr. 46.329, 1.03.1994, T. Gem., 1995, 143; Arr. R.v.St., 1994). Ontegensprekelijk liggen eveneens ten grondslag aan de bestreden beslissing de diverse incidenten welke zich voordeden ter gelegenheid van het verhoor van verzoekers voor het Commissariaat-Generaal, op maandag 8.09.2003. Verzoekers verwijzen terzake naar de uitvoerige redengeving zoals weergegeven in het aangetekend schrijven van hun raadsman, Mr. L. CRAPS, dd. 16.09.2003 (stuk 13) waarop het schriftelijke antwoord, ondertekent door Dirk VAN DEN BULCK (stuk 14) alleszins geen correcte en deugdelijke respons vormt. Er mag o.m. op gewezen worden dat de ondertekenaar van deze brief zélf(s) niet persoonlijk aanwezig was bij het verhoor. In het standaardwerk onder de titel "Het Belgisch asielbeleid" komt auteur Jan BLOMMAERT terzake tot een grondige analyse waarbij hij vaststelt "aangezien deze procedure bijzonder sterk berust op een onderzoek naar het waarheidsgehalte van het verhaal van de asielzoeker, zouden zowel het verloop van de procedurele momenten waarin dit verhaal wordt geproduceerd, als het eigenlijke verhaal zelf, aan een veel scherper toezicht moeten onderworpen worden..." Hij vervolgt dan ook met de enig concrete gevolgtrekking: “de oplossing hiervoor werd reeds door de Nederlandse Ombudsman voorgesteld: verhalen moeten op band worden geregistreerd, en deze bandopname moet dan de basis van het onderzoek vormen, eerder dan de vaak onvolledige of tendentieuze vertalingen van de tolk of de soms verregaand vereenvoudigde nota's van de interviewer." (COMMERS, R., en BLOMMAERT, J. (ed.), Het Belgisch asielbeleid: kritische perspectieven, EPO, Antwerpen, 2001, Van Onderaan gezien: asielzoekers aan het woord, pag. 155-181
(180)). Ook in casu ontbreekt iedere registratie van verzoekers' verklaringen op band. XIV-17.841-7/14 Het eerste middel is dan ook gegrond en er dringt zich de nietigverklaring van de bestreden akte manifest op.”; dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord het volgende toevoegen: “Voor de uiteenzetting van de feiten die aan huidige procedure ten grondslag liggen en voor de uiteenzetting van haar argumenten verwijzen concluanten naar hun verzoekschrift tot nietigverklaring. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissingen afdoende gemotiveerd zijn Raad van State in casu gevat is als rechter inzake beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, inzake de ontvankelijkheid van hun beide asielaanvragen in België. Verwerende partij oordeelt dan ook dat de Raad van State zich niet in de plaats van de feitenrechter kan stellen bij de beoordeling van de bewijskracht van de aangevoerde gegevens hierbij verwijzende naar "alle gegevens van het administratief dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoekers en op alle dienstige stukken". De Raad van State heeft zich echter steeds het recht voorbehouden na te gaan of de door bestreden beslissing aan de feiten die zij vaststelt wel een correcte juridische kwalificatie geeft ( R.v.S., GHIJSELS en LENDERS, nr. 4467, 4468, en 4469 van 5 juni 1955; JORIS, nr. 6718 van 9 december 1958). Aldus kan de Raad van State niet de weergave van het relaas van verzoekers onderzoeken doch wel nagaan of er inderdaad sprake is van tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen en, vooral, of deze tegenstrijdigheden van aard zijn iedere geloofwaardigheid aan de verklaringen van verzoekers te ontnemen. Een dergelijke gevolgtrekking betreft immers een juridische kwalificatie van de feiten. De Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen vermeldt immers, naar gewoonte, in diens beslissingen terecht dat de verklaringen van de betrokkene een voldoende bewijs kunnen zijn van hun hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn. De Raad van State dient dan ook te onderzoeken of verweerder uit de verklaringen in het dossier tot de ongeloofwaardigheid van het relaas van verzoekers heeft kunnen besluiten.”; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoekers vaststellen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft besloten dat de nieuwe aangebrachte elementen de geloofwaardigheid van hun asielrelaas ernstig in het gedrang heeft gebracht omdat zij deze persoonlijke elementen in het kader van hun eerste asielaanvraag niet hebben aangebracht, dat volgens verzoekers dit getuigt van een gebrek aan ernstig onderzoek van hun nieuwe elementen en van hun vluchtrelaas; dat verzoekers verwijzen