← België

Arrest 142693 - - 29/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.693 Rolnummer: A. 150052/XIV-19133 Zaak: Arrest 142693 - - 29/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 09:44 Fiche Arrest nr 142.693 van 29 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.693 van 29 maart 2005 in de zaak A. 150.052/XIV-19.133. In zake : XXX, wonende te 8400 OOSTENDE, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 26 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen, enerzijds, van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en, anderzijds, van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 februari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-19.133-1/13 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX, van Iraanse nationaliteit, komt op 9 oktober 2000 in België binnen waar hij zich op 10 oktober 2000 vluchteling verklaart. 1.2. Op 21 maart 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.3. Op 23 februari 2004 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing: “(...) A. Vluchtrelaas U werd op 8 oktober 2003 gehoord op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Perzische taal machtig is. Volgens uw verklaringen bezit u de Iraanse nationaliteit en bent u afkomstig uit Langaroud (provincie Gilan). In 1373 (Perzische kalender; komt overeen met 1994/1995 volgens de Gregoriaanse kalender) zou u rechten gaan studeren zijn aan de universiteit van Nowshahr-Chalous. Toen u aan de universiteit begon zou u via uw vrienden in contact gekomen zijn met een groep met contra-revolutionaire ideeën. U zou ook gaan deelnemen zijn aan de activiteiten van deze groep. Deze groep zou uit een vijftiental studenten bestaan hebben. Met deze groep zou u vaak samen gekomen zijn om boeken en pamfletten te schrijven over de druk van de professoren op de studenten, over de vrijheid van mening, over het comité etc.. U zou samen met uw vrienden van die groep een kopieermachine gekocht hebben die u bij u thuis in de kelder installeerde. Daar zou u kopies gemaakt hebben die u samen met uw groep verspreidde onder de studenten. In de zevende maand van 1374 zou u een discussie met één van uw professoren hebben gehad. Het comité van de universiteit - een groep die instaat voor de controle en surveillance binnen de universiteit) zou uw spullen hebben doorzocht en in uw zak enkele boeken en publicaties gevonden hadden die tegen het regime waren. Het comité zou u aangehouden hebben en overgebracht hebben naar het Ettela'at in Nowshahr (Ministerie van Informatie), waar u gedurende één maand werd XIV-19.133-2/13 vastgehouden, ondervraagd en geslagen. Daarna zou u vrijgelaten zijn op voorwaarde dat u geen acties meer tegen het regime zou ondernemen. U zou daarvoor ook een verbintenis ondertekend hebben. U zou daarenboven ook 1 miljoen toman boete hebben moeten betalen. U zou verder nog tot de negende maand van 1374 (december 1995) aan de universiteit zijn geschorst. Na uw vrijlating zou u zich niet aan de verbintenis die u had ondertekend gehouden hebben maar u zou geen politieke problemen meer gehad hebben. Op 2/4/1377 (23 juni 1998) zou u aan uw legerdienst begonnen zijn. Na 10 maanden zou u uw legerdienst beëindigd hebben omdat u opnieuw ging studeren. In de eerste maand van 1378 (maart/april 1999) zou u aan de universiteit van Teheran criminologie en strafrecht gaan studeren zijn. U zou er hebben deelgenomen aan de studentenbeweging. U zou vooral ingestaan hebben voor de reproductie van de pamfletten. Om kopies te maken van de pamfletten zou regelmatig naar uw huis in Langaroud gegaan zijn. Op 18/4/1378 (9 juli 1999) zou u samen met een honderdtal andere studenten een kleine actie gevoerd hebben in de universiteit. U zou slogans gescandeerd hebben en geëist hebben dat de pro-studenten kranten heropend werden. U zou zich steeds in de slaapzaal van de studenten bevonden hebben. Rond negen uur 's avonds zou de Entezami binnengevallen zijn en geschoten hebben op de studenten. Er zouden doden gevallen zijn. Daarop zou buitengegaan zijn en daar de actie verder gezet hebben. Omdat u schrik kreeg voor eventuele