id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:
§ 1
, 3/ en § 2, eerste lid , van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, indien een vraag ten aanzien van een schending door een wet van de artikelen 6, 6 bis ( lees 10, 11) en 17 van de Grondwet voor een rechtscollege opgeworpen, dit college in de regel het Arbitragehof moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen’ (Cass, 22 juni 1992, R.W., 1992-93, 471; cfr. ook BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1267, nr. 1 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State in het Arrest WEYTS/ STAAT, nr. 74.160 ( 61.070 - IX-696 van 8 juni 1998 het principe poneert wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof : ‘2.4.
- Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe alleen niet is gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat deze uitzondering te dezen niet van toepassing is; 2.4.
- Overwegende dat aan het Arbitragehof dan ook de in het dispositie van dit arrest opgenomen prejudiciële vraag moet worden gesteld’. Dat het evident is dat ook vreemdelingen zich kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof, 5 juli 1990, B.S., 6 oktober 1990 en Arbitragehof, nr. 36/90, van 22 november 1990, B.S., 28 december 1990., over een aantal beroepen tot vernietiging van de wet van 30 augustus 1989 houdende wijziging van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen). Dat er terzake bovendien een discriminatie aangevoerd wordt tussen asielzoekers, die per definitie allen van een vreemde nationaliteit zijn, zodat art. 191 van de Belgische Grondwet niet kan ingeroepen worden (Cfr. Arbitragehof , 14 juli 1995, J.L.M.B., 1995, 1396 ev.; VANDE LANOTTE, J. , Overzicht van publiekrecht, deel II, Brugge, Die Keure 1994, p. 159; RENDERS D., 'La Cour d'Arbitrage et l'article 191 de la Constitution’, noot onder Arbitraghof, 14 juli 1994 , J.L.M.B., 1995, 1413). Dat de tegenstrijdigheden die voorgehouden worden als oorzaak de vertaalproblematiek hebben; subsidiair minstens als medeoorzaak de vertaalproblematiek hebben zoals hierboven geschetst. Dat dit maar pas is gebleken bij de bestreden beslissing nu er geen voorlezing is gebeurd van de opgenomen verklaringen ter controle van de juistheid van hetgeen als verhoor is opgenomen”; XIV-7541-5/18 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.1.
- Overwegende dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt : “Art. 51/
- § 1 Het onderzoek van de in de artikelen 50 en 51 bedoelde verklaring of aanvraag geschiedt in het Nederlands of in het Frans. De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied. § 2 De vreemdeling, bedoeld in de artikelen 50 of 51, dient onherroepelijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van de in de vorige paragraaf bedoelde aanvraag de hulp van een tolk nodig heeft. Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek. Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. § 3 In de eventuele daaropvolgende procedures voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en voor de Raad van State wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald. Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing.”; Overwegende dat de verzoekende partij bij haar asielverklaring om een tolk heeft verzocht; dat zij door de administratie op de Nederlandse taalrol werd ingeschreven en erover werd geïnformeerd dat de gehele procedure in het Nederlands zou verlopen; dat in het geciteerde artikel niet expliciet wordt opgelegd dat de tolk die wordt gebruikt om de verklaringen van een kandidaat-vluchteling te vertalen, dit rechtstreeks dient te doen naar de proceduretaal; dat uit het administratief dossier blijkt dat tijdens de gehele procedure het Nederlands de proceduretaal was; dat de verzoekende partij bovendien nergens hard maakt dat de tolk tijdens de verhoren effectief van het Russisch naar het Frans heeft vertaald; dat de verhoorverslagen volledig in het Nederlands zijn opgesteld en nergens ook maar enige melding wordt gemaakt van een Franstalige tolk; dat de verzoekende partij zich beperkt tot de stelling dat de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen tegenstrijdigheden te wijten zijn aan “de vertaalproblematiek”, doch niet eens aangeeft op welke concrete punten er dan wel vertaalfouten zouden zijn gemaakt; dat er derhalve van een schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet geen sprake is; dat aangaande de prejudiciële vraag kan gewezen worden op arrest nr. 77/97 van het Arbitragehof van 17 december 1997 waarin het Hof het volgende stelt: “dat de betwiste bepalingen niet het recht, voor de asielzoekers, raken om uitdrukkelijk het Frans of het Nederlands als proceduretaal te kiezen. In zoverre de asielzoekers aldus de taal kunnen bepalen waarin hun aanvraag zal worden onderzocht, worden zij niet anders behandeld dan de gebruikers van de centrale diensten bedoeld in de artikelen 41 en 42 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Het is slechts wanneer zij de bijstand van een tolk vragen dat de asielzoekers, in tegenstelling tot de gebruikers van de centrale diensten, die mogelijkheid om zelf de proceduretaal te kiezen, verliezen. (...) Die maatregel blijkt redelijkerwijze verantwoord te zijn ten aanzien van de door de XIV-7541-6/18 wetgever nagestreefde doelstellingen. Op grond van het feit dat een asielzoeker om de bijstand van een tolk verzoekt, kan immers worden vermoed dat hij van het Nederlands