id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.784 Rolnummer: A. 128592/XIV-12320 Zaak: Arrest 142784 - - 05/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 09:59 Fiche Arrest nr 142.784 van 5 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.784 van 5 april 2005 in de zaak A. 128.592/XIV-12.320 In zake :
- XXX, in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen G., M., S., Z.,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat F. BECKERS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Bronstraat 68-70 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van XXX nationaliteit, op 26 september 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2002 waarbij een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 27 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-12.320-1/7 Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HENDRIX, die loco advocaat F. BECKERS verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E.MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de eerste verzoekende partij, samen met haar vijf kinderen, België binnenkomt op 3 januari 1999 en zich vluchteling verklaart op 27 januari 1999; dat op 19 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 september 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat de eerste verzoekende partij tegen deze beslissing een annulatieberoep indient; dat de Raad van State dit beroep verwerpt met het arrest nr. 94.203 van 22 maart 2001; Overwegende dat de verzoekende partijen op 29 juni 2001 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indienen op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat op 16 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken die aanvraag onontvankelijk verklaard; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Redenen Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Dat de betrokkene werkwillig is, dat zij en haar kinderen de Franse taal machtig zijn en dat ze regelmatig haar huur en elektriciteitsrekeningen betaalt, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden. De betrokkene wist immers dat haar verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Dat de kinderen regelmatig schoollopen, kan ook niet weerhouden aangezien ze niet naar hier gekomen zijn in het kader van een machtiging tot voorlopig verblijf voor studenten. De integratie-elementen zullen behandeld worden in het, kader van een aanvraag op basis van art. 9.2/ van de vreemdelingenwet. XIV-12.320-2/7 Dat de betrokkene sinds 1995 illegaal in België zou verblijven, vormt op zich geen uitzonderlijke omstandigheid. Bovendien brengt de betrokkene geen enkel document aan dat haar aanwezigheid in België voor 0310111999 aantoont. Verder hebben de problemen in haar land van herkomst reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De betrokkene werd immers nooit door de officiële autoriteiten van haar land vervolgd en ze heeft nooit elementen aangebracht die wijzen op een persoonlijke vrees voor vervolging. De huidige situatie in XXX verhindert niet dat talrijke onderdanen naar hun land van herkomst terugkeren. De betrokkene kan hiervoor ook steeds beroep doen op de Internationale Organisatie voor Migratie. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat een procedure ingesteld bij de Raad van State niet opschortend werkt. In dit geval werd het verzoek tot nietigverklaring op 22/03/001 door de Raad van State verworpen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren, dat luidt als volgt: “MOYENS D'ANNULATION DE L’ACTE ATTAQUE: Moyen unique tiré de l'erreur manifeste d’appréciation, de la violation des articles 9, alinéa 3 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, au séjour, à l’établissement et à l’éloignement des étrangers, des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, du principe général de droit tiré de l'adage Patere Legem, de la violation du principe du respect de la vie privée et familiale induit de l’article 8 de la convention européenne de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales, du principe de proportionnalité, et, du principe général de l'autorité de la chose jugée EN CE QUE LA PARTIE ADVERSE A JUGE LA DEMANDE DES REQUERANTES IRRECEVABLE, EN SE FONDANT SUR LES CONSIDERATIONS SUIVANTES: Aucune circonstance exceptionnelle empêchant l’intéressée d'introduire une demande de séjour selon la réglementation générale, via le poste consulaire ou diplomatique compétent pour son lieu de résidence à l’étranger, n’est invoquée Le fait que l’intéressée soit prête à travailler, qu'elle-même et ses enfants maîtrisent la langue française et qu’elle paie régulièrement son loyer et ses factures d'électricité ne constituent pas des circonstances exceptionnelles ALORS QUE D'après la jurisprudence constante de votre