consequenties zou u onmiddellijk met de wagen van een vriend vertrokken zijn naar het zuiden. Eén of twee maanden nadien zou u uw familie gecontacteerd hebben per telefoon. Zij zou u verteld hebben dat uw vrienden u onder marteling verraden hadden. U zou ook vernomen hebben dat uw familie onder druk werd gezet en dat de Entezami (reguliere politie) en het Ettela'at uw huis hadden doorzocht en de fotokopieermachine hadden ontdekt. Na uw vertrek uit Teheran zou u gedurende 13 maanden clandestien in verschillende dorpen en steden verbleven hebben. Uiteindelijk zou u Iran op 9/7/1379 (30 september 2000) hebben verlaten en naar België zijn uitgeweken, waar u op 9 oktober 2000 aankwam. Op 10 oktober 2000 vroeg u asiel aan. Ter staving van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw Iraanse identiteitskaart, uitgereikt te Langeroud op 1/6/1354 (13 augustus 1975); uw rijbewijs, uitgereikt te Langeroud op 10 oktober 1993 en twee attesten van uw studies in Iran. B. Motivering Er dient vastgesteld te worden dat uw opeenvolgende verklaringen ernstige tegenstrijdigheden en omissies bevatten, waardoor de geloofwaardigheid ervan volledig wordt tenietgedaan. Zo verklaarde u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in 1995 op de campus door de directie betrapt werd met een exemplaar van de studentenkrant (Woord van de student) in uw bezit (gehoor DVZ vraag 42). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat betrapt werd door het comité en dat ze pamfletten en verboden boeken in uw bezit vonden (gehoor CGVS p. 5). Verderop in uw gehoor beweerde u dan weer dat u op straat door Ettela'at werd betrapt tijdens een controle die ze deden omdat ze vermoedens hadden dat de studenten gingen revolteren (gehoor CGVS p. 8 -9). Verder beweerde u op het Commissariaat-generaal dat u nadat u betrapt werd gedurende één maand werd vastgehouden bij door de Ettela'at in Nowshahr (gehoor CGVS p. 5). U zou toen ondervraagd en geslagen zijn (gehoor CGVS p. 9). Tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u enkel geschorst te zijn en repte u met geen woord over de opsluiting, de ondervraging, de slagen en de boete (gehoor DVZ vraag 42). In uw verzoekschrift in het kader van uw dringend beroep, dd. 22 maart 2001, verklaarde u dan weer dat u werd verdreven van de universiteit en werd overgedragen aan Ettela'at. U repte echter met geen woord over het feit dat u één maand werd opgesloten noch over het feit dat u een boete gekregen heeft (vertaling verzoekschrift). Toen u tijdens het gehoor op het Commissariaat- generaal werd geconfronteerd met het feit dat uw opsluiting van één maand op de Dienst Vreemdelingenzaken niet had vermeld, antwoordde u dat ze het u niet hadden gevraagd (gehoor CGVS p. 9). U verklaarde tevens dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken enkel algemeenheden werden gevraagd en dat men u gezegd had dat u enkel ondervraagd zou worden over uw reisroute en uw identiteit (gehoor CGVS p. 4). Deze verklaring staat echter haaks op het uitgebreide en gedetailleerde verslag van uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (zie gehoor DVZ). Tenslotte beweerde u tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal dat u na uw schorsing aan de universiteit geen politieke problemen meer heeft gehad (gehoor CGVS p. 10). Op XIV-19.133-3/13 de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen verklaarde u dat u na uw schorsing verschillende malen door de geheime dienst werd opgepakt en werd ondervraagd over uw activiteiten en over het feit of u lid was van een politieke partij (gehoor DVZ vraag 42). Verder verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 9 juli 1999 deelgenomen hebt aan een studentenbetoging en dat u hierbij door de straten trok en slogans tegen het regime scandeerde (gehoor DVZ vraag 42). Op het Commissariaat- generaal echter verklaarde u dat u steeds op de universiteit bent gebleven, meer bepaald in de slaapzaal van de studenten (gehoor CGVS p. 12). In dit verband dient overigens nog opgemerkt te worden dat uw verklaringen omtrent de studentenbetoging van 9 juli 1999 niet overeenstemmen met de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie. Zo verklaarde u dat u zich de avond van 18/4/1378 (9 juli 1999) in de slaapzaal van de (

