id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.785 Rolnummer: A. 110601/XIV-6660 Zaak: Arrest 142785 - - 05/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 09:59 Fiche Arrest nr 142.785 van 5 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 142.785 van 5 april 2005 in de zaak A. 110.601/XIV-6.660 In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat P. VAN HOECKE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Armeense nationaliteit, op 22 september 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 oktober 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 29 augustus 2001; Gelet op de beschikking van 31 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 januari 2005; XIV-6.660-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat P. VAN HOECKE, verschijnt voor de verzoekende partijen, van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 20 december 1998 en zich vluchteling verklaren op 22 december 1998; dat op 15 oktober 1999 ten aanzien van beiden de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 augustus 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - Inzake de eerste verzoekende partij: “U, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart in Armenië verscheidene problemen te hebben gekend omwille van de gemend Armeens-Azerische origine van uw vrouw. Op 27 augustus 1995 heeft u voor de eerste keer uw land verlaten en rond 5 september 1995 bent u in Duitsland aangekomen, waar u asiel hebt aangevraagd. Rond 8 mei 1998 verliet u Duitsland en trok u naar Polen, waar u uw gezin achterliet. Zelf reisde u op 15 augustus 1998 verder naar Armenië. U kende er echter problemen en in oktober 1998 bent u terug via Rusland naar Polen gereisd, waar u uw gezin vervoegde. Daarna besloot u samen met uw gezin naar België te komen, waar u op 20 december 1998 aankwam en op 22 december 1998 asiel aanvroeg. U verklaart dat de moeder van uw vrouw van Azerische origine is. Toen uw familie dit te weten kwam in 1993, moest u met uw gezin uw ouderlijk huis verlaten. Op 4 augustus 1995, toen uw vrouw met de kinderen op bezoek was bij haar ouders, werd het huis van uw schoonouders aangevallen door Armeense buurtbewoners, die woedend waren omdat hun zonen opgeroepen te vechten tegen Azeri's in Nagomo-Karabach terwijl er zomaar een Azerische in hun buurt kon wonen. Uw schoonouders werden tijdens de aanval geslagen en uw vrouw, die toen zes maanden zwanger was, kreeg per ongeluk kokend water over haar been toen ze viel. Toen u ter plaatse kwam, nam u uw vrouw en uw schoonfamilie mee naar uw huis en bracht u daarna uw vrouw naar het ziekenhuis, waar zij een miskraam kreeg. Op 26 augustus 1995 is uw schoonfamilie vertrokken naar Rusland. Op 27 augustus 1995 vertrok u met uw gezin naar Duitsland. Toen u in augustus 1998 terugkeerde naar Armenië om te zien hoe de situatie daar was, heeft u problemen gekend met de autoriteiten. U werd drie keer door de politie opgepakt geslagen, beledigd omwille van de half-Azerische origine van uw vrouw en onder druk gezet criminele feiten te bekennen die u niet gepleegd hebt. De eerste twee keer hebben uw ouders u vrijgekocht, de derde keer zorgde een kennis, die in een ander politiebureau werkte, voor uw vrijlating. Daarna vertrok u naar Rusland, van waaruit u met een vals Russisch paspoort naar Polen en daarna verder naar België kon reizen. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat dat de feiten die zich in 1995 afspeelden en waarna u in Duitsland asiel aanvroeg, niet zwaarwichtig genoeg zijn om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie beschouwd te worden. De aanval ging immers uit van privé-personen en was een eenmalig, geïsoleerd feit. U verklaarde immers zelf voor het Commissariaat-generaal dat u en uw vrouw zowel voor de aanval als in de weken tussen de XIV-6.660-2/7 aanval en uw vertrek geen problemen gekend hebben omwille van de origine van uw vrouw. Tenslotte heeft u na dit feit geen poging gedaan om de hulp of bescherming van de autoriteiten in te roepen. Wat betreft de feiten die zich zouden afgespeeld hebben