Conseil, les circonstances exceptionnelles visées à l'article 9, alinéa 3 de la loi sont ‘toutes circonstances rendant impossible ou particulièrement difficile le retour temporaire de l’étranger dans son pays d'origine pour y accomplir les formalités nécessaires ) l’introduction de la demande d'autorisation de séjour’. L'introduction d'une demande d'autorisation de séjour sur pied de l'article 9, alinéa 3 de la loi, impose à l'autorité un double examen. D'une part celui de la recevabilité de la demande elle-même, eu égard aux circonstances exceptionnelles invoquées; et, d'autre part, celui du fondement même de la demande. Ce n'est toutefois que lorsqu'elle conclut à la recevabilité de la demande en raison de circonstances exceptionnelles, qu'elle doit ensuite se prononcer sur le fondement (CE n'55.204, 19 septembre 1995, cité par F. Bernard ‘Commentaire de la circulaire du Ministère de VIntérieur du 9 oetobre 1997 » in RDE, n' 97, 1998). La circulaire du 15 décembre 1998 relative á l'application de l'article 9, alinéa 3 de la loi, qui a remplacé celle du 9 octobre 1997, impose également l'obligation de double motivation des demandes et de double examen: ‘D’autre part, la demande doit expliciter les raisons pour lesquelles l’intéressé demandé l'autorisation à séjourner plus de trois mois en Belgique. Cet aspect ne sera examiné de manière approfondie, pour autant qu'une décision positive relative au premier aspect soit prise, donc pour autant que les circonstances exceptionnelles qui sont á la base de la procédure prévue par l’article 9, alinéa 3 de la loi, ont été acceptées’ (SIC) (Circulaire du 15.12.1998, page 7). En, l'espèce, la partie adverse a mélangé les arguments de fond invoqués par la requérante avec ceux invoqués au titre de recevabilité de la demande. En effet, la disponibilité au travail, la maîtrise de la langue française constituent des motifs de fond pour réclamer une autorisation de séjour. XIV-12.320-3/7 Le fait que les enfants de l’intéressée poursuivent de manière régulière leur scolarité en Belgique ne peut pas davantage être retenu vu qu'ils ne sont pas venus sous couvert d'une autorisation de séjour provisoire pour étudiants : L'examen de la demande sous deux aspects, celui de la recevabilité et celui du fond, n'exclut toutefois nullement qu'un même fait soit à la fois une circonstance exceptionnelle permettant l'introduction de la demande en Belgique et un motif justifiant l’octroi de l'autorisation de séjour (CE, 23 mai 2000, n' 87.462, cité par Elisabeth Derricks et Karima Sbai, « droit des étrangers », loi du 15 décembre 1980, ‘chronique de jurisprudence 1994- 2000', in les dossiers du Journal des Tribunaux, 21, page
- Juger que, lorsqu'elle statue sur la recevabilité de la demande d'autorisation de séjour, l'Administration peut examiner en tant que circonstances exceptionnelles des éléments que l'intéressé a invoquées pour justifier la demande au fond pour autant qu'il découle, sans hésitation possible, de l'ensemble de l'acte qu'elle a entendu demeurer au stade de la recevabilité et que le demandeur ne puisse se méprendre sur la portée de la décision (CE, 15 mars 2001, n'94.059, Ibidem). Ainsi, à titre d'exemple, la scolarité des enfants de la requérante, peut être à la fois invoquée comme motif de fond, puisqu'elle fut entamée il y a plusieurs années, et comme circonstance exceptionnelle, puisque cette scolarité en cours les empêche d'effectuer un recours en XXX, afin d'introduire la demande de séjour par la voie diplomatique, sous peine de risquer de perdre une année d'études. Il découle de ce qui précède que par ce motif, la partie adverse a encore violé l'article 9 alinéa 3 de la loi du 15.12.1980, et a commis une erreur manifeste d'appréciation. La scolarité des enfants de la requérante constitue donc bien une circonstance exceptionnelle rendant ‘impossible ou particulièrement difficile’ un retour des requérante dans leur pays d'origine: un retour aurait en effet pour conséquence une absence des cours prolongée qui hypothèquerait sérieusement leurs chances de réussite de l'année scolaire en cours. Par sa motivation, la partie adverse commet donc une erreur d'appréciation en ne retenant pas ladite scolarité des enfants comme étant une circonstance exceptionnelle, et semble avoir statué ‘au fond’ lorsqu'elle invoque que cette scolarité ne pourrait être retenue au motif que les enfants de la requérante n'ont pas été autorisés à séjourner provisoirement en qualité d'étudiant. Sur ce point, votre Haute Juridiction a considéré, dans une espèce où la partie adverse avait également relevé que les enfants d'un demandeur en régularisation n'étaient pas en possession d'une autorisation de séjour provisoire (ASP pour étudiants), que ‘en ce qui concerne les enfants de