  1. de)studenten van de universiteit van Teheran bevond (gehoor CGVS p. 12 en 13). Verder verklaarde u dat u daar tot negen uur 's avonds bent gebleven en vluchtte toen de Niru-yé Entezami (reguliere politie) en een groep onbekenden de slaapzaal aanvielen en hierbij op de studenten begon te schieten (gehoor CGVS p. 12-13). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en (
  2. en)waarvan een bijlage in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat de actie van de studenten zoals die door u werd beschreven in werkelijkheid op 8 juli 1999 om halftien 's avonds begon en dat de ordetroepen op 9 juli 1999 om halfvier in de ochtend hun aanval op de studentenslaapzaal hebben ingezet. Aldus kan geen geloof worden gehecht aan uw bewering dat u daadwerkelijk een deelnemer aan de bewuste studentenactie zou zijn geweest. Gezien de ernst van bovenstaande vaststellingen kan niet het minste geloof worden gehecht aan uw beweerde vluchtmotieven. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker zowel een beroep tot nietigverklaring indient van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, als van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 februari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat artikel 63/2, § 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) luidt als volgt: “Tegen de beslissing waarbij (de Minister), of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52, de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart, kan een dringend beroep worden ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.”; dat, gelet op de devolutieve kracht van dit dringend beroep, het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering XIV-19.133-4/13 van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, onontvankelijk dient te worden verklaard; 3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “4.1. EERSTE MIDDEL: schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dd. 28.07.1951, goedgekeurd bij wet van 26.06.1953; van het artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet) Door de weigering van het statuut van vluchteling en bevel van het grondgebied te verlaten schenden verweerders het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling dd. 28.07.1951, goedgekeurd bij wet van 26.06.1953. Verzoeker heeft gegronde vrees. De hem eigen omstandigheden rechtvaardigen ook deze vrees. Zijn vrees is gegrond. Verzoeker werd aangehouden, opgesloten en zwaar geslagen om reden van zijn politieke acties in Iran. Verzoeker zette zich actief in voor de studentenbeweging in Iran en wordt daarom vervolgd door de Iranese autoriteiten. Verzoeker wordt individueel vervolgd wegens zijn politieke overtuiging. Verzoeker kan de bescherming van het land waar hij de nationaliteit van bezit niet inroepen. De autoriteiten willen op iedere manier de aanhangers van contrarevolutionaire bewegingen uitschakelen. De discriminatie is in die mate ernstig dat verzoeker een gegronde vrees heeft voor zijn leven. Het middel is ernstig.”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord hieraan toevoegt: “1. EERSTE MIDDEL Schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dd. 28.07.1951, goedgekeurd bij wet van 26.06.1953; van het artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet). Verweerder stelt in zijn memorie van antwoord: “dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de “bedrieglijkheid” (artikel 52, paragraaf 1, 2de a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst). Zo kan het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag afgeleid worden uit de tegenstrijdigheid van diverse verklaringen afgelegd door de kandidaat-vluchteling (zie arr. nr. 85.078 van 03 februari 2000) of op basis van tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verzoeker en informatie van de Commissaris-generaal." Verzoeker heeft bij de verhoren op de DVZ en het CGVS verklaard dat hij op 09.07.1999 om 9 uur 's avonds gevlucht is naar het zuiden van Iran en niet dat dit het moment was dat de Niru-yé Entezami de slaapzaal binnenvielen en begonnen op de studenten te schieten. Er is derhalve geen sprake van tegenstrijdigheid en/of bedrieglijkheid in de verklaringen van verzoeker. XIV-19.133-5/13 Het eerste middel is gegrond.”; 3.1.2.