id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.709 Rolnummer: A. 155806/X-12060 Zaak: Arrest 142709 - - 29/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 09:44 Fiche Arrest nr 142.709 van 29 maart 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.709 van 29 maart 2005 in de zaak A. 155.806/X-12.060. In zake : Hervé PEETERS, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIEUSAERT, kantoor houdende te 9000 GENT, Prinsenhof 16 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hervé PEETERS op 20 september 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 14 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent tegen het besluit van 19 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende afgifte aan de n.v. SECA van de stedenbouwkundige vergunning voor "het oprichten van een tankstation met shop, luifel, bijbehorende reservoirs, pompeilanden, KWS-afscheider, diverse verhardingen en een publici- teitspaneel" aan de Deinsesteenweg/hoek Raapstraat te Gent, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 586 G (deel), onder de erin gestelde voorwaarden, wordt ingewilligd, en tevens de gevraagde stedenbouwkundige vergunning opnieuw wordt verleend aan de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM (voorheen n.v. SECA) onder de in dit besluit vermelde voorwaarden; X-12.060-1/9 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DIEUSAERT, die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat O. ONGHENA die, loco Advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM met een verzoekschrift van 11 oktober 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de n.v. SECA op 4 november 2002 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor "het oprichten van een tankstation met shop, luifel, bijbehorende reservoirs, pompeilan- den, KWS-afscheider, diverse verhardingen en een publiciteitspaneel" aan de Deinsesteenweg/hoek Raapstraat te Gent, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 586 G (deel); dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschrif- ten van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in woongebied met landelijk karakter; dat het niet is gelegen binnen het beheersingsgebied van een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat tijdens het openbaar X-12.060-2/9 onderzoek dat over de aanvraag wordt gehouden één bezwaarschrift wordt ingediend door verzoeker; dat bij gebreke aan beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de aanvraagster op 2 april 2003 beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen; dat de bestendige deputatie bij besluit van 19 juni 2003 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend onder de erin gestelde voorwaarden; dat het college van burgemeester en schepenen op 28 juli 2003 beroep heeft ingesteld tegen voormeld besluit van de bestendige deputatie bij de bevoegde Vlaamse minister; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij het bestreden besluit van 14 april 2004 het beroep van het college van burgemeester en schepenen heeft ingewilligd, het besluit van de bestendige deputatie van 19 juni 2003 heeft vernietigd en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning opnieuw heeft verleend onder de in dit besluit opgelegde voorwaarden; Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat de vordering laattijdig is ingesteld; dat zij aanvoert dat haar raadsman de toenmalige raadsman van verzoeker ten tijde van de behandeling van de aanvraag voor de verschillende instanties "te pas en te onpas" tegenkwam, dat deze laatste sneller op de hoogte was van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen om beroep in te stellen bij de bevoegde minister dan de raadsman van de stad Gent zelf, en het derhalve "buiten kijf" staat dat verzoeker sneller dan zijzelf op de hoogte werd gesteld van het bestreden besluit, dat zij "voor alle zekerheid" in een "officieel" schrijven gedagtekend 20 juli 2004 aan verzoekers huidige raadsman melding heeft gemaakt van het bestreden besluit; dat in het verzoekschrift tot schorsing wordt vermeld : "tussen huidig raadsman van verzoeker en de raadsman van de aanvrager (is overeengekomen) dat 20 juli 2004 als datum van kennisname van de inhoud van vermeld MB kan worden beschouwd"; dat alsdan de termijn voor het instellen van de vordering is verstreken op 20 september 2004, en dat zij "vermoedt" dat de vordering slechts op 21 september 2004 werd verzonden; Overwegende dat aangezien stedenbouwkundige vergunningen niet bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring -en derhalve ook van een vordering tot schorsing- ingaat met de dag waarop de verzoeker kennis heeft van de bestreden vergunning; dat het zaak is van de partij die beweert dat een verzoeker meer dan X-12.060-3/9 60 dagen vóór het instellen van de vordering kennis had van de bestreden beslissing, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat uit de stukken blijkt dat de vordering tot schorsing met een op 20 september 2004 ter post aangetekende brief aan de Raad van State werd verzonden, d.i. binnen de termijn van 60 dagen te rekenen vanaf 20 juli 2004, zijnde de datum van het schrijven van de raadsman van de tussenkomende partij aan de raadsman van verzoeker waarin melding wordt gemaakt van het bestreden besluit; dat de tussenkomende partij geen concrete en precieze gegevens bijbrengt die er naar recht en redelijkheid geen twijfel over laten bestaan dat verzoeker meer dan 60 dagen vóór het instellen van de vordering kennis had of kon hebben van het bestreden besluit; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens opwerpt dat verzoeker niet doet blijken van het vereiste actueel belang, aangezien hij het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 19 juni 2003 niet heeft aangevochten, terwijl dit besluit "hoe dan ook zou gaan herleven indien het besluit van de bevoegde Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening van 14 april 2004 zou worden nietig verklaard", en dat "de kans (...) ook bijzonder reëel (