net zoals van het Frans geen of slechts een onvolmaakte en in ieder geval onvoldoende kennis heeft om, zelfstandig, in een van die beide talen zijn aanvraag te volgen en ze te verdedigen. Aangezien de vrije keuze van de proceduretaal niet ertoe leidt dat de asielzoeker, daadwerkelijk en zelfstandig, de aldus gekozen taal gebruikt, heeft de wetgever kunnen oordelen dat het in dat geval gepast was aan de overheden de zorg over te laten zelf de taal voor de behandeling van de asielaanvraag vast te stellen: die maatregel blijkt relevant te zijn, zowel ten aanzien van de zorg om te vermijden dat een proceduretaal eventueel wordt bevoordeeld wegens andere motieven dan de kennis van de genoemde taal als ten aanzien van de zorg een zekere soepelheid te garanderen bij de verdeling van de aanvragen onder de diensten; hij blijkt bovendien niet onevenredig te zijn, vermits het optreden van een tolk het de asielzoeker in ieder geval mogelijk maakt, onafhankelijk van de in aanmerking genomen proceduretaal, gebruik te maken van de door hem gekozen taal"; dat het Arbitragehof in zijn arresten nr. 96/98 van 24 september 1998, nr. 39/99 van 30 maart 1999 en nr. 88/99 van 15 juli 1999 die rechtspraak heeft bevestigd; dat de Raad van State niet gehouden is een prejudiciële vraag te stellen wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag met een identiek onderwerp; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “2/ SCHENDING ART. 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 VAN DE TAALWET Dat er een volledig Nederlandse procedure diende gevoerd te worden hetgeen evenwel niet gebeurd is. Dat een tolk Russisch-Frans aangewend werd bij het verhoor voor het Commissariaat-Generaal der Vluchtelingen daar waar het behoorde een tolk Russisch-Nederlands aan te wenden, nu het een Nederlandstalige procedure betreft. Dat verzoekende partij hierdoor benadeeld is, nu er hierdoor zogenaamde tegenstrijdigheden gereleveerd werden nopens hetgeen hij gesteld heeft betreffende de aanleiding tot en het gaan naar het ziekenhuis. Verzoekende partij verwijst hierbij uitdrukkelijk naar het middel in zake de motivering. Dat artikelen 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 van de taalwet in bestuurszaken aldus geschonden is, doordat men een tolk Russisch-Frans aangewend heeft, daar waar de verzoekende partij in Vlaanderen woont, de procedure en beslissing voorts in het Nederlands zijn genomen. Dat de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen wel degelijk onder de toepassing van de taalwet valt (Advies Vaste Commissie voor Taaltoezicht, dd. 12 augustus 1994). Dat naast artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet de taalwetgeving van toepassing blijft, zeker zo de Raad van State, per impossibele quod non zou beslissen dat het verhoor en meerbepaald de vertaling van het verhoor niet zou vallen onder artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet. Dat de zaak duidelijk localiseerbaar is in het Nederlandse taalgebied, hetgeen inhoudt dat de werking van het Commissariaat-Generaal onderworpen blijft aan de taalwet, voorzover een specifiekere wetgeving per impossibele quod non niet zou van toepassing zijn. Dat benadrukt wordt dat de taalwet de nietigheid oplegt voor alle gevallen waarin de taalwet geschonden is. Dat voor het overige nog verwezen wordt naar hetgeen reeds naar aanleiding van het eerste middel opgeworpen is. Dat de tegenstrijdigheden die voorgehouden worden als oorzaak de vertaalproblematiek hebben; subsidiair minstens als medeoorzaak de vertaalproblematiek hebben zoals hierboven geschetst. Dat dit maar pas is gebleken bij de bestreden beslissing nu er geen voorlezing is gebeurd van de opgenomen verklaringen ter controle van de juistheid van hetgeen als verhoor is opgenomen”; XIV-7541-7/18 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.2.
- Overwegende dat de door de verzoekende partij ingeroepen wettelijke bepalingen luiden als volgt : “Afdeling 3: Brussel-Hoofdstad Art.
- § 1 In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel-Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid: A. Indien de zaak gelocaliseerd of localiseerbaar is: 1/ uitsluitend in het Nederlandse of in het Franse taalgebied: de taal van dat gebied; 2/ tegelijk in Brussel-Hoofdstad en in het Nederlandse of het Franse taalgebied: de taal van dat gebied; 3/ tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied: de taal van het gebied waar de zaak haar oorsprong vindt; 4/ tegelijk in het Nederlandse en het Franse taalgebied en in Brussel-Hoofdstad, wanneer zij haar oorsprong vindt in een van de eerste twee gebieden: de taal van dat gebied; 5/ tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied en in Brussel-Hoofdstad, wanneer zij haar oorsprong vindt in deze laatste: de hierna onder B voorgeschreven taal; 6/ uitsluitend in Brussel-Hoofdstad de hierna onder B voorgeschreven taal; B. Indien de zaak niet gelocaliseerd of niet localiseerbaar is en: 1/ een ambtenaar van de dienst betreft: de taal van diens toelatingsexamen of bij ontstentenis van zulk examen de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; 2/ door een particulier is ingediend: de door deze gebruikte taal; 3/ geen van de gevallen onder 1/ en 2/ zich voordoet: de taal van het toelatingsexamen van de ambtenaar aan wie de zaak wordt opgedragen. Indien de ambtenaar geen toelatingsexamen heeft afgelegd, gebruikt hij zijn hoofdtaal’. ‘Afdeling 1: Centrale diensten Art.