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de Conventie van Genève en van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; 3.1.2.2. Overwegende dat onder “middel” moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat verzoeker zeer vaag blijft in zijn middel; dat hij zelfs nalaat aan te geven welk artikel uit de Vluchtelingenconventie hij geschonden acht; dat verzoeker zich beperkt tot een weergave (in grote lijnen) van de feiten uit zijn asielrelaas waarna hij besluit wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging te hebben; dat verzoeker echter nalaat ook maar de minste concrete kritiek aan te voeren ten aanzien van de vaststellingen en overwegingen van de tweede bestreden beslissing; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “4.2. TWEEDE MIDDEL: schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Op basis van artikel 62 van de Vreemdelingenwet dienen administratieve beslissingen met redenen te worden omkleed. Op basis van artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 dienen bestuurshandelingen uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 voegt daaraan toe dat die motivering afdoende dient te zijn. Eerste verweerder stelt: "Tenslotte beweerde u tijdens uw gehoor op het Commissariaat- generaal dat u na uw schorsing aan de universiteit geen politieke problemen meer heeft gehad (gehoor CG VS p. 10). Op de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen verklaarde u dat u na uw schorsing verschillende malen door de geheime dienst werd opgepakt en werd ondervraagd over uw activiteiten en over het feit of u lid was van een politieke partij (gehoor DVZ vraag 42). Verder verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 9 juli 1999 deelgenomen hebt aan een studentenbetoging en dat u hierbij door de straten trok en slogans tegen het regime scandeerde (gehoor DVZ vraag 42). Op het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat u steeds op de universiteit bent gebleven, meer bepaald in de slaapzaal van de studenten (gehoor CGVS p. 12). In dit verband dient overigens nog opgemerkt te worden dat uw verklaringen omtrent de studentenbetoging van 09 juli 1999 niet overeenstemmen met de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie. Zo verklaarde u dat u zich de avond van 18.04.1378 (9 juli 1999) in de slaapzaal van de studenten bevond (gehoor CGVS p. 12 en 13). Verder verklaarde u dat u daar tot negen uur 's avonds bent gebleven en vluchtte toen de Niru-yé Entezami (reguliere politie) en een groep onbekenden de slaapzaal aanvielen en hierbij op de studenten begon te schieten (gehoor CGVS p. 12- 13). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een bijlage in het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat de actie van de studenten zoals die door u werd beschreven in werkelijkheid op 8 juli 1999 om halftien 's avonds begon en dat de ordetroepen op 9 juli 1999 om halfvier in de ochtend hun aanval op de studentenslaapzaal hebben ingezet. Aldus kan geen geloof worden gehecht aan uw bewering dat u daadwerkelijk een deelnemer aan de bewuste studentenactie zou zijn geweest." Verzoeker heeft bij de verhoren van verweerders verklaard dat hij op 09.07.1999 om 9 uur 's avonds gevlucht is naar het zuiden van Iran en niet dat dit het moment was dat XIV-19.133-6/13 de Niru-yé Entezami de slaapzaal binnenvielen en begonnen op de studenten te schieten. Verzoeker nam actief deel aan de actie van de studenten die vreedzaam begon op 08 juli 's avonds. De actie was gericht tegen het verbod van de verspreiding van een politieke krant en voor de vrijheid van meningsuiting van de auteurs van deze krant. Verschillende auteurs van artikelen in deze krant waren door de autoriteiten in Iran aangehouden en opgesloten en de studenten contesteerden hiertegen. De studenten contesteerden vooral tegen