- is)dat de stad Gent niet meer aandringt op haar hoger beroep daar zij tevreden is met de bijkomstige voorwaarden, opgelegd door de bevoegde Vlaamse minister"; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij stelt, na een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit, het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost -Vlaanderen niet "herleeft", maar dat de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening zich opnieuw zal dienen uit te spreken over het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent, waarvan niet wordt betwist dat het rechtsgeldig werd ingesteld; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.060-4/9 Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van onder meer artikel 6,1.2.2., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij in een tweede onderdeel van dit middel uiteenzet wat volgt : "Voortbouwend op wat in het eerste onderdeel werd uiteengezet, in het bijzonder het gegeven dat wonen en landbouw evenwaardige bestemmingen zijn in een woongebied met landelijk karakter, moet vastgesteld worden dat in de bestreden (beslissing) kennelijk zonder meer wordt uitgegaan van de primauteit van de bestemming wonen en de ermee verbonden functies. Hoewel - nog volgens de reeds aangehaalde omzendbrief d.d. 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen - voorzieningen, activiteiten en inrichtingen zoals bedoeld worden in art. 5.0.1 kunnen toegelaten worden, zal zulks slechts mogelijk zijn op voorwaarde dat inrichtingen bestemd voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf - met inbegrip van de para-agrarische bedrijven - niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren moeten worden afgezonderd in een daartoe aangewezen gebied. Er dient dan ook steeds te worden onderzocht of zij bestaanbaar zijn met de bestemming van woongebied met landelijk karakter. Concreet betekent dit dat zij niet van aard mogen zijn de woon- of landbouwfunctie van het gebied te verstoren. Bovendien geldt voor elk van de niet-residentiële inrichtingen, activiteiten en voorzieningen, bedoeld in artikel 5.1.0. dat zij slechts toelaatbaar zijn voorzover zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Vastgesteld moet worden dat in de bestreden beslissing geen enkele afdoende afweging wordt gemaakt betreffende de bestaanbaarheid van het beoogde project met de landbouwfunctie van het gebied. In de bestreden beslissing wordt het beoogde project enkel afgewogen ten aanzien van de bestemming wonen. Het spreekt voor zich dat de bestreden beslissing aldus art. 6.1.2.2. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 schendt, evenals art. 19, 3de lid van vermeld Koninklijk Besluit."; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat de overwegingen van het bestreden besluit aantonen dat er een concrete toetsing is gebeurd aan de onmiddellijke omgeving en geenszins een theoretisch onderzoek naar de landbouwfunctie van het gebied; dat de bevoegde Vlaamse minister heeft vastgesteld dat er zich toch nog enkele kleinschalige boerderijen situeren, waarvan de typologie niet mag worden geschaad, ondanks de heterogene context, en dat juist daarom het beroep van de stad Gent werd ingewilligd; dat verzoeker niet aantoont dat voormelde motivering niet volstaat, en dat het louter poneren van een middel, zonder het verder uit te werken, niet tot een ernstig middel kan leiden; X-12.060-5/9 Overwegende dat artikel 5, 1.0., eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt : "1.0. De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving"; dat artikel 6, 1.2.2., van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt : "1.2. Aangaande de woongebieden kunnen de volgende nadere aanwijzingen worden gegeven: (...) 1.2.2. de woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven."; Overwegende dat het bij voormeld artikel 6, 1.2.2., bedoelde woongebied met landelijk karakter een nadere aanwijzing betreft van het "woongebied"; dat dit artikel geen bepaling bevat die afwijkt van artikel 5, 1.0.; dat eerstgenoemd artikel het woongebied met landelijk karakter bestemt voor wonen in de zin van laatstgenoemde bepaling, enerzijds, en voor landbouw anderzijds; dat in bedoeld gebied wonen in het algemeen en landbouw op gelijke voet zijn gesteld, zodanig dat zij beiden hoofdbestemmingen zijn; Overwegende dat uit de samenlezing van de artikelen 5, 1.0., en 6, 1.2.2., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, volgt dat inrichtingen voor ambacht of kleinbedrijf in een woongebied met landelijk karakter slechts mogen worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de "taken" van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied met landelijk karakter, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied met landelijk karakter, rekening gehouden dient te worden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied met landelijk karakter kan worden ingeplant, ofwel wegens het X-12.060-6/9 intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied met landelijk karakter (bv. louter residentiële villawijk, of het landbouwkarakter van het gebied); dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, uitgegaan dient te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die in voorkomend geval het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven; Overwegende dat, wat het "compatibel zijn van het geviseerde tankstation met de vigerende gewestplanbestemming 'woongebied met landelijk karakter' en omgeving" betreft, het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt : "Overwegende dat een eerste bezwaarelement vervat in voormeld bezwaarschrift betrekking heeft op het niet compatibel zijn van het geviseerde tankstation met de vigerende gewestplanbestemming 'woongebied met landelijk karakter' en omgeving; dat overeenkomstig art. 6.1.2.2. van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen vooreerst woongebieden met landelijk karakter dienen worden aanzien overeenkomstig art. 5.1.0. van het voormeld KB; dat krachtens art. 6.1.2.2. van voormeld KB de woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven; dat het begrip 'wonen' in betreffende context ruim dient te worden geïnterpreteerd en dat een woongebied in feite als een gemengd gebied dient te worden beschouwd (R. VEKEMAN, deel II, De plannen van aanleg - materiële regeling, TROS, 97/5, blz. 33, nr. 6 en I. LEENDERS, Zakboekje Ruimtelijke Ordening, Diegem, Kluwer, Overheid, 2002, p. 115); dat een tankstation in principe niet strijdig is met de vigerende gewestplanbestemming; dat terzake in bijkomende orde dient te worden opgemerkt dat het overwegend deel van het besluit van de Bestendige Deputatie bij de Provincieraad te Oost-Vlaanderen van 13 juli 2000, ref. 44021/1126/1/A/2/PW/CH/KD, met betrekking tot de milieuvergunning, het gunstig advies vermeldt van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 6 april 2000."; Overwegende dat voormelde overwegingen op het eerste gezicht enkel betrekking hebben op de bestaanbaarheid met de woonfunctie; dat zij geen enkel element bevatten wat betreft de bestaanbaarheid met de landbouwfunctie van het betrokken gebied; dat de door de verwerende en de tussenkomende partij geciteerde overwegingen van het bestreden besluit -die enkel betrekking blijken te hebben op de verenigbaarheid van het ontworpen tankstation met de onmiddellijke omgeving- aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat het middel ernstig is; X-12.060-7/9 Overwegende dat, wat de tweede door artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker aanvoert dat een project met de omvang en de bestemming zoals het vergunde een nadelige en niet te herstellen impact heeft op het thans nog open uitzicht, en leidt tot een ernstige aantasting van het rustig woongenot, dat de realisatie en uitbating van de beoogde handelszaak, waarbij kennelijk een 7 dagen op 7 uitbating wordt beoogd, inclusief de bijkomende verkeersdrukte, het hem onmogelijk zullen maken om op een rustige wijze te genieten van zijn eigendom, en dat enkel een annulatieberoep in deze ontoereikend zou zijn; Overwegende dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor de het oprichten van een tankstation met shop, luifel, bijbehorende reservoirs, pompeilanden, KWS-afscheider, diverse verhardingen en een publiciteitspaneel op een perceel dat is gelegen tegenover verzoekers eigendom; dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat dit perceel thans nog onbebouwd is, en dat het vrij uitzicht dat verzoeker thans geniet, zal worden vervangen door het uitzicht op een tankstation; dat gelet op de aard, de omvang en de bestemming van het vergunde tankstation, het aannemelijk is dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een ernstige aantasting van verzoekers leefklimaat en woonomgeving tot gevolg kan hebben zoals door hem uiteengezet; dat verzoeker in de gegeven omstandigheden voldoende concrete en precieze gegevens bijbrengt waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat het feit dat voordien aan dezelfde zijde van de Deinsesteenweg, maar dan wel "enkele percelen verder" een benzinestation werd uitgebaat samen met een autoherstelwerkplaats zoals door de verwerende partij aangevoerd, aan voormelde vaststelling geen afbreuk doet; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen, BESLUIT: Artikel 1. X-12.060-8/9 Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 14 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent tegen het besluit van 19 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de afgifte aan de n.v. SECA van de stedenbouwkundige vergunning voor "het oprichten van een tankstation met shop, luifel, bijbehorende reservoirs, pompeilanden, KWS-afscheider, diverse verhardingen en een publiciteitspaneel" aan de Deinsesteenweg/hoek Raapstraat te Gent, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 586 G (deel), onder de erin gestelde voorwaarden, wordt ingewilligd, en tevens de gevraagde stedenbouwkundige vergunning opnieuw wordt verleend aan de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM (voorheen n.v. SECA) onder de in dit besluit vermelde voorwaarden. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-12.060-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.709 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div