naar een bijgevoegd stuk geschreven door hun advocaat in Pakistan waaruit blijkt dat zij onder borgtocht zijn vrijgelaten met toepassing van artikel 497 van de Pakistaanse Strafwet; dat zij stellen dat het verzoek tot borgtocht bijgevolg niet op artikel 295-B van de Pakistaanse Strafwet steunde; dat de bewering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hierover in de bestreden beslissingen iedere feitelijke relevantie mist; dat er geen enkele tegenstrijdigheid kon worden vastgesteld in de verschillende opeenvolgende verklaringen, dat hun vluchtrelaas bijgevolg gebaseerd is op consistente, oprechte en waarachtige verklaringen waaruit hun vervolging blijkt, dat de vervolging van de Ahmadiyya-gelovigen in Pakistan wettelijk geregeld is en dit gegeven overigens niet wordt ontkend door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat daarom verzoekers van mening zijn dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-17.841-8/14 staatlozen wat zijn onderzoek naar de feiten betreft het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat bovendien verzoekers verwijzen naar de diverse incidenten die zich voordeden tijdens het interview in dringend beroep en zij aanklagen dat hun verklaringen niet op “band” zijn geregistreerd; 2.1.2.
- Overwegende dat dient opgemerkt dat artikel 48 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien dit artikel bepaalt dat de vreemdeling “die voldoet aan de voorwaarden die ten dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden” als vluchteling kan worden erkend; dat dit artikel niet toepasselijk is op verzoekers; dat, met betrekking tot de artikelen 1, (A), 2 en 33 van de Conventie van Genève dient opgemerkt dat deze geen directe werking hebben; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de Vreemdelingenwet tot doel heeft de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen, zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenslijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift kan worden afgeleid dat aan deze doelstelling werd tegemoet gekomen; dat het de taak van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is om in de ontvankelijkheidsfase na te gaan of de asielaanvraag niet bedrieglijk of kennelijk ongegrond is; dat men het de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook niet kan verwijten de verklaringen van de asielzoeker zorgvuldig te onderzoeken, onderling te vergelijken, te vergelijken met de verklaringen van zijn echtgeno(o)t(e), met de door hem aangebrachte documenten en alzo tegenstrijdigheden en/of onzorgvuldigheden aan het licht te brengen; dat geen enkele wetsbepaling verbiedt dat, in het kader van een tweede asielaanvraag, uitspraak wordt gedaan op basis van de gegevens die in het kader van de eerste asielaanvraag bekend waren; dat in casu duidelijk blijkt dat verzoekers hun tweede asielverzoek volledig baseren op dezelfde vluchtelementen die zij naar aanleiding van hun eerste asielverzoek aanhaalden; dat evenmin het verboden is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verklaringen afgelegd in het kader van beide procedures vergelijkt en er desgevallend tegenstrijdigheden in onderkent; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat beide verzoekers tijdens de eerste asielprocedure nooit gesproken hebben over de arrestatie van eerste verzoeker daterende van 21 juni 2001; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan dit nieuw element weinig geloof kan hechten; dat daarnaast uit de bestreden beslissing ten aanzien van eerste verzoeker blijkt dat hij een fax van een “FIR” heeft voorgelegd terwijl verzoeker tijdens zijn eerste asielaanvraag uitdrukkelijk verklaarde dat er geen “FIR” tegen hem was opgesteld omdat “er tegen ahmadi’s geen ‘FIR’ wordt opgesteld”; dat bovendien uit de bestreden beslissingen blijkt dat de Commissaris-generaal XIV-17.841-9/14 voor de vluchtelingen en de staatlozen twijfelt aan de authenticiteit van de voorgelegde “FIR”; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden betrekking hebben op feiten die de kern van hun asielrelaas raken en die de aanleiding van hun vertrek uit hun land van herkomst zouden zijn geweest; dat de tegenstrijdigheden zo fundamenteel zijn dat zij de geloofwaardigheid van hun asielrelaas in het gedrang brengen; dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet kan afgeleid worden dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen ernstig onderzoek verricht