id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.721 Rolnummer: A. 108500/XIV-5992 Zaak: Arrest 142721 - - 29/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 09:46 Fiche Arrest nr 142.721 van 29 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.721van 29 maart 2005 in de zaak A. 108.500/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V.LURQUIN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Zwitserlandstraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 8 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 juli 2001 waarbij wordt vastgesteld dat het beroep laattijdig is ingediend; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op 3 augustus 2001 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN die loco advocaat V.LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché G. DESNYDER XIV-5992-1/4 die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 juli 2000 en zich vluchteling verklaart op 31 juli 2000; dat op 8 juni 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 9 juli 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist dat het dringend beroep laattijdig is ingediend , dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Laattijdig beroep Op 28 juni 2001 heeft u een dringend beroep ingediend tegen de beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister inzake uw aanvraag tot het bekomen van het statuut van vluchteling. De beslissing van de gemachtigde van de Minister werd u op 15 juni 2001 ter kennis gebracht. Uw beroep werd niet binnen de drie werkdagen ingediend zoals voorgeschreven door artikel 63/2, 2/ van de Vreemdelingenwet van 15 december
- U brengt evenmin een geldige reden aan die de laattijdigheid kan verklaren. Bijgevolg wordt uw beroep niet in aanmerking genomen en blijft de termijn om het grondgebied te verlaten die desgevallend werd vermeld in de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geldig.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “1 ste middel : schending van de rechten van verdediging Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat verzoeker tot op heden nog steeds zijn middelen i.v.m. zijn aanvraag als vreemdeling op het Belgisch grondgebied te mogen verblijven, nog niet heeft kunnen en mogen uiteenzetten; Overwegende dat het een flagrante schending is van zijn rechten van verdediging dat hij niet werd gehoord i.v.m. zijn aanvraag om als vluchteling in overweging te worden genomen; Overwegende dat nochtans de raadsman van verzoeker bij schrijven dd. 31 maart 2001 gemeld heeft dat de Heer XXX niet kon aanwezig zijn op de zitting ingevolge het recente arbeidscontract dat hij had afgesloten; Overwegende dat hiermede nochtans geen rekening werd gehouden en niettegenstaande deze verwittiging er geen nieuwe zittingsdatum werd bepaald; Overwegende dat dit een ernstige schending is van zijn rechten van verdediging;”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat het dringend beroep te laat is ingediend; dat zij verwijst naar een brief van 31 maart 2001 waarin zij aan de dienst Vreemdelingenzaken meldt dat zij zich er onmogelijk kan aandienen voor het verhoor, omdat zij een arbeidscontract heeft afgesloten; dat deze brief echter is verstuurd in het kader van het onderzoek door de minister van Binnenlandse Zaken, doch geen betrekking heeft op het instellen van het dringend beroep of de procedure in dringend XIV-5992-2/4 beroep; dat de verzoekende partij hiermee niet aannemelijk maakt dat de rechten van verdediging bij het tot stand komen van de bestreden beslissing zijn geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede en een derde middel aanvoert die luiden als volgt: “2 de middel : integratie in België Overwegende dat vast staat dat verzoeker zich volkomen heeft geïntegreerd in België; Overwegende dat hij sedert zijn aankomst in België werd toegewezen aan het OCMW te Asse; Dat hij in het begin financieel werd gesteund wat betreft zijn woning; Dat hij een arbeidersopleiding heeft genoten en dat hij sedert 1 april 2001 een arbeidscontract heeft afgesloten bij TECHSWAP BVBA te Overijse; Dat hij ook lessen heeft gevolgd teneinde de Nederlandse taal aan te leren; Dat hij het Nederlands voldoende machtig is om zich perfect te kunnen integreren; Dat hij geenszins ten laste is van de Belgische Staat; Dat hij zijn eigen inkomen heeft, zijn eigen appartement, op dit ogenblik ook volledig betaald; 3 de middel : gevaar voor zijn fysieke en psychische integriteit in het land van afkomst Overwegende dat de Heer XXX een ernstig gevaar loopt wanneer hij wordt teruggestuurd naar Georgië; Overwegende dat het blijkt uit de kopie van zijn identiteitskaart dat hij zelfs in Georgië als vluchteling werd gecatalogeerd; Overwegende dat, gelet op zijn vermeende politieke banden, het gevaar voor zijn leven reëel is;”; 2.2.
- Overwegende dat luidens artikel 20, tweede lid, 2/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een “uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat de uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die zou zijn geschonden als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden; dat de verzoekende partij in het tweede middel louter stelt dat zij volkomen is geïntegreerd in België en in het derde middel dat zij gevaar loopt in haar land van herkomst; dat zij daarmee niet aangeeft welke bepaling of beginsel werd overtreden; dat de verzoekende partij het niet aan de Raad van State mag overlaten om uit hierboven geciteerde uiteenzetting een middel te distilleren; dat hetgeen de verzoekende partij uiteenzet niet als een ontvankelijk middel kan worden verstaan;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5992-3/4 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-5992-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.