- § 1 In hun binnendiensten en in hun betrekkingen met de gewestelijke en plaatselijke diensten uit Brussel-Hoofdstad, gedragen de centrale diensten zich naar artikel 17, § 1, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld onder A, 5/ en 6/, en B, 1/ en 3/, van genoemde bepaling’. ‘Art.
- De gezagsdragers en ambtenaren die door bevelen of handelingen de bepalingen van deze gecoördineerde wetten omzeilen of pogen ongedaan te maken worden disciplinair gestraft. Wanneer de overtreder behoort tot het personeel van een provincie, een gemeente of een andere gedecentraliseerde of zelfstandige openbare dienst en de overheid aan wie de disciplinaire macht is opgedragen geen sanctie toepast, die in verhouding is tot de ernst van het vergrijp, kan de Koning in de plaats van die overheid de afzetting, de schorsing of de tuchtstraf uitspreken; dezelfde macht wordt toegekend aan de gouverneur ten opzichte van het personeel van gemeenten met minder dan tienduizend inwoners en van de gedecentraliseerde of zelfstandige openbare diensten die er in gemeentelijk verband hun taak vervullen’. ‘Art.
- Zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten. Onverminderd de toepassing van artikel 61, § 4, lid 3, wordt de nietigheid van die handelingen en verordeningen vastgesteld op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij, door de overheid van wie de handelingen en verordeningen uitgaan, hetzij naar gelang van het geval en de rangorde van hun respectievelijke bevoegdheden, door de toezichthoudende overheid, de hoven en rechtbanken of de Raad van State. Wanneer aldus wordt vastgesteld dat handelingen of reglementen nietig zijn wegens hun vorm, worden zij door de overheden, waarvan zij uitgaan, vervangen door bescheiden die naar de vorm regelmatig zijn, die vervanging heeft uitwerking op de datum van het vervangen bescheid. De akten en reglementen waarvan wordt vastgesteld dat zij nietig zijn wegens hun inhoud onderbreken de verjaring zomede de termijnen die, met betrekking tot de procedure inzake geschillen en de administratieve procedure, op straf van verval opgelegd zijn. XIV-7541-8/18 De vaststelling van de nietigheid van de bij dit artikel bedoelde handelingen en verordeningen verjaart na vijf jaar’.”; Overwegende dat niet valt in te zien hoe bovenstaande wetsartikelen geschonden kunnen zijn door de bestreden beslissing, omdat zij enerzijds niet van toepassing zijn op de bestreden beslissing en anderzijds de asielaanvragen onderworpen zijn aan de procedure zoals beschreven in de Vreemdelingenwet; dat de woon- of verblijfplaats in casu irrelevant is om de proceduretaal vast te stellen; dat voor het overige naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het tweede middel ongegrond is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “3/ SCHENDING VAN ARTIKEL 10 EN 11 VAN DE BELGISCHE GRONDWET DOOR ARTIKEL 51/4 VAN DE VREEMDELINGENWET Dat zo men per impossibele artikel 51/4 van de vreemdelingenwet zo zou interpreteren dat dit artikel niet zou inhouden dat het verhoor niet dient vertaald te worden door een professionele vertaler in de taal van de onderzoeker, dit een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt en er dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient gesteld te worden, te meer de kwestie de openbare orde raakt. Dat artikel 10 van de Grondwet poneert : ‘De Belgen zijn gelijk voor de wet.’, terwijl artikel 11 postuleert : 'Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden’. Dat het Arbitragehof het gelijkheidsbeginsel als volgt heeft omschreven : ‘De grondwettelijke regels van gelijkheid voor de wet en van de niet discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zouden worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel’. (o.a. Arbitragehof, nr. 23/89, 13 oktober 1989, B.S. 8 november 1989, B.1.3 ; Arbitragehof, nr. 18/90, 2 mei 1990, B.S., 27 juli 1990 en Arbitragehof, nr. 26/90, 14 juli 1990, B.S., 4 augustus 1990, 6.B.6.; cfr. E.H.R.M., 23 juli 1968, R.W., 1968-69, 29 ; cfr. Cass. 5 oktober 1990, R.W., met conclusie van D'HOORE, G., 328-331; Cfr. RvSt, nr. 24.067, 12 maart 1984, Chambre syndicale des pharmaciens d'expression française; RvSt., nr. 33.858, 22 januari 1990, Desmet, T.B.P., 1990, 746 (schorsing); RvSt., nr.