van de nieuw aangebracht elementen; dat, wat de tegenstrijdigheid in verband met de borgtocht betreft, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld, uit informatie waarover hij beschikt, dat het misdrijf waarvan verzoeker zou beschuldigd zijn “not bailable” is; dat verzoeker weliswaar verwijst naar een brief van zijn advocaat waaruit blijkt dat hij op borgtocht is vrijgelaten met toepassing van een ander artikel van de Pakistaanse Strafwet doch verklaart niet waarom een ander artikel van toepassing is; dat uit de door verzoeker voorgelegde “FIR” immers blijkt dat hij beschuldigd zou zijn onder artikel 295-B van de Strafwet; dat de analyse van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen correct is en pertinent en geenszins wordt weerlegd aan de hand van de brief van de Pakistaanse advocaat; dat verzoekers aanvoeren dat het redelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat zij worden verwijderd naar een land waar de vervolging van de Ahmadiyya-gelovigen wettelijk geregeld is; dat uit de bespreking van het middel hierboven blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in redelijkheid tot de conclusie is gekomen dat de asielaanvraag van de verzoekende partijen bedrieglijk is, door vast te stellen dat hun verklaringen zijn aangetast door ernstige tegenstrijdigheden; dat dan ook geen verder onderzoek meer dient gevoerd te worden naar de vrees voor vervolging in hun land van herkomst; dat het niet volstaat om enkel te verwijzen naar de algemene toestand in hun land van herkomst zonder deze op hun persoonlijke situatie te betrekken; dat verzoekers eveneens de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoeren; dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing moet stoelen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partijen zich beperken tot een aantal loutere affirmaties over de vervolging van de Ahmadiyya-gelovigen in Pakistan; dat echter wordt voorbijgegaan aan het door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde en in de bestreden beslissingen aangetoonde gebrek aan geloofwaardigheid van hun verklaringen; dat verzoekers stellen dat er diverse incidenten waren tijdens het verhoor in dringend beroep en klagen dat hun gesprek niet op “band” werd geregistreerd; dat er geen wettelijke verplichting bestaat dat de verhoren van de kandidaat-vluchteling op “band” dienen te worden geregistreerd; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers werden gehoord op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat tijdens deze interviews zij de mogelijkheid kregen hun asielmotieven uiteen te zetten, zij stukken konden voorleggen en zich laten bijstaan door hun raadsman; dat aan verzoekers en hun raadsman bijgevolg de gelegenheid werd gegeven om nuttig voor hun belangen op te komen; dat verzoekers hebben nagelaten aan te tonen op welke wijze XIV-17.841-10/14 de zogenaamde incidenten hun belangen hebben geschaad; dat zij evenmin hebben aangetoond op welke wijze de incidenten een negatieve invloed hadden op hun verklaringen; dat verzoekers hebben nagelaten uiteen te zetten welke verklaringen zij hadden wensen af te leggen tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissingen in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat de stelling dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig te werk is gegaan niet kan worden bijgevallen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “"tweede middel, afgeleid uit de schending van het artikel 51/8 van de Wet van 15 december 1980". Artikel 51/8 Vreemdelingenwet heeft betrekking op de “nieuwe elementen" en luidt als volgt: “(De Minister), of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaringen heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
- De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen." Zoals uitdrukkelijk weergegeven onder de hoofding "A. VLUCHTRELAAS" van de bestreden beslissing diende verzoeker een tweede asielaanvraag in op 24 juli 2003 die hij baseerde op volgende elementen:
(1)arrestatie op 21.06.2001 (stuk 5);
(2)opstellen van een "FIR" tegen verzoeker (stuk 5);
(3)aanhouding van verzoeker in het politiekantoor tot 26.07.2001;
(4)vrijlating op 26.07.2001 mits betaling van een borgsom (stuk 4);