la requérante, que la motivation est à la fois inexacte en faits et tautologique. Qu'en effet, la présence de ceux-ci en Belgique est connue de la partie adverse ; qu'en outre, leur demande d'autorisation de séjour sur la base de l'art. 9, al. 3, serait aberrante s'ils avaient disposé d'une autorisation de séjour provisoire pour étudiants’ (CE, 17 avril 2002, n' 105.622, RDE, 2002, n' 118, page 250 et suivantes). Il semble également certain en l'espèce que si les enfants de la requérante avaient disposé d'une autorisation de séjour pour étudiants, ils n'auraient certainement pas introduit une demande d'autorisation de séjour sur pied de l'art. 9, al. 3 de loi. La jurisprudence précitée parait devoir s'imposer au cas d'espèce. Les éléments d'intégration pourront faire l’objet d’un examen dans le cadre dlune demande introduite sur base de l’art 9, al. 2 de la loi ALORS QUE Tel qu'il a été vu ci-dessus, la partie adverse s'est en réalité déjá prononcé sur le fond de la demande puisque cet élément tiré de la scolarité des enfants constitue pour rappel, aussi bien une circonstance exceptionnelle (recevabilité de la demande) qu'un motif de fond, il convient également de rappeler par rapport aux éléments d'intégration que les requérantes ont produit des témoignages d'amis et donc fait état d'une véritable vie privée et familiale, au sens de l'artiele 8 de la convention européenne de sauvegarde des Droits de l’Homme et des Libertés fondamentales. Il en résulte qu'en prenant l'acte attaqué qui constitue une ingérence dans Ie droit au respect de la vie privée et familiale des requérantes, la partie adverse aurait dfi procéder á une mise en pondération des intéréts de ces derniers avec les impératifs d'ordre public et socio- économique visés á l'alinéa 2 de l'article 8 de la convention précitée. Il ne ressort pas de l'acte attaqué que cet examen de proportionnalité a bien été réalisé en l'espèce par la partie adverse. Le fait que I'intéressée aurait séjourné illégalement en Belgique depuis 1995 ne constitue pas une circonstance exceptionnelle, en outre, l’intéressée n’apporte pas le moindre document prouvant sa présence en Belgique antérieurement au 03.01.1999 ALORS QUE Ce motif ne constitue pas une motivation adéquate. En effet, la longue présence en Belgique des requérantes permet de présumer une intégration et des attaches sociales et durables nouées en Belgique. XIV-12.320-4/7 Le législateur de la loi du 22 décembre 1999 avait d'ailleurs visé cette situation aux articles 2, 4/ et 9, 9/ de la loi de régularisation. Bien que les requérantes n'aient pas sollicité la régularisation de séjour sur base de la législation précitée, il convenait á la partie adverse d'en appliquer les critères dans l'examen de la demande d'autorisation de séjour. Enfin, les problèmes dans son pays d'origine ont fait l’objet d'un examen approfondi dans Ie cadre de sa demande d'asile. Cette demande a été rejetée, lesdits problèmes ne peuvent constituer des circonstances exceptionnelles au sens de l’article 9 de la loi. L’intéressée n’a jamais été poursuivie par les autorités officielles de son pays d'origine, et elle n'a jamais apporté d'élément démontrant une crainte personnelle de persécution. La situation actuelle en XXX n'empêchent pas un grand nombre de personnes d'effectuer un retour vers ce pays, l’intéressée pourrait encore également faire appel à l’O.I.M. (Organisation Internationale des Migrations). Enfin, les recours introduits auprès du Conseil d'Etat ont été rejetés par cette juridiction ALORS QUE La partie adverse commet une erreur de droit en se fondant sur le rejet de la demande d'asile introduite par la requérante pour juger que les problèmes liés à son impossibilité de recours ne constitueraient pas des circonstances exceptionnelles. Qu'en effet, les instances d'asile examinent si un demandeur a quitté son pays d'origine ou en est resté éloigné par ‘ crainte’, au sens de la convention de Genève. Or, les requérantes se sont siniplernent prévalues de leur qualité de roms (tziganes) pour justifier les circonstances exceptionnelles. Ces dernières, tel qu'il a été vu plus haut sont toutes circonstances rendant impossible ou particulièrement difficile un retour de l'étranger vers son pays d'origine en vue d'y lever les autorisations nécessaires devant les autorités diplomatiques ou consulaires belges. Votre Haute Juridiction a ainsi censuré la partie adverse, dans un arrêt du 6 juillet 2001 (n' 97.536, RDE 2001, n' 115 p. 469) en les termes suivants : « considérant que le champ d'application de l’art. 