- 046, 5 juni 1990, T.B.P., 1990, 746 (annulatie), Desmet; BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1268, nr. 2 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Arbitragehof aangezien het Hof van Cassatie geoordeeld heeft ‘overwegende dat,
§ 1
, 3/ en § 2, eerste lid , van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, indien een vraag ten aanzien van een schending door een wet van de artikelen 6, 6 bis (lees 10, 11) en 17 van de Grondwet voor een rechtscollege opgeworpen, dit college in de regel het Arbitragehof moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen’ (Cass, 22 juni 1992, R.W., 1992-93, 471; cfr. ook BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1267, nr. 1 en verwijzingen aldaar ). Dat de Raad van State in het Arrest WEYTS/ STAAT, nr. 74.160 ( 61.070 - IX-696 van 8 juni 1998 het principe poneert wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitraghof : ‘2.4.
- Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe alleen niet is gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat deze uitzondering te dezen niet van toepassing is; 2.4.
- Overwegende dat aan het Arbitragehof dan ook de in het dispositie van dit arrest opgenomen prejudiciële vraag moet worden gesteld’. XIV-7541-9/18 Dat het evident is dat ook vreemdelingen zich kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof, 5 juli 1990, B.S., 6 oktober 1990 en Arbitragehof, nr. 36/90, van 22 november 1990, B.S., 28 december 1990., over een aantal beroepen tot vernietiging van de wet van 30 augustus 1989 houdende wijziging van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen). Dat er terzake bovendien een discriminatie aangevoerd wordt tussen asielzoekers, die per definitie allen van een vreemde nationaliteit zijn, zodat art. 191 van de Belgische Grondwet niet kan ingeroepen worden (Cfr. Arbitragehof , 14 juli 1995, J.L.M.B., 1995, 1396 ev.; VANDE LANOTTE, J. , Overzicht van publiekrecht, deel II, Brugge, Die Keure 1994, p. 159; RENDERS D., ' La Cour d'Arbitrage et l'article 191 de la Constitution’, noot onder Arbitragehof, 14 juli 1994 , J.L.M.B., 1995, 1413). Dat zoals aangetoond bij de uiteenzetting van het eerste middel de gehanteerde werkwijze niet voldoende garanties kan bieden. Dat men zich dient af te vragen waarom asielzoekers ongelijk zouden mogen worden behandeld. Dat de ene asielzoeker een professionele vertaling krijgt die gaat van diens moedertaal naar de moeder taal van diegenen die zijn zaak onderzoekt. Dat de andere asielzoeker het dient te doen met een vertaling die niet rechtstreeks gebeurt in de taal van de onderzoeker. Dat de tegenstrijdigheden die voorgehouden worden als oorzaak de vertaalproblematiek hebben; subsidiair minstens als medeoorzaak de vertaalproblematiek hebben zoals hierboven geschetst. Dat dit maar pas is gebleken bij de bestreden beslissing nu er geen voorlezing is gebeurd van de opgenomen verklaringen ter controle van de juistheid van hetgeen als verhoor is opgenomen”; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.3.
- Overwegende dat kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat het derde middel ongegrond is; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat luidt als volgt: “4/ SCHENDING VAN ARTIKEL 10 EN 11 VAN DE BELGISCHE GRONDWET DOOR DE ARTIKELEN 39 § 1, 17 § 1, 57 EN 58 VAN DE TAALWET Dat zo men per impossibele de artikelen 39 § 1, 17 § 1, 57 en 58 van de taalwet zo zou interpreteren dat dit artikel niet zou inhouden dat het verhoor niet dient vertaald te worden door een vertaler in de taal van de onderzoeker, dit een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt en er dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient gesteld te worden, te meer de kwestie de openbare orde raakt. Dat artikel 10 van de Grondwet poneert : 'De Belgen zijn gelijk voor de wet.’, terwijl artikel 11 postuleert : 'Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden’. Dat het Arbitragehof het gelijkheidsbeginsel als volgt heeft omschreven : ‘De grondwettelijke regels van gelijkheid voor de wet en van de niet discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zouden worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel’. (o.a. Arbitragehof, nr. 23/89, 13 oktober 1989, B.S., 8 november 1989, B.1.3 ; Arbitragehof, nr. 18/90, 2 mei 1990, B.S., 27 juli 1990 en Arbitragehof, nr. 26/90, 14 juli 1990, B.S., 4 augustus 1990, 6.13.6.; cfr. E.H.R.M., 23 juli 1968, R.W., 1968-69, 29 ; cfr. Cass. 5 oktober 1990, R.W., met conclusie van D'HOORE, G., 328-331; Cfr. RvSt, nr. 24.067, 12 maart 1984, Chambre syndicale des pharmaciens d'expression française; RvSt., nr. 33.858, 22 januari 1990, Desmet, T.B.P., 1990, 746 (schorsing); RvSt., nr.
- 046, 5 juni 1990, T.B.P., 1990, 746 (annulatie), Desmet; BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1268, nr. 2 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Arbitragehof aangezien het Hof van Cassatie geoordeeld heeft ‘overwegende dat,
§ 1
, 3/ en § 2, eerste lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, indien een vraag ten aanzien van een schending door een wet van de artikelen 6, 6 bis (lees 10, 11 ) en 17 van de Grondwet voor een rechtscollege opgeworpen, dit college in de regel het Arbitragehof moet XIV-7541-10/18 verzoeken over die vraag uitspraak te doen’. (Cass, 22 juni 1992, R.W., 1992-93, 471; cfr. ook BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1267, nr. 1 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State in het Arrest WEYTS/ STAAT, nr. 74.160 ( 61.070 - IX-696 van 8 juni 1998 het principe poneert wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof : ‘2.4.
- Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe alleen niet is gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat deze uitzondering te dezen niet van toepassing is; 2.4.
- Overwegende dat aan het Arbitragehof dan ook de in het dispositie van dit arrest opgenomen prejudiciële vraag moet worden gesteld’. Dat het evident is dat ook vreemdelingen zich kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof, 5 juli 1990, B.S., 6 oktober 1990 en Arbitragehof, nr. 36/90, van 22 november 1990, B.S., 28 december 1990., over een aantal beroepen tot vernietiging van de wet van 30 augustus 1989 houdende wijziging van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen). Dat er terzake bovendien een discriminatie aangevoerd wordt tussen asielzoekers, die per definitie allen van een vreemde nationaliteit zijn, zodat art. 191 van de Belgische Grondwet niet kan ingeroepen worden (Cfr. Arbitragehof , 14 juli 1995, J.L.M.B., 1995, 1396 ev.; VANDE LANOTTE, J. , Overzicht van publiekrecht, deel II, Brugge, Die Keure 1994, p. 159; RENDERS D., ' La Cour d'Arbitrage et l'article 191 de la Constitution’, noot onder Arbitragehof, 14 juli 1994 , J.L.M.B., 1995, 1413). Dat zoals aangetoond bij de uiteenzetting van het eerste middel de gehanteerde werkwijze niet voldoende garanties kan bieden. Dat men zich diene af te vragen waarom asielzoekers ongelijk zouden mogen worden behandeld. Dat de ene asielzoeker een professionele vertaling krijgt die gaat van diens moedertaal naar de moedertaal van diegenen die zijn zaak onderzoekt. Dat de andere asielzoeker het dient te doen met een vertaling die niet rechtstreeks gebeurt in de taal van de onderzoeker. Dat de tegenstrijdigheden die voorgehouden worden als oorzaak de vertaalproblematiek hebben; subsidiair minstens als medeoorzaak de vertaalproblematiek hebben zoals hierboven geschetst. Dat dit maar pas is gebleken bij de bestreden beslissing nu er geen voorlezing is gebeurd van de opgenomen verklaringen ter controle van de juistheid van hetgeen als verhoor is opgenomen”; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.4.
- Overwegende dat kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste, tweede en derde middel; dat het vierde middel ongegrond is; 3.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde en een zesde, genoemd “zevende”, middel aanvoert die luiden als volgt: “5/ SCHENDING VAN HET MOTIVERINGSVEREISTE Dat de bestreden akte dient gemotiveerd te zijn gelet op artikel 62 van de wet van 15 december 1980, o.m. art. 3 de wet van 29 juli 1991, artikel 149 van de Belgische Grondwet, artikel 6 E.V.R.M., het algemeen rechtsbeginsel geschonden zijn. Dat aldus het vereiste van motivering geschonden is (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, 221 en verwijzingen). Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn, gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet (wet 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet (wet 29 juli 1991). Dat een bestreden beslissing niet kan berusten op deugdelijke motieven nu zijn gebaseerd is op een verhoren die geacht wordt niet te zijn, door gebruik te maken van een tolk die niet voldoet aan de vereiste taalkennis en de taal van de procedure niet gebruikt heeft. Dat zoals aangetoond bij de uiteenzetting van het eerste middel de gehanteerde werkwijze niet voldoende garanties kan bieden. Dat men zich diene af te vragen waarom asielzoekers XIV-7541-11/18 ongelijk zouden mogen worden behandeld. Dat de ene asielzoeker een professionele vertaling krijgt die gaat van diens moedertaal naar de moedertaal van diegenen die zijn zaak onderzoekt. Dat de andere asielzoeker het dient te doen met een vertaling die niet rechtstreeks gebeurt in de taal van de onderzoeker. Dat de tegenstrijdigheden die voorgehouden worden als oorzaak de vertaalproblematiek hebben; subsidiair minstens als medeoorzaak de vertaalproblematiek hebben zoals hierboven geschetst. Dat dit maar pas is gebleken bij de bestreden beslissing nu er geen voorlezing is gebeurd van de opgenomen verklaringen ter controle van de juistheid van hetgeen als verhoor is opgenomen 7/ SCHENDING VAN HET MOTIVERINGSBEGINSEL Dat de bestreden akte dient gemotiveerd te zijn gelet op artikel 62 van de wet van 15 december 1980, o.m. art. 3 de wet van 29 juli 1991, artikel 149 van de Belgische Grondwet, artikel 6 E.V.R.M., het algemeen rechtsbeginsel geschonden zijn. Dat aldus het vereiste van motivering geschonden is (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, 221 en verwijzingen). Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn, gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet (wet 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet (wet 29 juli 1991).”; dat de verzoekende partij verder de motieven van de bestreden beslissing herneemt en er aan toevoegt dat de door haar neergelegde stukken het gereleveerde ondersteunen en bewijskracht overeenkomstig de artikelen 1322 en 1341 B.W. hebben, dat een vergelijking tussen verklaringen van verschillende personen niet strookt met de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet omdat de dossiers individueel moeten worden behandeld, dat de zogenaamde tegenstrijdigheden geen tegenstrijdigheden zijn en bovendien niet kunnen opwegen tegen de waarachtigheid van het geheel, dat dergelijke motivering niet deugdelijk is, slechts een stijlformule vormt en derhalve gelijk staat met afwezigheid van motivering, dat de zogenaamde tegenstrijdigheden zoals hoger gesteld trouwens mede door de vertaalproblematiek zijn veroorzaakt, dat een gedeelte van de Azamat-partij wel aan jeugdwerking deed, dat de betekenis van het woord “Azamat” niet uitsluit dat die naam ook een samentrekking kan zijn van de namen van de stichters van de beweging, dat de verzoekende partij de datum van het Azamat-congres heeft verward met de voorbereiding ervan, dat de verzoekende partij het rijbewijs heeft gevraagd eer haar gevangenschap begon en dat het werd afgeleverd aan de vader die dezelfde handtekening heeft en niet aan de zoon, dat het niet vermelden van de slagen op 28 maart 2000 niet betekent dat dit feit niet heeft plaatsgevonden doch dat een slechte vertaling of weergave van de verklaringen is gebeurd, dat het vrij logisch is dat iemand die geïnterneerd is geweest een inschattingsfout over de duur van de internering maakt en dat het niet exact weten wie juist de overlijdensakte van haar vermoorde zoon heeft gegeven in de gegeven omstandigheden de verzoekende partij niet ten kwade kan worden geduid; 3.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in de beide middelen; 3.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in beide middelen de schending opwerpt van de artikelen 149 G.W. en 6 E.V.R.M.; dat deze in casu niet van toepassing zijn; dat artikel 149 G.W. bepaalt dat vonnissen moeten worden gemotiveerd; dat de bestreden beslissing echter geen vonnis is, zodat niet valt in te zien op welke wijze dit XIV-7541-12/18 artikel zou zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat artikel 6 van het E.V.R.M. enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch niet op een zuiver administratiefrechtelijke procedure zoals een administratief beroep tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat het vijfde en het zesde middel in die mate onontvankelijk zijn; Overwegende, met betrekking tot de inhoudelijke kritiek die in het vijfde middel wordt uiteengezet en die derhalve betrekking heeft op de schending van de materiële motiveringsplicht, dat uit de bespreking van de vorige middelen is gebleken dat er geen inbreuk werd gemaakt op welke taalwetgeving dan ook; dat de verzoekende partij haar vluchtmotieven op begrijpelijke wijze heeft kunnen uiteenzetten en de bestreden beslissing op basis hiervan geldig is gemotiveerd; dat geen enkele concrete vertaalfout aannemelijk wordt gemaakt; dat het vijfde middel in die mate ongegrond is; Overwegende, met betrekking tot het zesde, genoemd “zevende”, middel, dat de verzoekende partij nog inhoudelijke kritiek geeft op de diverse motieven van de bestreden beslissing, meer bepaald op het vergelijken van verschillende verklaringen en op de vaagheden en tegenstrijdigheden die daaruit zouden blijken; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen enkele bepaling verbiedt dat een vergelijking wordt gemaakt tussen opeenvolgende verklaringen van een asielaanvrager of tussen de verklaringen van een asielaanvrager en personen die hem hebben vergezeld; dat de artikelen 1322 en 1341 B.W. betrekking hebben op verbintenissen en het bewijs ervan, doch geenszins op het bewijs van feiten in een zuiver administratiefrechtelijke zaak; dat de verzoekende partij ieder motief van de bestreden beslissing herneemt en hetzij op algemene wijze minimaliseert hetzij zonder nadere uitleg wijt aan een gebrekkige vertaling of neerslag in de verhoorverslagen; dat zij bij de voorlezing van de verslagen op het einde van de verhoren nochtans geen opmerkingen over de vertaling of de weergave van haar verklaringen heeft gemaakt; dat de gedetailleerde uitwerking van de met de bestreden beslissing in aanmerking genomen tegenstrijdigheden geenszins als een stijlformule kan worden beschouwd; dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen waarbij niet ieder afzonderlijk element ervan op zichzelf die beslissing moet kunnen dragen; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de vaststellingen van de commissaris-generaal op onjuiste feitelijke gegevens zijn gesteund of op kennelijk onredelijke wijze in de beoordeling zijn betrokken; dat het zesde middel in die mate ongegrond is; 3.6.
