id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.746 Rolnummer: A. 112430/XIV-7185 Zaak: Arrest 142746 - - 31/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 09:54 Fiche Arrest nr 142.746 van 31 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.746 van 31 maart 2005 in de zaak A.112.430/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. LEMACHE, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 60 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 17 januari 1985 en van Joegoslavische nationaliteit, op 31 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 september 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 augustus 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 1 oktober 2001; Gelet op de beschikking van 10 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gelet op het feit dat de verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-7185-1/5 Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MILDE, die loco Advocaat C. LEMACHE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 15 augustus 2001 en verklaart zich vluchteling op 16 augustus
- 1.
- Op 24 augustus 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat u krachtens uw nationale wet minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u kan worden toegepast. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanees afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Deçan. Tijdens de Servische aanval op Deçan sloegen uw ouders op de vlucht en waren zij in de veronderstelling dat u eveneens was gevlucht. U lag op dat ogenblik echter te slapen zodoende dat uw ouders zonder u waren vertrokken. Vervolgens kwamen verschillende Servische politieagenten uw woning binnen en zij installeerden er een soort politiepost. U werd gedurende twee weken door de Serviërs in uw woning vastgehouden waarna u werd vrijgelaten. U trok vervolgens naar Lumbardh waar u uw ouders terugvond en waar u samen ondergedoken bleef tot aan het einde van de oorlog. U bracht uw ouders op de hoogte van het feit dat u twee XIV-7185-2/5 weken werd vastgehouden door de Serviërs en u besloot samen dit tegen niemand verder te vertellen. Na de oorlog verspreidde zich echter onder de inwoners van Deçan het gerucht dat u tijdens de oorlog had samengewerkt met de Serviërs en dat u Albanese burgers had omgebracht. Eénmaal werd u hieromtrent persoonlijk aangesproken door een vier à vijftal onbekende personen. Na dit incident vluchtte u naar uw oom in Berlice waar u zo'n twee maanden verbleef. Vervolgens trok u naar Maznik waar u drie maanden logeerde bij de schoonfamilie van uw zus. Hierop reisde u met een vrachtwagen naar België. U kwam België binnen op 15 augustus 2001 en u diende hier op 16 augustus 2001 een asielaanvraag in. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u uw land verlaten hebt uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève of alsnog dergelijke vrees dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Kosovo. De door u aangehaalde problemen zijn immers van privaatrechtelijke aard (tussen privé-personen). Bovendien hebt u nagelaten bescherming te zoeken bij de in Kosovo aanwezige lokale en internationale autoriteiten. Uw motieven om dit niet te doen zijn louter gebaseerd op vermoedens dat de autoriteiten niks zouden ondernemen. U heeft geen elementen of feiten aangehaald waaruit blijkt dat u omwille van één van de criteria van de Conventie geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de in Kosovo aanwezige lokale en internationale autoriteiten.Tot slot maakte u niet aannemelijk eventuele problemen niet te kunnen vermijden door u elders in Kosovo te vestigen. Na het éénmalige incident verbleef u immers vijf maanden bij familie te Berlice en Maznik, waar u geen problemen kende. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van artikel 22 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind (Kinderrechtenverdrag), omdat de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich meebrengt, nu het naoorlogse repressieapparaat in verzoekers land van herkomst zal leiden tot een onrechtvaardige berechting of het gebruik van geweld tegen hem; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag op basis van de volgende motieven: - de problemen die verzoeker aanhaalt zijn van privaatrechtelijke aard; - verzoeker zocht geen bescherming bij de lokale en internationale autoriteiten die in Kosovo aanwezig zijn; - verzoeker maakte geen gebruik van het interne vluchtalternatief, om de plaatselijke problemen te vermijden; Overwegende dat uit de samenlezing van het administratief dossier met de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker minderjarig was op het tijdstip waarop hij een asielaanvraag indiende; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker alleen naar België kwam, met de minstens impliciete toestemming van zijn ouders, die volgens het asielrelaas van verzoeker op de hoogte zijn van het feit dat verzoeker, als etnisch Albanees, afkomstig uit Kosovo, twee weken werd vastgehouden door Serviërs; dat tevens blijkt dat de ouders van verzoeker op de hoogte zijn van de vluchtmotieven van verzoeker; dat het perfect mogelijk is voor verzoeker, met de actuele moderne communicatiemiddelen, om contact op te nemen met zijn ouders; dat uit het administratief XIV-7185-3/5 dossier blijkt dat de verwerende partij de identificatiefiche voor een niet begeleide minderjarige vreemdeling heeft ingevuld; dat uit deze fiche blijkt dat de volledige identiteit van de ouders van verzoeker gekend is, met inbegrip van de actuele woon- of verblijfplaats van de ouders in Kosovo; dat verzoeker bijgevolg perfect contact kon opnemen met zijn ouders en eventueel naar hen kon terugkeren, gelet op de gewijzigde politiek-sociale situatie in Kosovo op dit ogenblik; dat het Commissariaat-generaal bijgevolg perfect de richtlijnen en aanbevelingen vervat in artikel 22 van het Kinderrechtenverdrag heeft nageleefd; dat op het tijdstip waarop de zaak in beraad werd genomen door de Raad van State verzoeker meerderjarig was; dat dit gegeven door verzoeker niet wordt betwist; dat verzoeker op dit ogenblik de schending van artikel 22 van het Kinderrechtenverdrag niet meer dienstig kan inroepen; dat hij dit wel kon op het tijdstip dat de bestreden beslissing werd genomen; dat op dat ogenblik de Belgische overheid alle maatregelen heeft genomen om de belangen en de rechten van de niet-begeleide minderjarige te vrijwaren en te waarborgen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoeker; dat verzoeker geen middel ontwikkelt dat de motieven van de bestreden beslissing weerlegt; dat dit blijkt uit wat voorafgaat en uit de samenlezing van de bestreden beslissing met de gegevens van het administratief dossier; Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat artikel 22 van het Kinderrechtenverdrag geschonden wordt, wanneer het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wordt uitgevoerd; dat verzoeker desbetreffend geen enkel concreet en bewijskrachtig element aanreikt, gelet op de gewijzigde socio-politieke situatie in Kosovo, waarnaar reeds werd verwezen; dat daaraan wordt toegevoegd dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker in wezen een economische vluchteling is en geen politieke vluchteling; dat hiervoor wordt verwezen naar vraag 39 van het formulier van de Dienst Vreemdelingenzaken die als volgt luidt: “Waarom hebt u België gekozen?”; dat verzoeker hierop het volgende antwoordt: “omdat ik hoorde dat het leven hier beter is”; dat bijgevolg artikel 22 van het Kinderrechtenverdrag niet dienstig wordt aangevoerd, gelet op de inhoud en de draagwijdte van dit artikel; Overwegende dat verzoeker in zijn toelichtende memorie integraal verwijst naar de argumentatie, ontwikkeld in zijn inleidend verzoekschrift; Overwegende dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: XIV-7185-4/5 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-7185-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.746 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.