de beperking van de vrijheid van meningsuiting in Iran. Verzoeker heeft bij zijn verhoor nooit verklaard dat de Niru-yé Entezami in actie trad op 08.07.1999. De echte problemen begonnen op 09.07.1999 en verzoeker heeft dit ook verklaard bij zijn verhoren. Op 09.07.1999 groeide het studentenprotest aan, vele andere studenten en sympathisanten sloten zich bij het protest aan. De Niru-yé Entezami kwam op dat moment in actie en schoot op de actievoerders; verzoeker heeft dit ook bij zijn verhoren verklaard. Verzoeker verklaarde bij zijn verhoren duidelijk dat hij niet op de slaapzaal was toen de Niru-yé Entezami in actie trad. Verzoeker verbleef op het moment dat de Niru-yé Entezami in actie trad bij de groep studenten die zich in de tuin en op de straat voor universiteit actie voerden. Verschillende studenten en sympathisanten lagen dood op straat. Verzoeker zag dat de Niru-yé Entezami de studenten van zijn groep arresteerde. Gezien verzoeker al in het verleden voor zijn politieke acties gearresteerd werd, vreesde hij voor zijn leven en besloot hij te vluchtten. Het studentenprotest dat op 08.07.1999 een aanvang nam duurde uiteindelijk vier dagen. Het gehoorverslag van eerste verweerder werd niet aan verzoeker voorgelegd noch ondertekend en is geenszins een materiële weergave van de werkelijke verklaringen van verzoeker. De beslissing van eerste verweerder bevat aldus verschillende motieven die in feite niet juist zijn. De motivering van eerste verweerders is dan ook niet afdoende. De beslissingen van eerste verweerder is ongegrond gemotiveerd. Het middel is ernstig.”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord hieraan toevoegt: “2. TWEEDE MIDDEL Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verweerder stelt in zijn memorie van antwoord: "Verzoeker meent dat er geen sprake is van een tegenstrijdigheid tussen zijn verklaringen omtrent de incidenten op de universiteit en de informatie van de Commissaris-generaal omtrent het moment dat de Nirouyé Entezami binnenviel. .../... Vooreerst merkt verweerder op dat verzoeker geen enkel concreet element aanhaalt waar de verklaringen van verzoeker verkeerd zouden zijn weergegeven of op welke wijze dit gebeurd zou zijn." Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift ter nietigverklaring gesteld dat hij bij de verhoren op de DVZ en het CGVS heeft verklaard dat hij op 09.07.1999 om 9 uur 's avonds gevlucht is naar het zuiden van Iran en niet dat dit het moment was dat de Niru-yé Entezami de slaapzaal binnenvielen en begonnen op de studenten te schieten. Verzoeker heeft hier duidelijk en concreet het element aangehaald waar zijn verklaringen verkeerd zijn weergegeven. In de hic et nunc bestreden bevestigende beslissing van verweerder meent de CGVS dat de aanvraag van verzoeker "bedrieglijk" is, daartoe verwijzend naar "tegenstrijdigheden", die evenwel enerzijds onbenullig van aard zijn, daar zij de grond van de asielaanvraag zelf niet aantasten, en die anderzijds tot stand komen in een rapport, dat is opgesteld na een vertaling van gezegdes vanuit het Farsi en dat niet eens na de redactie ervan wordt voorgelezen en door betrokkene zelfs helemaal niet ondertekend. In de hiernavolgende onderdelen wordt verder één en ander aangeklaagd. 1. Eerste onderdeel XIV-19.133-7/13 De tolken op DVZ én op CGVS blijken helemaal geen eed te hebben afgelegd, zelfs hun identiteit blijft onbekend: De CGVS-tolk tekent zelfs niet en zijn identiteit is onbekend en verscholen achter het nummer "303". Dit laat de mogelijkheid open, dat de beroepsernst en de verantwoordelijkheidszin van de tolken in kwestie niet optimaal is, gezien iedere controle achteraf onmogelijk is. Daarbij is op het DVZ-verhoor een raadsman niet toegelaten. Overigens hebben de tolken Farsi zich juist geen onbesproken reputatie weten te verwerven, dit door slechte vertalingen. 2. Tweede onderdeel Tenslotte mag men niet uit het oog verliezen dat de ondervraging op het CGVS gehouden wordt op 08.10.2003, terwijl de feiten ver teruggaan in de tijd

(1999). Zich na dergelijke tijdspanne alles tot in de kleinste details herinneren is niet mogelijk.