in 1998 dient vastgesteld te worden dat u, niettegenstaande drie kortstondige arrestaties, nooit officieel in beschuldiging gesteld of juridisch vervolgd werd. Verder blijkt uit uw verklaringen dat de beweegreden voor de politiemannen om u op te pakken eerder van financiële aard was. De eerste keer moesten uw ouders 500 dollar betalen, de tweede keer 1000 dollar. Bovendien lijkt het initiatief voor de arrestaties enkel afkomstig te zijn van de plaatselijke wijkpolitie. Gezien uw kennis, die in een ander politiebureau werkte, u zonder problemen vrij kon krijgen, is het niet aannemelijk dat u overal dezelfde problemen zou kennen. U heeft ook deze keer geen beroep gedaan op hogere autoriteiten om dit machtsmisbruik van de lokale politie aan de kaak te stellen. Tenslotte blijkt uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt dat er in Armenië geen problemen meer bestaan voor gemengde koppels. Sinds 1997 zijn er geen gevallen meer bekend van zware discriminatie en geweld tegen etnische Azeri's in Armenië. Geïsoleerde incidenten zijn niet uit te sluiten, maar zijn heel onwaarschijnlijk indien de persoon in kwestie niet expliciet uitdrukking geeft aan zijn etnische origine (CEDOCA, QUARM23a: Situation des couples mixtes en Arménie, 27/10/99 + actualisation FiARM73, 6/03/2001) Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakten, militair boekje, huwelijksakte, document overdracht wagen, documenten i.v.m Duitse asielaanvraag, brief van mensenrechtenorganisatie uit 1992) bewijzen enkel uw identiteit, uw verblijf in Duitsland en uw korte verblijf in 1998 in Armenië, en bieden geen bewijs voor de door u aangehaalde problemen. Bijgevolg wijzigen zij hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet.”; - Inzake de tweede verzoekende partij: “U, een Armeens staatsburger van gemengd Armeens-Azerische origine, verklaart in Armenië omwille van uw origine verscheidene problemen te hebben gekend. Op 27 augustus 1995 heeft u uw land verlaten en bent u naar Duitsland getrokken, waar u asiel hebt aangevraagd. Op 10 augustus 1998 werd u echter het land uitgewezen en trok u naar Polen, waar u tot 25 november 1998 bleef, om daarna terug te keren naar Duitsland en op 20 december 1998 verder te reizen naar België, waar u op 22 december 1998 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat uw moeder van Azerische origine is. In 1988 werden uw beide broers eens geslagen op school door kinderen uit de buurt. In 1993 kwam uw schoonmoeder, bij wie u woonde, te weten dat uw moeder van Azerische origine was en moest u met uw gezin verhuizen. Op 4 augustus 1995, toen u op bezoek was bij uw ouders, werd het huis aangevallen door Armeense buurtbewoners, die woedend waren omdat hun zonen opgeroepen waren om te vechten tegen Azeri's in Nagorno-Karabach terwijl er zomaar een Azerische kon wonen in hun buurt. Uw ouders werden tijdens de aanval geslagen en uzelf, die toen zes maanden zwanger was, kreeg per ongeluk kokend water over uw been toen u viel. Na de aanval kwam uw man ter plaatse, nam hij u en uw familie mee naar uw huis en bracht hij u daarna naar het ziekenhuis, waar u een miskraam kreeg. Op 26 augustus 1995 zijn uw ouders vertrokken naar Rusland en op 27 augustus 1995 bent"u met uw familie naar Duitsland vertrokken, waar u asiel aanvroeg. Na de afwijzing van uw asielaanvraag vertrok u naar Polen. Van daaruit is uw man teruggekeerd naar Armenië om te zien hoe de situatie daar was. Hij werd er echter drie keer gearresteerd omwille van uw origine, en is in oktober 1998 via Rusland teruggekeerd naar Polen . Daarna hebben jullie besloten naar België te komen. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de feiten die zich afspeelden voor uw asielaanvraag in Duitsland niet als zwaarwichtig genoeg kunnen beschouwd worden om te kunnen spreken van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie De aanval in 1995 was immers een eenmalig feit, gepleegd door privé-personen, waaruit geen systematische vervolging kan afgeleid worden. Bovendien heeft u nooit de hulp ingeroepen van de autoriteiten om uw problemen te verhelpen. Persoonlijk heeft u na de aanval in 1995 geen problemen meer gekend. U verklaart dat uw man tijdens zijn korte verblijf in 1998 drie keer werd opgepakt omwille van uw origine, doch hij werd nooit officieel in beschuldiging gesteld of juridisch vervolgd. Ook heeft hij niet gepoogd de bescherming van hogere autoriteiten in te roepen. Tenslotte blijkt uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt dat er in Armenië geen problemen meer bestaan voor gemengde koppels. Sinds 1997 zijn er geen gevallen meer bekend van zware discriminatie en geweld tegen etnische Azeri's in Armenië. Geïsoleerde incidenten zijn niet uit te sluiten, maar zijn heel onwaarschijnlijk indien de XIV-6.660-3/7 persoon in kwestie niet expliciet uitdrukking geeft aan zijn etnische origine (CEDOCA, QUARM23a: Situation des couples mixtes en Arménie, 27/10/99 + actualisation RAIRM73, 6/03/2001) Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag voorgelegde documenten (huwelijksakten, geboorteakten) bevestigen enkel uw identiteit en wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren, dat luidt als volgt: “Enig middel: schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van een administratieve rechtshandeling en van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet van 15 december
- In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de feiten waarvan eerste verzoeker het slachtoffer werd in 1998 in Armenië slechts kortstondige arrestaties betroffen die uitgingen van de lokale politie en aan eerste verzoeker wordt verweten dat hij geen beroep heeft gedaan op de autoriteiten. Verzoekers kunnen met deze vaststelling niet akkoord gaan. Eerste verzoeker wenst op te merken dat hij slechts gedurende een zeer korte periode opnieuw was teruggekeerd in Armenië en dat gedurende deze zeer korte periode blijkbaar de plaatselijke politie reeds op de hoogte was van zijn terugkeer en hij niet minder dan drie keer gearresteerd werd op 2,5 maanden tijd. Deze arrestaties waren telkens volledig willekeurig zonder enige reden en er werden ook nooit beschuldigingen lastens eerste verzoeker geuit vermits de ouders hem gedurende de eerste twee keer met betaling van smeergeld konden vrijkrijgen. De derde keer is hij vrijgekomen via tussenkomst van een kennis die eveneens in een politiek bureau werkte. Verzoekers stellen dat het beroep doen op een hogere instantie om het misbruik van de lokale politie aan te vechten totaal geen zin heeft en enkel zou leiden tot meer willekeurig optreden van deze lokale politie. Verder wordt in de bestreden beslissing gesteld dat het Commissariaat-Generaal over informatie beschikt dat er in Armenië geen problemen meer bestaan voor gemengde koppels. Verzoekers ontkennen dit ten stelligste en zijn zeer formeel in hun bewering en zij zijn niet alleen hierin, dat er wel degelijk een zeer zware discriminatie is tegenover gemengde Armeens- Azerische koppels en dit zowel in Armenië als in Azerbeidzjan. Verder kunnen verzoekers niet akkoord gaan met de vaststelling in de bestreden beslissing dat de feiten die zich hebben afgespeeld in 1995 niet zwaarwichtig genoeg zijn om te kunnen spreken van een vervolging. Zoals reeds gezegd hebben verzoekers in Duitsland een asielaanvraag gedaan doch deze asielaanvraag werd afgewezen om reden dat verzoekers geen bewijs hadden van de Azerische afkomst van de moeder van tweede verzoekster. Eerste verzoeker is speciaal naar Armenië teruggekeerd om bewijsmiddelen te halen en verzoekers zijn thans in het bezit van deze bewijsmiddelen. Het wordt in de bestreden beslissing trouwens niet ontkend dat de moeder van tweede verzoekster van Azerische afkomst is. Verzoekers hebben zelfs het bewijs dat de moeder van tweede verzoekster pogingen heeft ondernomen om de Armeense nationaliteit aan te vragen. De stelling in de bestreden beslissing dat verzoekers na 4 augustus 1995 zonder enig probleem een tijd lang in Armenië hebben kunnen verblijven raakt kant noch wal. Zoals gezegd dateerde de aanval van 4 augustus 1995 en zijn de ouders van tweede verzoekster op 26.8.1995 gevlucht en de