- Overwegende dat de verzoekende partij een zevende, genoemd “achtste”, middel opwerpt dat luidt als volgt: “8/ SCHENDING VAN ARTIKEL 52, JUNCTO 63/2 en 63/3 VAN DE VREEMDELINGENWET Dat het de Commissaris-Generaal, optredend in dringend beroep, niet behoort een beslissing ten gronde in het stadium van de ontvankelijkheid te nemen. Dat in casu de Commissaris-Generaal reeds over de grond beslist heeft en niet geoordeelt heeft over de XIV-7541-13/18 kwestie of het verzoek tot vluchteling verklaard te worden al dan niet kennelijk ongegrond is, of al dan niet klaarblijkelijk ongegrond is. Dat uit artikel 63/2 en 63/3 volgt dat artikel 52 van de vreemdelingenwet de criteria omvat waarover de Commissaris-Generaal in dringend beroep vermag te oordelen. Dat de bewoordingen kennelijk of klaarblijkelijk uiteraard belangrijk zijn in de tekst van artikel 52 van de vreemdelingenwet (CARLIER, J.-Y., ‘La procédure de reconnaissance de la qualité de réfugié en Belgique’, B.T.I.R., 1989, 158). Dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet geschonden wordt als de aanvraag niet- ontvankelijk wordt verklaard, daar waar er in werkelijkheid een beslissing ten gronde werd genomen ( Voor een duidelijk voorbeeld zie RvSt.nr. 48.825 dd. 31 augustus 1994). Dat door aldus te oordelen verzoekende partij geen oordeel over de grond van de zaak heeft kunnen bekomen, welke aan een rechterlijke instantie is kunnen voorgelegd worden, rechterlijke instantie met waarborgen betreffende het oordeel over de zaak zaak zelve, waarvan verzoekende partij in casu verstoken bleef.”; 3.6.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.6.
- Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de mogelijkheid biedt om een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat in casu de asielaanvraag werd afgewezen op grond van de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat dit evenwel niet het onderzoek is dat plaats vindt in de gegrondheidsfase die volgt op de ontvankelijkheidsfase; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève en bovendien niet tegenstrijdig zijn met zijn eigen eerdere verklaringen of verklaringen van eventueel vergezellende familieleden of kennissen; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de gegevens die worden verstrekt door de kandidaat-vluchteling op hun geloofwaardigheid worden beoordeeld; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie te brengen zijn, besloten kan worden tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat om tot de vaststellingen in de bestreden beslissing te komen, er enkel een dergelijk onderzoek nodig was; dat een dergelijk onderzoek niet kan worden beschouwd als het onderzoek dat wordt bedoeld met het onderzoek in de gegrondheidsfase; dat het zevende middel ongegrond is; 3.7.
- Overwegende dat de verzoekende partij een achtste, genoemd “negende”, middel opwerpt dat luidt als volgt: “9/ DAT DE BESTREDEN BESLISSING ART. 63/3 VAN DE VREEMDELINGENWET SCHENDT Dat het dringend beroep luidens de bestreden beslissing ingediend werd op 3 juli 2000 en de beslissing zou dateren van 20 november 2001, hetgeen betekent dat de bestreden beslissing XIV-7541-14/18 niet genomen is binnen de 30 dagen na het indienen van het dringend beroep hetgeen nochtans vereist wordt door art. 63/3 van de Vreemdelingenwet. Dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert. Dat voorts verwezen wordt naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei
- Dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert. Dat voorzover artikel 63/2, 2' van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 een dwingde termijn ingevoerd heeft dit ook moet gelden voor de termijn van artikel 63/3 van de vreemdelingenwet. Dat de termijnen voor alle partijen in de vreemdelingenwet op een gelijkaardige wijze dienen geïnterpreteerd te worden. Dat de termijnen aldus hetzij beide vervaltermijnen hetzij als termijnen van orde dienen gezien te worden. Daar anders er een ongelijkheid bestaat in de aard van de termijn voorzien in de vreemdelingenwet. Dat een dergelijk onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt. Dat het Arbitragehof reeds dergelijke discriminaties heeft strijdig bevonden met het gelijkheidsbeginsel ( Arbitragehof nr. 65/96 dd. 13 november 19996, B.S. 25 janauri 1997, over de rechtsregel waarbij de minister de Vaste Beroepscommissie kon adiëren bij het ontbreken van een uitspraak binnen een bepaalde termijn, daar waar de asielzoeker dit niet kon ). Dat verzoekende partij aldus vraagt dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld of artikel 63/3/ het gelijkheidsbeginsel schendt inzoverre het voor de asielzoeker een dwingende termijn van 3 dagen invoert daar waar voor de Commissaris-generaal ging dwingende termijn van 30 dagen zou opgelegd worden overeenkomstig artikel 63/3 van diezelfde wet. Dat er twee categorieën gecreëerd worden betreffende de aard van termijn. Dat artikel 10 van de Grondwet poneert : ‘De Belgen zijn gelijk voor de wet.’, terwijl artikel 11 postuleert: ‘Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden’. Dat het Arbitragehof het gelijkheidsbeginsel als volgt heeft omschreven : 'De grondwettelijke regels van gelijkheid voor de wet en van de niet discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zouden worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel' ( o.a. Arbitragehof, nr. 23/89, 13 oktober 1989, B.S., 8 november 1989, B.1.3; Arbitragehof, nr. 18/90, 2 mei 1990, B.S., 27 juli 1990 en Arbitragehof, nr. 26/90, 14 juli 1990, B.S., 4 augustus 1990, 6.B.6 . ; cfr. E.H.R.M., 23 juli 1968, R.W., 1968-69, 29 ; cfr. Cass. 5 oktober 1990, R.W., met conclusie van D'HOORE, G., 328-331; Cfr. RvSt, nr. 24.067, 12 maart 1984, Chambre syndicale des pharmaciens d'expression française; RvSt., nr. 33.858, 22 januari 1990, Desmet, T.B.P., 1990, 746 (schorsing); RvSt., nr.