  1. Derde onderdeel Naar geijkte gewoonte werd het verhoorrapport van de CGVS aan verzoeker niet voorgelezen. Ook werd het hem niet eens voorgelegd ter ondertekening. De enkelvoudige ondertekening door de "ondervrager" (blijkbaar spreekt zelfs het CGVS niet meer over de “Jurist(e)”) verleent het document geen de minste authenticiteit. Dit gebrek aan verantwoordelijkheidszin, namelijk een document gebruiken dat als basis moet dienen voor een beslissing maar DAT NIET AUTHENTIEK is, houdt juridisch in dat de genomen beslissing betwistbaar is. Het rapport is immers aan niemand tegenstelbaar, zeker niet tegenstelbaar aan betrokkene. Door zich te baseren op dergelijk niet-tegenstelbaar rapport treft de CGVS een beslissing die zwaar is aangetast qua motiveringsplicht. De beslissing kwam derhalve niet tot stand conform de wet. Een juridische motivering i.v.m. de werkelijke weigeringsgronden ontbreekt volkomen. De motivering van de CGVS is derhalve niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Alleszins zijn met de hic et nunc bestreden beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden. De zogeheten tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden, die de CGVS meende te moeten constateren, zijn niet evident genoeg, het gaat uiteindelijk om details die de kern van het verhaal en dus de aanvraag niet aantasten. Het tweede middel is gegrond.”; 3.2.2.
  2. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker zich beperkt tot een kritiek op de laatste alinea van de motivering van de tweede bestreden beslissing, waarin de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat verzoekers “verklaringen omtrent de studentenbetoging van 9 juli 1999 niet overeenstemmen met de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie”; dat verzoeker ontkent te hebben verklaard dat hij zich op het ogenblik dat de “Niru-yé Entezami” binnenviel, in de slaapzaal bevond; dat verzoeker stelt dat hij zich op dat moment in de tuin en op de straat voor de universiteit bevond, samen met de andere studenten die actie voerden; 3.2.2.
  3. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitdrukkelijk heeft verklaard dat de studentenactie plaatsvond op 9 juli 1999, dat hij die dag tot 9 uur ‘s avonds in de slaapzaal is gebleven en dat hij zich daar nog steeds bevond toen de Niru-yé Entezami binnenviel; dat zulks echter niet strookt met de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt en waaruit blijkt dat de studentenactie begon op 8 juli 1999 om halftien ‘s avonds en dat de ordetroepen op 9 juli 1999 om halfvier in de ochtend XIV-19.133-8/13 hun aanval op de studentenslaapzaal hebben ingezet; dat verzoeker niet aantoont dat deze informatie onjuist is en er bijgevolg niet in slaagt de hierboven weergegeven incoherentie te weerleggen; dat, waar verzoeker stelt dat het verhoorverslag van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet aan hem werd voorgelegd en dat hij dit evenmin heeft ondertekend, waarbij hij de geloofwaardigheid en de bewijskracht van dit verhoorverslag in twijfel tracht te trekken, er dient op te worden gewezen dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratief beroep is, geen jurisdictioneel; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van geen enkele wettekst noch van enig rechtsbeginsel verplicht is de asielzoeker attent te maken of te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier en het verhoor; dat wel vereist is dat verzoeker nuttig voor zijn belangen kan opkomen; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn relaas heeft kunnen doen; dat uit diezelfde stukken niet kan afgeleid worden dat er zich onregelmatigheden zouden hebben afgespeeld; dat uiteraard verzoeker steeds vrijstaat een bepaald stuk officieel van valsheid te betichten; dat er dient opgemerkt dat de Vreemdelingenwet nergens verbiedt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij de beoordeling van de zaak rekening houdt met alle feitelijke elementen, ook met die welke resulteren uit de verklaringen die de asielzoeker heeft afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, die verklaringen vergelijkt met die welke op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden afgelegd alsmede met de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, eventuele tegenstrijdigheden en incoherenties vaststelt, en daaruit de nodige gevolgtrekkingen afleidt; dat er dan ook geen reden voorhanden is om te besluiten dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen buiten elke redelijkheid tot de uitgebreide motivering van de tweede bestreden beslissing is gekomen; dat verzoeker geenszins het tegendeel aantoont; dat zijn kritiek in zijn memorie van wederantwoord waarbij hij stelt dat hij zich na vier jaar niet alles “tot in de kleinste details” meer kan herinneren, evenmin kan worden aangenomen, nu uit de tweede bestreden beslissing blijkt dat de tegenstrijdigheden en incoherenties niet slaan op bijkomstigheden maar wel op de kern van zijn asielrelaas; dat in zijn memorie van wederantwoord verzoeker ook nog kritiek aanvoert op de tolk; dat, hoewel verzoeker deze overwegingen lijkt te beschouwen als een verdere uitleg bij de door hem in zijn verzoekschrift aangevoerde schending van de motiveringsplicht, dient opgemerkt dat verzoeker aldus een nieuw middel aanvoert dat derhalve niet ontvankelijk is; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.3.