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 qui est par ailleurs différent de celui des dispositions de la convention internationale relative au statut des réfugiés, signée á Genève le 28 juillet 1951 et approuvé par la loi du 26 juin 1953 ; qu'il s'en déduit qu'une circonstance invoquée à l’appui d'une demande de reconnaissance de la qualité de réfugié est rejetée sous cet angle, peut éventuellement justifier l’introduction en Belgique d'une demande de séjour fondée sur le risque d'une éventuelle violation de l’article 3 de la convention européenne des Droits de l’Homme ». I1 est également peu. relevant de constater dans l'acte attaqué que de nombreuses personnes ont effectué un retour sans problème en XXX alors que la requérante et ses enfants ont invoqué leurs origines tziganes (roms) pour justifier qu'un retour leur serait particulièrement difficile. De même Ie rejet des recours en suspension et en annulation introduits par la requérante, par votre conseil, est également sans incidence dans l'appréciation des circonstances exceptionnelles alléguées par les requérantes dans leur demande. Il ressort de tout ce qui précède que la partie adverse a méconnu la portée réelle de l'article 9, alinéa 3 de la loi du 15 décembre 1980.”, 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf de volgende elementen aanbrengen als buitengewone omstandigheden: 1) het feit dat zij sinds 1995 in België verblijven en het land sindsdien niet meer verlaten hebben, 2) het feit dat XXX “zich bijna in staat van oorlog bevindt” en dat zij, gezien hun Roma-afkomst, niet naar hun land van herkomst kunnen terugkeren aangezien zij er geviseerd worden door de A. rebellen en bijgevolg hun leven, fysieke integriteit en hun vrijheid er in gevaar zijn, 3) hun integratie in België, meer bepaald het feit dat de eerste verzoekende partij “werkbereid” is, dat zij en haar kinderen Frans spreken, dat de kinderen “regelmatig schoollopen”, en het feit dat de eerste verzoekende partij regelmatig haar huur en elektriciteitsrekeningen betaalt; Overwegende, aangaande het eerste element, dat de Minister overweegt dat een illegaal verblijf in België sinds 1995 op zich geen buitengewone omstandigheid vormt en dat de verzoekende partijen overigens met geen enkel document hun aanwezigheid voor 3 januari XIV-12.320-5/7 1999 aantonen; dat de Minister voorts stelt dat zij wisten dat hun verblijf slechts voorlopig was toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat zij bij een negatieve beslissing het land moeten verlaten; dat de verzoekende partijen hiertegen inbrengen dat de mogelijkheid van een langdurig verblijf is voorzien in de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en dat de verwerende partij deze mogelijkheid had moeten onderzoeken; dat de verzoekende partijen echter hun aanvraag hebben ingediend op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en zich derhalve niet dienstig op de wet van 22 december 1999 kunnen beroepen; Overwegende, aangaande het tweede element, dat de Minister overweegt dat de problemen in hun land van herkomst reeds diepgaand onderzocht werden in het kader van de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij, dat talrijke XXX onderdanen terugkeren naar hun land van herkomst en dat zij beroep kunnen doen op de Internationale Organisatie voor Migratie; dat de verzoekende partijen met het loutere betoog dat zij Roma- zigeuners zijn en de verwijzing naar een arrest van de Raad van State niet aannemelijk maken dat de Minister kennelijk onredelijk heeft gehandeld; dat dit des te meer klemt nu de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij definitief is verworpen; Overwegende, aangaande het derde element, dat de Minister overweegt dat noch de werkwilligheid van de eerste verzoekende partij, noch hun kennis van de Franse taal, noch het feit dat de rekeningen regelmatig worden betaald, noch het feit dat de kinderen regelmatig naar school gaan, aangezien zij niet naar hier gekomen zijn in het kader van een machtiging tot voorlopig verblijf voor studenten, een buitengewone omstandigheid vormt; dat de verzoekende partijen hiertegen inbrengen dat de Minister zich uitspreekt over de grond van de aanvraag en niet over de ontvankelijkheid; dat uit het administratief dossier blijkt dat de eerste verzoekende partij deze elementen in haar “verzoekschrift inhoudende vraag tot machtiging voor een verblijf van meer dan drie maanden door een vreemdeling” zelf heeft aangebracht als buitengewone omstandigheden; dat zij voorts met de verwijzing naar arresten van de Raad van State niet aannemelijk maken dat de Minister kennelijk onredelijk heeft gehandeld; Overwegende, betreffende de schending van artikel 8 E.V.R.M., dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke mate deze verdragsbepaling zou zijn geschonden; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-12.320-6/7 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.320-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.