- 046, 5 juni 1990, T.B.P., 1990, 746 (annulatie), Desmet; BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1268, nr. 2 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Arbitragehof aangezien het Hof van Cassatie geoordeeld heeft ‘overwegende dat,
§ 1
, 3/ en § 2, eerste lid , van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, indien een vraag ten aanzien van een schending door een wet van de artikelen 6, 6 bis ( lees 10, 11) en 17 van de Grondwet voor een rechtscollege opgeworpen, dit college in de regel het Arbitragehof moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen’ (Cass, 22 juni 1992, R.W., 1992-93, 471; cfr. ook BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1267, nr. 1 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State in het Arrest WEYTS/ STAAT, nr. 74.160 ( 61.070 - IX-696 van 8 juni 1998 het principe poneert wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof : ‘2.4.
- Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe alleen niet is gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat deze uitzondering te dezen niet van toepassing is; 2.4.
- Overwegende dat aan het Arbitragehof dan ook de in het dispositie van dit arrest opgenomen prejudiciële vraag moet worden gesteld’. Dat het evident is dat ook vreemdelingen zich kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof, 5 juli 1990, B.S., 6 oktober 1990 en Arbitragehof, nr. 36/90, van 22 november 1990, B.S., 28 december 1990., over een aantal beroepen tot vernietiging van de wet van 30 augustus 1989 houdende wijziging van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen). Dat er terzake bovendien een discriminatie aangevoerd wordt tussen XIV-7541-15/18 asielzoekers, die per definitie allen van een vreemde nationaliteit zijn, zodat art. 191 van de Belgische Grondwet niet kan ingeroepen worden (Cfr. Arbitragehof , 14 juli 1995, J.L.M.B., 1995, 1396 ev.; VANDE LANOTTE, J. , Overzicht van publiekrecht, deel II, Brugge, Die Keure 1994, p. 159; RENDERS D., 'La Cour d'Arbitrage et l'article 191 de la Constitution’, noot onder Arbitraghof, 14 juli 1994 , J.L.M.B., 1995, 1413). Dat voorts verwezen wordt naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei 1998.”; 3.7.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.7.
- Overwegende dat artikel 63/3, § 1, derde lid, van de Vreemdelingenwet een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat dergelijke beslissingen niettemin binnen een redelijke termijn moeten worden genomen, bij gebreke waaraan de overheid haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen; dat een overschrijding van de redelijke termijn aldus tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; Overwegende dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 juni 2000 een weigering van verblijf inhoudt; dat, bij vernietiging van de thans bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn om in beroep uitspraak te doen, de in eerste aanleg genomen beslissing definitief zou worden; dat de verzoekende partij uit dit onderdeel van het middel geen voordeel kan halen, zodat het niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang; Overwegende dat de verzoekende partij evenmin belang heeft bij de vergelijking met de in artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet bepaalde vervaltermijn van drie werkdagen om dringend beroep aan te tekenen; dat de verzoekende partij immers aan deze voorwaarde heeft voldaan en dat nergens in de bestreden beslissing sprake is van een overschrijding van die termijn; dat de verzoekende partij ter terechtzitting afstand heeft gedaan van haar verzoek om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; 3.8.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een negende, genoemd “tiende”, middel de schending van de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet opwerpt en na de motivering van de bestreden beslissing te hebben hernomen het volgende aanvoert: “Dat artikel 63 en 63/3 van de van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S., 31 december 1980 ( hierna vreemdelingenwet genoemd ) voorzien in een soort administratief beroep, het dringend beroep genaamd. Dat voormeld administratief beroep inhoudt, dat de zaak volledig, opnieuw en individueel, ttz dossier per dossier dient behandeld te worden. XIV-7541-16/18 Dat een vergelijking tussen verklaringen lopende de diverse fasen van de procedure niet strookt met de artikelen 63 en 63/3 van de vreemdelingenwet, en daaruit kennelijk niet kan besloten worden dat er sprake is van een deugdelijke motivering. Dat het aldus niet behoort door middel van vergelijking tussen verklaringen een beslissing te motiveren, daar waar een dergelijke wettelijke beroepsmogelijkheid voorzien is en daar waar de dossiers individueel dienen behandeld te worden. Dat de bestreden beslissing eigenlijk de beroepsmogelijkheid van het dringend beroep aan verzoekende partij ontneemt, hetgeen om evidente redenen niet kan.”; 3.8.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie volhardt in het middel; 3.8.
- Overwegende dat de verzoekende partij andermaal de mogelijkheid voor de commissaris-generaal betwist om bij de behandeling van het dringend beroep een vergelijking te maken tussen haar opeenvolgende verklaringen; dat voor de bespreking van het negende middel naar de bespreking van het zevende middel kan worden verwezen; dat het negende middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-7541-17/18 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7541-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div