  4. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “4.
  5. DERDE MIDDEL: schending van de formele zorgvuldigheidsnorm XIV-19.133-9/13 "Bij de behandeling van de motiveringsplicht stelden wij reeds dat de Raad van State enorm belang hecht aan een zorgvuldige vaststelling van de feiten die als grondslag voor een besluit dienen. Het bestuur dient om tot een rechtmatig besluit te komen derhalve volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de voorgenomen beslissing kunnen beïnvloeden. Tevens dienen de feiten zorgvuldig te worden gewaardeerd." "Door er zich niet van te vergewissen dat hij over alle elementen beschikte die nodig waren om een beslissing te nemen met kennis van zaken, heeft de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar de omstandigheden van de zaak." Verweerders hebben zich niet vergewist van alle elementen met betrekking tot de politieke overtuiging en activiteiten van verzoeker. Dit is onzorgvuldig. Verweerders hebben manifest de formele zorgvuldigheidsnorm geschonden. Het middel is ernstig.”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord hieraan toevoegt: “
  6. DERDE MIDDEL Schending van de formele zorgvuldigheidsnorm. Verweerder heeft tijdens het gehoor van verzoeker veelvuldig vragen gesteld betreffende de activiteiten van verzoeker en de gebeurtenissen die hem troffen. Verzoeker is door verweerder niet uitgebreid gehoord aangaande zijn politieke overtuiging. Dit is onzorgvuldig. Verweerder heeft manifest de formele zorgvuldigheidsnorm geschonden. Het derde middel is gegrond.”; 3.3.2.
  7. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de “formele zorgvuldigheidsnorm”; dat, meer bepaald, verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt niet alle elementen van zijn dossier zorgvuldig te hebben onderzocht; 3.3.2.
  8. Overwegende dat in het eerste deel van de tweede bestreden beslissing op uitgebreide wijze de feiten van verzoekers asielrelaas worden weergegeven; dat in het tweede deel van de tweede bestreden beslissing de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vervolgens in alle redelijkheid besluit, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag, en dit op basis van het feit dat verzoekers opeenvolgende verklaringen zijn aangetast door “ernstige tegenstrijdigheden en omissies” én op basis van het feit dat verzoekers “verklaringen omtrent de studentenbetoging van 9 juli 1999 niet overeenstemmen met de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie”; dat nergens uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet alle elementen van verzoekers asielrelaas zou hebben onderzocht, noch enig ander onzorgvuldig handelen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt; dat het derde middel niet gegrond is; 3.4.
  9. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “4.4 VIERDE MIDDEL : schending van de redelijke termijn-eis, schending van het redelijkheidsbeginsel XIV-19.133-10/13 Op 10.10.2000 vroeg verzoeker asiel aan in België. Op 21.03.2001 werd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing genomen tot weigering van verblijf eerste verzoeker, met bevel het grondgebied te verlaten, waar verzoeker een dringend beroep tegen instelde. Op 25.02.2004 werd het dringend beroep van verzoeker bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verworpen. Verzoeker moet(en) vaststellen dat tussen het instellen van het dringend beroep en de behandeling door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijna drie jaar is verlopen. Administratieve beslissingen moeten binnen een redelijke termijn worden genomen. Of de redelijke termijn werd overschreden moet in concreto, dit wil zeggen rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak, worden beoordeeld; De asielprocedure heeft voor verzoeker meer dan veertig maanden in beslag genomen; Deze termijn is onredelijk en schendt de redelijke termijn-eis; Er is geen enkele reden om verzoeker bijna drie jaar na het indienen van het dringend beroep uit te nodigen voor een tweede interview op het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Verzoeker heeft intussen kosten noch moeite gespaard om zich in onze samenleving te integreren. Verzoeker heeft de Nederlandse taal geleerd en huurt een eigen appartement en heeft daar ook de nodige bezittingen. Verzoeker heeft dit alles gedaan om gedurende de procedure