dagen daarna verzoekers met hun gezin. Na de feiten van 4 augustus zijn verzoekers op een ander adres gaan verblijven en in de bestreden beslissing wordt volledig voorbijgegaan aan het feit dat tweede verzoekster onmiddellijk na de feiten een miskraam heeft gehad zodat een onmiddellijk vlucht niet mogelijk was. Zij hebben wel ondergedoken geleefd bij kennissen. De motivering van de bestreden beslissing is dan ook niet correct.”; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat er met betrekking tot het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten geen middelen worden ontwikkeld; XIV-6.660-4/7 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegen: “Verzoekers verwijzen naar de motivering van hun verzoekschrift tot nietigverklaring. Zij wensen hieraan nog toe te voegen dat er door verwerende partijen niet betwist wordt dat eerste verzoeker in 1998 niet minder dan 3 keer gearresteerd werd gedurende korte tijd en dit zonder enige aanwijsbare reden behoudens de origine van tweede verzoekster. Verder wordt in de tweede pagina van bladzijde 3 gesteld dat er sinds 1997 geen gevallen meer bekend zijn van zware discriminatie en geweld tegen etnische Azeries in Armenië doch dat geïsoleerde incidenten niet uit te sluiten zijn maar dat deze heel onwaarschijnlijk zijn indien de persoon in kwestie niet expliciete uitdrukking heeft gegeven aan zijn etnische origine. Hieruit afleidende zou men kunnen stellen dat er voor verzoekers inderdaad problemen te verwachten waren omdat de etnische origine van tweede verzoekster gekend was.”; 2.
- Overwegende dat de in artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opgelegde formele motiveringsplicht, betrekking heeft op de beslissingen tot weigering van de erkenning of van de bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling en de intrekking van die hoedanigheid; dat de in artikel 57/6 van voornoemde wet opgelegde verplichting bijgevolg slechts van toepassing is op beslissingen genomen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure; dat met de bestreden beslissingen echter in de ontvankelijkheidsfase beslissingen tot weigering van verblijf zijn genomen op basis van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het eenmalige en privé-karakter van de feiten die zich in 1995 hebben afgespeeld, het feit dat de eerste verzoekende partij tijdens haar verblijf in Armenië in 1998 nooit officieel in staat van beschuldiging werd gesteld, dat zij niet gepoogd heeft de bescherming van de hogere autoriteiten in te roepen en dat uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er geen problemen meer bestaan voor gemengde koppels in Armenië; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvechten en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze XIV-6.660-5/7 overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende, wat betreft de feiten die dateren van 1995, dat de verzoekende partijen de vaststellingen van de commissaris-generaal dat zij nooit de hulp van de autoriteiten hebben ingeroepen, dat hun problemen eenmalig waren en werden gepleegd door privé-personen, niet bespreken, noch weerleggen, doch zich beperken tot algemene beweringen en het herhalen van hun eigen standpunt, zonder dit te staven met concrete elementen; dat zij de vaststellingen van de commissaris-generaal betreffende de feiten die zich hebben afgespeeld in 1998 niet weerleggen, doch zich beperken tot een algemene bewering, zonder deze op concrete wijze te onderbouwen; dat de verzoekende partijen de vaststelling van de commissaris-generaal betreffende de situatie van gemengde koppels in Armenië niet weerleggen, doch deze vaststelling enkel ontkennen en beweren ‘dat zij hier niet alleen in zijn’, zonder deze bewering evenwel nader te verduidelijken; dat zij aldus niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen zijn genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-6.660-6/7 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6.660-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.785 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.