(5)verzoeker vernam zes maanden geleden via een familielid in Duitsland (in Duitsland) dat er een nieuw arrestatievel (bevel) loopt verbonden aan het "FIR" van 21 juni 2001 (stuk 6). Hij legde hiervan overigens, ter gelegenheid van zijn diverse verhoren, de vereiste bewijskrachtige bewijsstukken over. Dat de redengeving van de bestreden beslissing reeds in de eerste zin van de MOTIVERING wordt uiteengezet, als volgt : “er dient te worden opgemerkt dat cruciale elementen in uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-Generaal (CGVS) bij uw tweede asielaanvraag niet overeenstemmen met uw verklaringen afgelegd in de loop van uw eerste asielprocedure." Een en ander is nogal logisch en vrij evident: verzoeker voert immers diverse nieuwe (feitelijke) elementen, (schriftelijke) bewijzen en gedetailleerde gegevens aan. Immers heeft de Belgische wetgever terecht geoordeeld dat bij gebreke aan nieuwe gegevens een nieuw onderzoek van de erkenningsaanvraag niet meer nodig is. Het Arbitragehof heeft deze versnelde en afwijkende afhandeling van hernieuwde erkenningsaanvragen, in meerdere arresten, als niet discriminerend beschouwd: o.m. Arbitragehof, nr. 61/94, B.S., 9.08.1994, T.V.R., 1994, 179, noot M. VAN DE PUTTE. De redengeving van de bestreden beslissing gaat echter volkomen voorbij aan de feitelijke realiteit in voorliggend geval. Zo heeft de Minister of zijn gemachtigde in casu uitdrukkelijk niet besloten tot het niet in aanmerking nemen van de nieuwe aanvraag van verzoeker, maar werd bij beslissing van 6.08.2003 door de D.V.Z. een administratieve beslissing tot niet-ontvankelijkheid van de aanvraag genomen. Er dient in casu dan ook terecht te worden gesteld dat van zodra een kandidaat- vluchteling wél degelijk nieuwe gegevens aanbrengt, de D.V.Z. of het C.G.V.S. enkel nog een beslissing kan treffen in het kader van een klassiek ontvankelijkheidsonderzoek, en kan het C.G.V.S. vervolgens alleszins geenszins de reeds (voorafgaandelijk) aanvaarde nieuwe gegevens alsnog eenvoudigweg terzijde te XIV-17.841-11/14 schuiven, hetgeen er ontegensprekelijk op neerkomt dat het C.G.V.S. oordeelt om de nieuwe aanvraag van verzoekers alsnog buiten beschouwing te laten. Deze redengeving druist dan ook in tegen de wettelijke bepalingen van de Vreemdelingenwet. Dergelijke beslissing is vervolgens manifest onwettig en dient te worden vernietigd. In haar diverse arresten bevestigde de Raad van State reeds dat "nieuwe gegevens" ruim dient geïnterpreteerd te worden. In casu dient voorts terzake te worden benadrukt dat er geen enkele lacune, hetzij contradictie in de verklaringen van verzoekers kon worden weerhouden. Deze redenering houdt in dat het aanhalen van nieuwe gegevens slechts uitzonderlijk de toepassing van artikel 51/8 Vreemdelingenwet zal kunnen beletten: enkel waar het gaat om feiten die in de eerdere procedure wegens gebrek aan bewijzen door de betrokkene niet zijn aangehaald (R.v.St., nr. 97.954, 25.07.2001, J.T., 2001, 614; T.V.R., 2001, 330, noot OPSOMMER J.) of om aangehaalde feiten die door de D.V.Z. of het C.G.V.S. of de V.B.V. als niet bewezen buiten beschouwing werden gelaten, zullen nieuwe bewijzen hiervan een latere erkenningsaanvraag kunnen ondersteunen (R.v.St., nr. 57.384, 5.01.1996, Rev. dr. étr., 1996, 387, noot). De motivering van de bestreden beslissing is dan ook tegenstrijdig, zelfs bedrieglijk en getuigt van ieder gebrek aan ernstig onderzoek van de divers aangebrachte nieuwe elementen evenals van het weergegeven vluchtrelaas van verzoekers (zie sub infra blz. 6). Ook dit middel komt manifest gegrond voor.”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geweigerd hun nieuwe aangebrachte elementen grondig te onderzoeken waardoor hij hun tweede asielaanvraag buiten beschouwing heeft gelaten; 2.2.2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het hoger beroep niet heeft miskend door zich te steunen op zijn vroegere beslissingen inzake de eerste asielaanvragen van verzoekers; dat de verzoekende partijen na hun eerste asielaanvraag het grondgebied van het Rijk niet hebben verlaten; dat de beslissingen naar aanleiding van hun eerste asielaanvraag dus niet volledig kunnen worden veronachtzaamd; dat, aangezien hun eerste asielaanvraag bedrieglijk werd verklaard omwille van tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen, de in de huidige procedure aangebrachte stukken weinig overtuigend zijn; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de nieuwe elementen grondig onderzocht zijn met betrekking tot hun vluchtrelaas en met betrekking tot de algemene bekende feiten; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-17.841-12/14 2.3.