een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Verzoeker zal dit alles verliezen. Ware de procedure korter zou verzoeker zijn leefomgeving niet zodanig dienen in te richten om een menswaardig bestaan te leiden. Tussen de lange duur van de procedure en de kosten gedaan om hier menswaardig te kunnen leven bestaat er een rechtstreeks oorzakelijk verband. De voormelde kosten hadden kunnen vermeden worden mits de procedure in een redelijke tijdspanne was verlopen. Door de lange duur van de procedure is verzoeker in zijn belangen geraakt. Voor de lange duur van de procedure is er geen objectieve en redelijke verantwoording voorhanden. De bestreden beslissingen zijn aldus onwettig. Het middel is ernstig.”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord hieraan toevoegt: “
  10. VIERDE MIDDEL Schending van de redelijke termijn-eis, schending van het redelijkheidsbeginsel. Verweerder stelt in zijn memorie van antwoord: “Verzoeker kan alvast niet beweren benadeeld te zijn door de lange duur van de asielprocedure daar hij gelet op het bepaalde in artikel 63/5 van de Vreemdelingenwet door dit feit geruime tijd langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging en, in afwachting van de behandeling van het dringend beroep, in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van zijn asielaanvraag te verzamelen.” Op 19.03.2001 werd verzoeker geïnterviewd op de DVZ. Op 08.10.2003 werd verzoeker geïnterviewd op het CGVS. Door verweerder wordt, steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet, besloten tot bedrieglijkheid van de asielaanvraag wegens vermeende tegenstrijdigheden en omissies. Tijdens de interviews op de DVZ en het CGVS was het voor verzoeker onmogelijk om zich tot in de kleinste details de feiten te herinneren die zich voor deden jaren geleden
(1999). Verzoeker is aldus hierdoor geraakt in de verdediging van zijn rechten. Daarenboven heeft verzoeker intussen kosten noch moeite gespaard om zich in onze samenleving te integreren. Verzoeker heeft de Nederlandse taal geleerd en huurt een eigen appartement en heeft daar ook de nodige bezittingen. Verzoeker heeft dit alles gedaan om gedurende de procedure een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Verzoeker zal dit alles verliezen. Ware de procedure korter zou verzoeker zijn leefomgeving niet zodanig dienen in te XIV-19.133-11/13 richten om een menswaardig bestaan te leiden. Tussen de lange duur van de procedure en de kosten gedaan om hier menswaardig te kunnen leven bestaat er een rechtstreeks oorzakelijk verband. De voormelde kosten hadden kunnen vermeden worden mits de procedure in een redelijke tijdspanne was verlopen. Voor de lange duur van de procedure is er geen objectieve en redelijke verantwoording voorhanden. Het vierde middel is gegrond.”; 3.4.2.
  1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de redelijke termijn en van het redelijkheidsbeginsel; 3.4.2.
  2. Overwegende dat verzoeker zijn asielaanvraag indiende op 10 oktober 2000 terwijl de tweede bestreden beslissing dateert van 23 februari 2004; dat verzoeker niet kan beweren benadeeld te zijn door de lange duur van de asielprocedure, aangezien hij hierdoor langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging; dat, waar verzoeker benadrukt dat er meer dan tweeënhalf jaar is verlopen tussen het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarbij hij stelt dat hij zich in 2003 onmogelijk nog de feiten van 1999 tot in de kleinste details kon herinneren, dient te worden benadrukt dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden en incoherenties geen betrekking hebben op details, doch wel op de kern van verzoekers asielrelaas; dat, waar verzoeker ten slotte verwijst naar de vele uitgaven die hij intussen heeft gedaan om zich in de Belgische samenleving te integreren, kan volstaan worden met de opmerking dat aan verzoeker nooit garanties werden verleend, noch beloftes werden gedaan betreffende het bekomen van een permanente verblijfstoelating; dat het verblijf in het kader van het indienen van een asielaanvraag per definitie een precair karakter heeft; dat het vierde middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. XIV-19.133-12/13 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.133-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.693 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.