- Overwegende dat verzoekers als derde middel aanvoeren: “Derde middel afgeleid uit schending van art. 3 van het E.V.R.M.” De D.V.Z., noch het C.G.V.S. hebben in concreto nagegaan in welke toestand verzoekers zich bij hun thuiskomst zouden bevinden. Verzoekers hebben nochtans duidelijk aangegeven op systematisch wijze vervolgd (aanhouding, arrestatie, veroordeling, vrijlating onder betaling van borgtocht) te zijn door de diverse officiële autoriteiten (stuk 3-7) en hierbij met het leven bedreigd werden, evenals diverse van zijn rechtstreekse familieleden, zijnde broers en zusters (stuk 8-11). De veiligheid van verzoeker en zijn gezin kan dan ook op generlei wijze aan hen worden gewaarborgd. Zo mocht verzoeker recentelijk, tijdens zijn verblijf in België, nog van een van zijn familieleden in Duitsland vernemen dat er tegen hem een nieuw arrestatievel (bevel) (dd. 18.02.2003) loopt verbonden aan het “F.I.R.” dd. 21.06.2001 (stuk 6). Gezien deze veiligheid door verwerende partijen niet kan worden gegarandeerd, komt de eerbiediging van art. 3 E.V.R.M. in het gedrang. "Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beslist immers dat de uitzetting van een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid van de uitzettende staat kan meebrengen als er ernstige en gegronde redenen voor handen zijn om aan te nemen dat de betrokkene in zijn of haar land blootgesteld zou worden aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 E.V.R.M.” (E.V.R.M. Cruz VARAS, 20.03.1991, Publ. Hof, Serie A, Vol. 201.) “Een vervolging om één van de 5 vervolgingsgronden van het vluchtelingenverdrag die indruist tegen art. 3 E.V.R.M. zal noodzakelijkerwijze ook leiden tot de erkenning als vluchteling." (VANHEULE, D., Vluchtelingen: een overzicht na de wet van 6.05.1993, Mys en Breesch, Gent, 1993, 13). In casu zijn verzoekers afkomstig uit Pakistan; waar de vervolging van Ahmadiyya- gelovigen wettelijk geregeld is. Deze discriminatie is alomvattend en continu, sociaal, politiek, gerechtelijk, e.d.m. ... Pakistan is een oude Engelse kolonie, met een kastemaatschappij. Als men de Ahmadiyya's buiten de wet stelt dan komen die maatschappelijk onder het paria-niveau terecht. Verzoekers kunnen dan ook niet de internationale bescherming inroepen van de staat tot welke zij behoren, daar zij er geen enkele burgerrechten genieten en ze er meer specifiek buiten de wet zijn gesteld. Verzoekers vrezen dan ook terecht dat indien zij nu terug zou moeten gaan, zij onmiddellijk gearresteerd zullen worden, en langdurig zullen worden mishandeld, bedreigd, .. zelfs gedood. Ten bewijze ervan verwijst verzoeker andermaal naar het in bijlage bijgevoegde lijvige stukkenbundel.” 2.3.2.
- Overwegende dat verzoekers stellen dat zij duidelijk hebben aangetoond dat zij op systematische wijze worden vervolgd door de diverse officiële autoriteiten, dat verzoeker nog niet lang geleden heeft vernomen dat er in Pakistan een nieuw arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd, dat hun veiligheid bijgevolg niet kan worden gegarandeerd; 2.3.2.
- Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het asielrelaas van verzoekers op wettige wijze bedrieglijk werd verklaard; dat verzoekers zelfs geen begin van bewijs aanvoeren dat artikel 3 van het E.V.R.M. wordt geschonden; dat verzoekers zich beperken tot een herhaling van de feiten; dat het derde middel niet gegrond is, XIV-17.841-13/14 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.841-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div